De man die nooit afscheid nam

Bill O’Donnell moet een bijzonder innemende man geweest zijn. Zijn vriend Wolf Solkin (96) draagt Bill’s portret altijd bij zich. Als er een herdenking is plaatst hij de foto van zijn vriend op de stoel naast hem.

Solkin woont in Ste. Anne Hospital in Montreal, een ziekenