John Duncan, zoon van invloedrijk politicus

John Duncan. Kopie uit Toronto Star, 12 april 1945. Bron: http://www.veterans.gc.ca

John Lyons Duncan was enig kind van James Lewis Duncan en Violet Isabelle Duncan. Zijn vader Lewis Duncan was invloedrijk advocaat en politicus. Hij had in de Eerste Wereldoorlog als majoor dienst gedaan in het Canadese leger. Lewis Duncan was lid van de Legislative Assembly of Ontario, het provinciaal parlement.

Met zo’n achtergrond voelde John Duncan het als een plicht om ook zijn aandeel te leveren in de strijd tegen Hitler. Hij tekende als achttienjarige voor het leger op 23 augustus 1943. John stond op de nominatie om als officier een leidinggevende functie te vervullen. Maar hij werd nog te onvolwassen bevonden om officier te worden. Aan zijn intelligentie lag het niet. Aan zijn lengte (1 meter 81) ook niet. Aan zijn manieren en zijn voorkomendheid evenmin. Het ontbrak aan overwicht.

Lewis Duncan, vader van John. Politicus en advocaat. Bron: Wikipedia

Dat zijn vader majoor was geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog gevochten had bij de Somme, Vimy Ridge en Passchendale kwam ook ter sprake bij de beoordelingen die John Duncan onderging in het leger. In hoeverre zijn vader of diens reputatie een rol speelde bij de functie die John in het leger kon krijgen, is niet uit de dossiers op te maken. Feit is dat hij in de twee jaar dat hij in het leger was na zijn eerste screening nog drie keer is beoordeeld op zijn potenties als militair. Op enig moment werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal, maar na een paar maanden werd dat weer teruggedraaid – hij werd weer gewoon private – maar wel met behoud van soldij.

De laatste beoordeling gebeurde op verzoek van het Headquarters Canadian Reinforcement Unit. Het oordeel was dat hij nog steeds niet de kwaliteiten had om officier te worden, maar fysiek fit was om als rifleman naar het front te gaan. Hij arriveerde op nieuwjaarsdag 1945 in het Verenigd Koninkrijk, waar hij zich melde bij het Canadian Infantry Training Regiment. Negen dagen later werd hij ingedeeld bij het Royal Hamilton Light Infantry regiment (Rileys).

Met dat regiment stak hij in april 1945 het Twentekanaal over bij Almen. De Rileys gingen meteen oostwaarts om de rechterflank in de richting van Laren af te dekken. In de nacht van 4 op 5 april ontstond een heftig vuurgevecht, tussen Canadese en Duitse troepen. De gevechten gingen de volgende dag tot ver in de middag door. Ergens op die dag werd John Duncan getroffen. Hij overleed direct en werd tijdelijk begraven in Almen. Padre H/Captain H.W. Johnson leidde de dienst bij de begrafenis.

John Duncans graf op de Canadese begraafplaats in Holten. Bron: veterans.gc.ca

Later werd John herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot I, rij C, graf 8.

De dood van John trof zijn ouders zwaar. Vader Lewis Duncan pleegde vijftien jaar later, op 8 april 1960, zelfmoord in de wc van een winkel in Toronto. De krant The Globe and Mail schreef in een in memoriam dat Lewis Duncan lang had geleden door de dood van zijn enige zoon tijdens de Tweede Wereldoorlog.

© 2019 Jan Braakman

Marcel Martin, begraven in de tuin

Marcel Martin was een intelligente jongeman, toen hij zich in april 1943 voor de dienst in het Canadese leger meldde. Hij was al 28 jaar. Marcel had vaste verkering en een kleine vriendengroep. Hij wilde chauffeur worden in het leger, daar had hij al ervaring mee. Hij kon ook kleine reparaties uitvoeren aan vrachtwagens, zo meldde hij.

Marcel was de derde in een roomskatholiek gezin van acht kinderen, zeven jongens en een meisje. Hij woonde nog bij zijn ouders in Montreal, adres: 1728 Mullins Street Hij was sportief, hij had ijshockey, honkbal en softbal gespeeld. Bij de keuring voor het leger en later bij zijn opleiding viel hij op door zijn intelligentie, ook al had hij nauwelijks meer opleiding gehad dan de basisschool. Hij was van school gegaan, omdat er in het gezin Martin geen geld voor was.

Hij was Franstalig, maar hij kon even goed in het Engels uit de voeten. Lang leek het er op dat hij niet naar het front in Europa gezonden zou worden. Maar eind 1944 werd hij toch op de boot gezet naar het Verenigd Koninkrijk. Op 18 december 1944 vertrok hij uit Canada en op Eerste Kerstdag kwam hij in het Verenigd Koninkrijk aan.

Na bijna twee maanden verblijf in Groot Brittannië werd hij ingedeeld bij het 1st Btn van het Royal Highland Regiment of Canada, meestal aangeduid als de Black Watch. Op 17 februari 1945 werd hij per vliegtuig naar Nederland gebracht, waar hij zich bij zijn regiment voegde in Nijmegen. Het regiment was gelegerd in de Prins Hendrik Kazerne, die oorspronkelijk door de Nederlandse koloniale troepen werd gebruikt. Maar in de afgelopen jaren was de Nijmeegse kazerne in gebruik geweest bij de Duitsers.

De dag na zijn aankomst trok het regiment op naar Bedburg (Duitsland). De Canadese regimenten maakten zich op om een doorbraak over de Rijn te forceren. Die doorbraak kwam na een militair gecompliceerde en strategische operatie (Blockbuster). Vanaf begin maart trokken Canadese troepen noordwaarts om Oost-Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem, Hummelo trok Martins regiment in de richting van het Twentekanaal bij Almen.

Boerderij Nieuwenkamp aan de Zutphenseweg in Laren, waar Martin werd verzorgd. Hij werd later in de tuin begraven. Foto Google Streetview

Voorafgegaan door het Regiment de Maisonneuve trok Martin’s regiment Black Watch het Twentekanaal over in de richting van Laren. De Duitse troepen verdedigden Laren kostte wat het kost. Twee tanks van het tankregiment Fort Garry Horse werden buiten gevecht gesteld, ten koste van een aantal gewonden en doden. De Black Watch kwamen zwaar onder vuur, waarbij Martin gewond raakte.

Ammo belt. Foto: Rubin Jansen

De soldaat werd verpleegd in een boerderij aan de Zutphenseweg in Laren. Hij bezweek echter aan zijn verwondingen. Hij werd begraven in de tuin van de boerderij. Begin deze eeuw werden in de grond voor het huis nog spullen gevonden die mogelijk aan Martin hebben toebehoord: een helm en metalen delen van een munitieriem (ammo belt).

Martin Marcel werd in 1946 herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot II, rij E, graf 3.

© 2019 Jan Braakman

Roger Dufort, infanterist in plaats van paratroeper

Eerste Kerstdag 1944 vierde de achttienjarige Roger Dufort in het Verenigd Koninkrijk. Na een overtocht van een week was hij vanuit Canada met de boot in Engeland aangekomen, waar hij met een grote groep mede-militairen werd ontscheept.

Dufort was een roomskatholieke jongen uit een gezin van zes. Zijn vader was in 1939 overleden. Zijn vader was twee keer getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk had hij drie kinderen, van wie Jeanne de oudste was. Toen Roger in 1944 in dienst ging, was Jeanne al lang het huis uit, net als Laure en George, de andere halfzus en halfbroer van Roger.

Zijn zus Rita en broer Jean woonden net als Roger nog met hun moeder thuis aan de Shearer Lane in Montreal (Quebec, Canada).

Parachutistenopleiding in kamp Shilo. Foto Library and Archives, Canada

Roger tekende voor het leger in mei 1944. Hij had korte tijd (een half jaar) gewerkt voor Webster & Son. Nadat hij had getekend voor het leger, ging hij eerst naar het trainingskamp Petawawa (Ontario) , en na twee maanden (op 2 augustus) werd hij overgebracht naar Camp Shilo (Manitoba) om de parachutistenopleiding te doen. Twaalf dagen later werd hij van de parachutistenopleiding afgeschreven en bij de infanteristen ingeschreven in in hetzelfde kamp. In Camp Shilo verloor een deel van spullen, wat hem op een reprimande en een inhouding op zijn soldij kwam te staan.

In december kreeg hij bericht dat hij zou worden verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij dus op Eerste Kerstdag aankwam. Amper een maand later werd overgebracht naar Noordwest-Europa om de daar gelegerde troepen te versterken. Op Valentijnsdag, 14 februari 1945, kreeg hij te horen dat hij was ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve.

Met het Regiment de Maisonneuve maakte hij de opmars door Oost-Nederland mee. Begin april 1945 stak hij bij Almen het Twentekanaal over. Zijn regiment kreeg de taak het bruggenhoofd over het kanaal in noordoostelijke richting te vergroten. Het Regiment de Maisonneuve kreeg het zwaar te verduren. De tegenstand bij het dorp Laren (Gld) was zwaarder dan verwacht. Voor Roger Dufort was de strijd fataal, hij werd dodelijk getroffen. Hij had zijn negentiende verjaardag nog niet gevierd.

Een dag later werd zijn stoffelijk overschot ter aarde besteld op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard Baril, Edgar Ross, Amede Letourneau, Bertrand Wellie, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 14.

© 2019 Jan Braakman

Amede Letourneau overleefde Normandië, sneuvelde in Laren (Gld)

Amede Letourneau Bron: Veterans.gc.ca

Amede Letourneau was 23 jaar jong toen hij in augustus 1942 zijn handtekening zette onder het Attestation Paper van de Canadian Active Service Force. De in Ste Sabine (Quebec) geboren Letourneau woonde bij zijn vader in Welland, Ontario.

Amede kwam uit een gezin met acht kinderen: drie jongens en vijf meisjes. Zijn oudste zus Maria was 32 toen hij het leger inging. Zijn jongste zus Therese was 9. Daartussen zaten de broers Ferdinand en Joseph en de zussen Germaine, Mari Louise en Marie Rose. Zijn moeder was overleden.

Voor Amede het Attestation Paper tekende had hij al dienst gedaan. Vanaf 15 januari 1942 was hij in verschillende opleidingskampen geweest.

In augustus 1942 werd hij als gunner ingedeeld bij het 1 Anti Aircraft Bataljon (1 AA Bty) in Dartmouth (bij Halifax), Nova Scotia. Later kwam hij wat dichter bij huis: in Brantford, Ontario bij het A23 Coast and Anti Aircraft Artillery Training Centre. Uiteindelijk kwam hij terecht bij het 26th Anti Aircraft Regiment.

Een paar weken na D-Day, op 20 juli 1944, ging hij aan boord van een troepenschip dat hem naar het Verenigd Koninkrijk zou brengen. Een week later, op 27 juli 1944 kwam hij daar aan. Letourneau meldde zich bij het 6 Canadian Infantry Reinforcement Unit. Toen hij op 11 augustus 1944 in Frankrijk voet aan wal zette maakte hij deel uit van het Regiment de Maisonneuve. Op dat moment trok het regiment samen op met de Calgary Highlanders, met het doel het dorp La Chesnaie, ten zuiden van Caen (Normandië, Frankrijk) in te nemen.

Het Regiment de Maisonneuve veranderde de plannen, liet La Chesnaie links liggen en rukte verder op via Tourneau, Gouvix, Villers Cavinet om enkele dagen later neer te strijken in Versainville. Vandaar trokken ze de volgende dagen verder naar Les Moutiers en Auge, waar ze het Regiment de la Chaudiere vervingen. Vandaar uit ging het verder oostwaarts via Vinoutiers, Camembert, Meulles en Orbec naar Vallaiserie.

Op 24 augustus was het doel Duranville. Letourneau’s regiment kwam net als eerder onder zwaar vuur te liggen. Amede raakte daarbij gewond. Hij werd afgevoerd naar een ziekenhuis in het Verenigd Koninkrijk (24 Canadian General Hospital).

Na bijna twee maand was Letourneau voldoende hersteld om zich met zijn te herenigen. Op 17 oktober was hij weer terug in Frankrijk. Vlak daarna werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal. Hij vocht mee in Zuid-Beveland in de strijd om de Schelde. En in maart 1945 werd hij Acting Sergeant. 

Regiment de Maisonneuve in Terborg. Foto: Lieut. Michael M. Dean / Canada. Dept. of National Defence / Library and Archives Canada / PA-131712

Toen stond hij klaar om met zijn regiment vanuit de omgeving van Emmerik naar het noorden te trekken om het oosten van Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem en Hummelo trok zijn regiment naar Almen. Begin april stak Amede het Twentekanaal over.

Op 4 april 1945, bij de uitbreiding van het bruggenhoofd ten noorden van het Twentekanaal bij Laren, kwam Amede opnieuw onder zwaar vuur te liggen.

Om zes uur ’s avonds liepen de soldaten van het Regiment de Maisonneuve het Twentekanaal over bij Almen. Ze rukten op in de richting van Laren (Gld). Tegen acht uur stuitten ze op Duitse troepen, die de aanval probeeerden af te slaan. De gehele nacht werd er harde strijd geleverd. Bij de aanval op Laren (Gld) in de nacht van 4 op 5 april 1945 telde het regiment 23 doden en gewonden. Amede Letourneau was een van hen. Deze keer bleef hem het ergste niet bespaard. Hij was op slag dood.

Een dag later, op 6 april 1945, werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar Ross, Wellie BertrandRoger DufortArmand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 9.

Wellie Bertrand trof hetzelfde lot als zijn oom

Wellie Bertrand; zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen. Bron: Françoise Vincent

Van Wellie Bertrand zijn gelukkig verschillende foto’s bewaard gebleven. Hij had een stevige dos golvend donker haar, een geprononceerd, beetje vierkant gezicht. Op een van de foto’s poseerde hij trots en in vol ornaat in zijn uniform, zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen.

Het kind dat niet op de foto staat is zijn neefje. Op de oorspronkelijke foto stond ook nog een zwager van Wellie, de echtgenoot van zijn zus Medora. Wellie was ongetrouwd en had geen kinderen.

Op een andere foto staat Wellie met zijn zus Rhea en diens echtgenoot Laurian Chenier. Chenier heeft niet in Europa gediend.

Wellie Bertrand in zomers outfit. Foto via Françoise Vincent

Als Wellie uit dienst zou gaan, had hij graag boer willen worden. Op het formulier dat hij invulde bij zijn indiensttreding in het Canadese leger, gaf hij aan een toekomst als op een gemengd bedrijf (akkerbouw en veehouderij) na te streven. Zover kwam het echter nooit. Zijn vader had geen boerderij. Vader Michel Bertrand was werkzaam in de bosbouw, net als Wellies broer Lorenzo.

De doopnaam van de op 28 april 1917 geboren Wellie Bertrand was William. Hij had zijn naam te danken aan zijn oom William Bertrand, die op 9 april 1917 op twintigjarige leeftijd was overleden. William sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. Hij ligt begraven in Pas de Calais (Frankrijk).

Wellie was al bijna 27 toen hij zijn handtekening zette onder het Occupational History Form dat hij moest invullen bij zijn indiensttreding. Op dat moment was hij werkzaam bij de International Nickel Company in Sudbury, Ontario. Hij wilde eventueel terugkeren bij de werkgever in Sudbury.

Bertrand had blauwe ogen, woog 67 kilo en was van top tot teen 1 meter 64 centimeter. Hij was kerngezond bij zijn medische keuring. De enige bijzonderheid was een litteken op zijn rechtervoet.

Wellie Bertrand, links, met zijn zus Rhea en zwager Laurian Chenier. Bron: Françoise Vincent

Wellie kwam uit een omvangrijk gezin met vier broers (Lorenzo, John-Eddy, Rodolphe en Gérald) en drie zusters (Medora, Rhéa en Mariette). Ze woonden in het Franstalige Notre Dame du Laus, Quebec, Canada, zo’n honderd kilometer ten noorden van de Canadese hoofdstad Ottawa.

Moeder Bertrand was in 1921 op 34-jarige leeftijd overleden, bij de geboorte van Mariette. In hetzelfde jaar stierf ook een van de broers van Wellie – nog geen tien jaar oud.

Wellie met zijn zus Médora. Foto via Françoise Vincent.

De drie oudere broers van Wellie, Lorenzo, Rodlophe en Gerald woonden en werkten allemaal thuis op de boerderij. Zijn zussen Medora, Rhéa en Mariette waren getrouwd en het huis uit.

Wellie trad in dienst in april 1944. Na zijn militaire opleiding ging hij per schip naar het VK. Op 18 november 1944 verliet hij zijn geboorteland, om er nooit weer terug te keren.

Wellie met zijn zus Rhéa. Foto via Françoise Vincent

In het nieuwe jaar, op 12 januari 1945, werd Wellie ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve onder leiding van majoor Charlebois. Bijna twee maand later werd Wellie gepromoveerd tot lance corporal bij de A-compagnie van het regimentEen maand daarna sneuvelde hij. Wellie was betrokken bij de gevechten die ontstonden na het oversteken van het Twentekanaal bij Almen. In de corridor tussen het Twentekanaal en de spoorlijn Zutphen-Hengelo kwam zijn compagnie plotseling onder Duits vuur te liggen. Hoewel de B-compagnie van zijn regiment met ondersteuning van de tanks van Fort Gary Horse te hulp schoot, kwam de hulp voor Bertrand te laat. Wellie overleed op 5 apil 1945. Zo trof hem hetzelfde lot als zijn oom William, naar wie hij was vernoemd in 1917: gedood op het slagveld.

Een dag later werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard Baril, Edgar Ross, Amede Letourneau, Roger Dufort, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 13.

Wellie’s graf op de begraafplaats in Holten. Foto via Françoise Vincent.
  • Bronnen:
  • Boek: *Gerard Marchand – Le Régiment de Maisonneuve vers la Victoire;
  • Archief: *Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25449
  • Persoonlijk gedeelde informatie: *Françoise Vincent, Canada

©2019 Jan Braakman

Jean Paul Belanger mankeerde niets

De achttienjarige Jean Paul Belanger was zo gezond als een achttienjarige kan zijn, toen hij in mei 1944 tekende voor het Canadese leger. Het enige bijzondere dat bij de medische keuring werd opgemerkt was een moedervlek op zijn rug.

Belanger had blauwe ogen, bruin haar; hij woog net 58 kilo bij een lengte van 1,57 meter. Wat viel er verder van te zeggen? Weinig. Jean Paul woonde nog bij zijn ouders aan de Rue Henri Julien in Montreal (Quebec, Canada). Hij werkte als assistent-scheikundige bij Canada Drug Company in Montreal. Vier jaar al, op zijn veertiende was hij er begonnen.

Hij ging na zijn indiensttreding naar het trainingskamp in Sherbrooke. Na twee weken moest hij naar het ziekenhuis. Zijn legerdossier vermeldt wel dat hij van 22 mei 1944 tot 30 mei 1944 in het militaire ziekenhuis in Sherbrooke was, maar niet waarom. Op 30 mei werd hij uit het ziekenhuis ontslagen.

Waarschijnlijk was hij daarna korte tijd uit dienst, want later werd vastgelegd dat Belanger op 5 september 1944 in dienst was gekomen. In de maanden daarna kreeg hij de vereiste vaccinaties om op het strijdtoneel in Noordwest-Europa te worden ingezet. Op 18 december 1944 werd hij ingescheept om per vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken, waar hij de volgende dag aankwam. Ruim een maand later, op 29 januari 1945 werd hij ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve, een Franstalig regiment.

Het regiment werd ingezet in bij het slaan van een bruggenhoofd over de Rijn. Vervolgens trokken Belanger en zijn maten noordwaarts via Terborg, Doetinchem, richting Twentekanaal bij Almen. Het regiment van Belanger werd op 5 december ingezet bij de bevrijding van het Gelderse Laren. Het Regiment de Maisonneuve kreeg tot taak het bruggenhoofd in de richting van Laren uit te breiden, zodat het regiment van de Black Watch vervolgens het dorp kon innemen.

Het liep iets minder voorspoedig. De tegenstand van de Duitse troepen was zwaarder dan voorzien. Voor Jean Paul Belanger was de Duitse weerstand fataal. Hij werd getroffen, dodelijk.

De volgende dag werd hij begraven op een grasveld in Almen, waar ook 39 maten van hem een tijdelijke rustplaats kregen. Er was een korte ceremonie waarbij legerkapelaan T.P. Tait voorging.

Zijn persoonlijke bezittingen werden naar zijn moeder gestuurd. In de korte tijd dat hij had gediend had hij bijna alleen het hoogst noodzakelijke bij zich: een sigarettenaansteker, een Waterman pennenset, een rozenkrans, brieven, foto’s, een gebedenboek en 2 munten.

Later werden de stoffelijke resten van Belanger herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot III, rij B, graf 8.

© 2018 Jan Braakman

Frederick Parkinson, kleurenblind maar vol ambitie

Frederick Parkinson wilde graag een bijdrage leveren aan de strijd tegen de Duitsers. De geboren Brit woonde in Montreal (Quebec, Canada) met zijn vrouw en twee kinderen toen hij in april 1944 het leger in ging. Hij had toen al verschillende pogingen gedaan om bij de marine of de luchtmacht te worden aangenomen.

Parkinson als jonge jongen. Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij had zich gemeld bij de Royal Canadian Airforce, maar daar was hij geweigerd. De marine wilde hem niet aannemen omdat hij kleurenblind was. Hij deed een tweede poging bij de marine, om als stoker te worden aangenomen. Opnieuw werd hij afgewezen, omdat hij niet genoeg ervaring had.

Parkinson was als jongen door zijn vader naar het opleidingsschip Wellesley gebracht. Het schip was vooral bedoeld voor weesjongens. Parkinsons vader leefde nog, maar zijn moeder was overleden toen hij nog klein was. Zijnvader wist niet hoe hij het gezien draaiende moest houden en daarom besloot hij Frederick naar het opleidingsschip te sturen.

Na de opleiding was hij meer dan zeven jaar werkzaam in de koopvaardij. Toen hij in 1935 trouwde met Margaret Murphy ging hij aan land. Margaret en Frederick woonden in Rosemount (Quebec). Ze kregen twee kinderen: Margaret Joan (1935) en Barbara Ann (1937). Frederick werkte als machine monteur voordat hij in dienst kwam bij het oliebedrijf McColl Frontenac. Daar vervulde hij verschillende functies. Hij stapte over naar Canadian Vickers waar hij aanvankelijk schilder was, maar later als lader en losser in de haven werkte.

Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij was al 35 toen hij toch nog in dienst werd genomen. Niet bij de luchtmacht of de marine, maar bij de landmacht. Frederick maakte indruk. “Hij heeft de goede aanleg en de juiste instelling” schreef captain R.A. Wendt in een beoordeling. “Hij werkt hard en doet het goed bij de oefeningen.” Frederick wilde het liefst schutter zijn. “Hij is slim en heeft een militaire uitstraling”, oordeelde Wendt.

In oktober 1944 werd Parkinson verscheept vanuit Canada naar het Verenigd Koninkrijk. Het laatste oorlogsjaar was al begonnen toen Frederick op 6 januari werd overgebracht naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa. Eind februari werd hij ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Zijn regiment was betrokken bij zware gevechten in het Hochwald, begin maart, toen bij Rees (Duitsland) een bruggenhoofd over de Rijn werd gerealiseerd. Daarna kon het regiment in de omgeving van Nijmegen op adem komen. Eind maart, begin april begon het regiment de opmars naar het noorden, via Terborg, Doetinchem, Hummelo, richting Twentekanaal bij Almen. Nadat ze het kanaal waren overgestoken zou het Regiment de Maisonneuve het bruggenhoofd uitbreiden richting het Gelderse Laren, zodat het regiment van de Black Watch daarna de aanval op 5 april 1945 op Laren konden overnemen.

Bron: Virtual War Memorial

Het werd een onverwacht harde strijd, waarbij de Black Watch het zwaar te verduren kregen. En voor Parkinson sloeg het noodlot toe.

Parkinson werd geraakt. Hij raakte zwaar gewond aan zijn hoofd. Een kogel had hem precies op zijn kruin geraakt. Hij had een gapende wond bovenop zijn schedel. Maar hij leefde nog. Hospiks noteerden om zeven uur ’s avonds een polsslag van 42 slagen per minuut en een hoog ademhalingsritme van 28 ademhalingen per minuut. Hij was bewusteloos. Ze gaven hem een anti-tetanus-serum en lieten hem afvoeren naar het ziekenhuis in Nijmegen. Toen hij daar om elf uur ’s avonds aankwam was Parkinson overleden.

Frederick Parkinson werd tijdelijk begraven vlakbij het ziekenhuis in Nijmegen. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Groesbeek: plot V, rij E, graf 4.

Source: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26760

©2018 Jan Braakman

Donald Morrison, gesneuveld vlak voor het eind van de oorlog

Donald Morrison and Nan Swinton kenden elkaar amper anderhalf jaar, toen ze in december 1943 besloten te trouwen.

Donald as a young child at Silver Mine, his grandfather Donald MacDonald’s farm. Bron: Wendy MacDonald

Donald was geboren als zoon van Schotse ouders die met hun ouders naar Canada waren geëmigreerd. Hij had drie zussen die nog bij zijn ouders woonden in Sydney, Nova Scotia, Canada. Zijn vader werkte in de haven: laden en lossen.

Morrison ging in dienst op 1 mei 1942 in de plaats New Glasgow in Nova Scotia. Daarvoor was hij werkzaam geweest als monteur van koelinstallaties en airconditionings. De Schots-Canadese Donald vertrok in juli 1942, twee maand nadat hij in het leger was gegaan, al naar Europa, waar hij in de buurt van het Schotse Glasgow bij het 17th Duke of York (Royal Canadian) Hussars Regiment was gelegerd.

Vlak daarna kwam hij in contact met Nan Swinton, die voluit Agnes Edward Fyffe Swinton heette. Zij was dochter van een politieman in Glasgow. Ze werkte als typist bij de luchtmacht (Women’s Auxiliary Air Force). Zij was vier jaar jonger dan Donald. Ze trouwden op 23 maart 1944. Drie maand later werd hij verscheept naar Frankrijk, waar hij werd ingezet bij de bevrijding van het Europese vasteland.

Cpl Donald Morrison; Oct. 5, 1920- May 4, 1945. Bron: Wendy MacDonald

Zij schreef hem regelmatig, en hij haar. Een van haar brieven hield hij constant bij zich, had hij geschreven aan zijn Nan. Dinsdag 1 mei 1945 pakte Nan haar vulpen en een luchtpostvel van het leger om haar ‘Donny’ te schrijven. “Behalve dat ik constant naar je verlang, mijn liefste, voel ik me top; iedereen is in goed humeur (ik ben geen uitzondering) en vraagt zich af hoe lang de Mof het volhoudt tegen ons. Liefste, ik weet zeker dat we niet veel langer ver van elkaar zullen zijn. Ik verlang er wanhopig naar voor altijd bij je te zijn, dat je me thuis alle plekken laat zien . . . om gewoon ‘de heer en mevrouw’ te zijn.”

Ze sloot haar brief af met: “Ik zie je snel liefste Donny. God bless you my own, your ever loving wife. Nan.”

Het was haar laatste brief aan hem. En waarschijnlijk heeft hij hem nooit gelezen. Cpl Donald Morrison sneuvelde drie dagen nadat Nan haar lieve woorden had geschreven. Op 4 mei 1945 werd hij dodelijk getroffen in Oost-Friesland. Hij werd tijdelijk begraven bij de kerk in het plaatsje Aurich (Duitsland). Een paar dagen later was de oorlog in West-Europa definitief voorbij.

Nan ging in 1945 naar Canada, om de ouders van haar geliefde Donny te ontmoeten. Ze besloot in Canada te blijven en hertrouwde later met William Eden. Ze overleed in 1999.

In maart 1946 werden Donalds stoffelijke resten in Aurich opgegraven en herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Holten. Donald Morrison ligt in plot XII, rij A, graf 2.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26659

© 2018 Jan Braakman

Een militair echtpaar begraven in Holten

Dat een echtpaar begraven is op een militaire begraafplaats is uitzonderlijk, zo niet uniek. Op de Canadese begraafplaats in Holten ligt het echtpaar Brewster begraven. Edward John Brewster en Winifred Lilian Wright trouwden op 26 januari 1946 in Edmonton, Middlesex in Engeland.

Hij kwam uit Lakeview, Ontario. Hij had verschillende baantjes gehad voor hij in dienst ging, waarvan de laatste als bezorger van telegrammen. Hij woonde samen met zijn twee zussen Marjorie en Ethel bij zijn ouders.

Zij was geboren in Windsor, Ontario. In 1932 ging ze als zevenjarig meisje met haar ouders mee naar Engeland, waar haar vader onderhoudsmonteur was. Winifred trad in november 1943 in dienst bij het Canadian Women’s Corps.

Winifred en Edward leerden elkaar naar eigen zeggen kennen in het voorjaar van 1943. Edward maakte deel uit van het Royal Canadian Ordnance Corps, de eenheid die zorgde voor de uniformen, de wapens en ander spullen die de militairen nodig hebben. In 1946 was hij ‘wireless operator’ bij zijn eenheid.

Webster was nog maar zestien toen hij zich in 1942 aanmeldde bij het leger.  Eigenlijk te jong. Maar hij zei dat hij al achttien was.  Hij gaf 1924 als geboortejaar op in plaats van 1926.

Winifred Brewster-Wright. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Edward, Winifred en een vriendin in Apeldoorn. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Hij werd in 1943 verscheept naar Engeland, waar Winifreds vader woonde. In  april 1944 moest hij naar het ziekenhuis, vanwege een oude verwonding aan het hoofd die op de zenuwen leek te werken.  Toen bleek dat hij zich ouder had voorgedaan dan hij werkelijk was. “Onvolwassen”, werd in zijn dossier genoteerd.

Vlak voor het einde van de oorlog in april 1945, werd hij naar het Europese vasteland overgebracht met zijn eenheid. Daar verleende hij ondersteunende werkzaamheden in Nederland en later in Noord-Duitsland.

Op 15 april 1946 moest Edward een opdracht uitvoeren. Hij kreeg toestemming Winifred mee te nemen. Zij had vrij en wilde graag van de gelegenheid gebruik maken om haar tante te bezoeken, die in Meldorf, vlak bij Hamburg woonde. Ze kregen de jeep mee van Captain Surry.

Op de terugweg, op de avond van de 15e april 1946. ging het mis. Een gedeelte van de weg tussen Hamburg en Bremen was in gebruik als opslagplaats van legervoertuigen. Kennelijk zag Edward niet de verkeersborden die aangaven dat de rijbaan naar links was verlegd, vanwege de geparkeerde voertuigen aan de rechterkant.

De jeep waarin Edward en Winifred zaten botste frontaal op de voorste van een aantal DUKW-amfibievoertuigen die deels op de rijbaan stonden.

Een getuige was snel ter plekke. Hij zette het gecrashte voertuig in het licht van zijn koplampen. Hij zag dat beide inzittenden er ernstig aan toe waren. Hij reed naar de dichtstbijzijnde telefoon en liet een legerambulance komen.

Hulp kwam echter te laat. De verwondingen van Edward en Winifred waren dodelijk. Toen ze met de ambulance in het militaire ziekenhuis in Hamburg arriveerden, waren ze al overleden.

Graven van Winifred en Edward Webster vlak na de teraardebestelling. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Amper drie maanden na hun huwelijk waren ze beiden op dezelfde dag omgekomen. Winifred en Edward zijn op 16 april 1946,  een dag na hun overlijden, begraven op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot 10, rij H, graven 7 en 8.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Het oor was genezen, het hart gebroken

Russ Sutton leek nog wel plezier te hebben in het leven. Eind december 1945 kwam hij uit het ziekenhuis. Een maand had hij daar gelegen: van 28 november tot 28 december. Hij had een middenoorontsteking gehad en zijn neusamandelen waren verwijderd. Hij moest voor controle wel terugkomen bij de dokter.

Russ maakte deel uit van het 2/203rd Inf. Ordnance Sub. Park, 
Royal Canadian Ordnance Corps.

Op oudejaarsavond 1945 danste hij samen met zijn maten het jaar uit. Tegen twee uur ’s nachts werd hij nog opgemerkt. Hij stond aan de bar, alleen, te kijken naar de dansende soldaten.

De volgende dag fietste Heinrich Suhr vanuit Zwischenahn naar Oldenburg. Heinrich had een nieuwjaarsbezoek aan zijn ouders gebracht. Op de terugweg zag hij iets donkers liggen in de greppel langs de Stichstrasse. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat het een geallieerde soldaat was. Hij zag dat de man ernstig verwond was aan het hoofd. Tegen diens hoofd lag een .303 Lee Enfield geweer. Hij was dood, zelfmoord.

De plek waar Sutton gevonden werd (aangegeven met een rode x). Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War- War Dead, 1939-1947; Volume 27150

Het duurde een tijdje voordat duidelijk was dat het ging om Russ Sutton. De verwondingen waren zo ernstig, dat hij niet meteen werd herkend.

In zijn persoonlijke spullen werd een briefje gevonden:

Aan iedereen

2/203 S/P

Dec 31/45

Ik ben heel ongelukkig. God bless you all.

Russ

Mijn geld en alles gaat naar mijn moeder.

Russ had de laatste tijd aan zijn naaste collega’s laten weten dat hij er genoeg van had kok te zijn in het Canadese leger. Het liefst ging hij weer naar huis.

In zijn spullen werd een brief gevonden van zijn vriendin, die hij waarschijnlijk had ontvangen tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis. Met kerst had hij geen bezoek gehad van zijn collega’s, wat hem teleurstelde. En de brief van zijn vriendin deed hem misschien ook geen goed. Zijn oren waren hersteld, maar wellicht was zijn hart gebroken.

17 december 1945

Lieveling,

Ik voel me vannacht zo verlaten, dat ik niet weet wat ik met mezelf moet doen. Ik weet niet waarom – het is gewoon zo. Ik maak wel een beetje lol in de weekends, maar dat lijkt niets uit te maken. Ach ja, ik raak deze stemming ook wel weer kwijt.

Het lijkt aslof jij je vermaakt in Europa, afgezien van de korte episode in het ziekenhuis, die niet ernstig was (en dan denk ik niet aan de laatste keer dat jij in het ziekenhuis was). Ik heb er nooit aan gedacht, totdat jij het noemde.

In die nacht van 17 november, toen jij gin met sinaasappelsap dronk, was ik bij het ballet en genoot ik van Graziani, Aleko an Princes Aurora. Het was prachtig en ik dacht “als mijn ‘man’ eens bij mij was.”

[…]

Ik heb een paar affaires gehad sinds de laatste keer dat ik je schreef, maar net als die van jou zijn ze voorbij en vervlogen. Er is iemand – een echte man – die ik elke week zie en met wie ik een heerlijke tijd heb, maar er is verder niets met hem.

Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde.

Hij heeft geen gevoelens voor mij, omdat hij een man is die niet lief heeft. Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde. Kun je dit begrijpen? En als je het begrijpt wil je dan genereus zijn, en niet boos op me? We hebben elkaar beloofd dat we eerlijk zouden zijn, of niet?

[…]

Het wordt al verschrikkelijk laat en ik moet weer zo vroeg op morgenochtend dat ik deze korte brief hier eindig. Ik wens je een heel, heel, heel fijn Kerstmis en ik hoop dat je de volgende kerst thuis kan doorbrengen.

Pas op jezelf en zorg dat je uit het ziekenhuis komt.

Liefs

C[…].

Russ werd tijdelijk begraven bij een groepje boerderijen in Osterscheps.

Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten plot VII. rij A. graf 6.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.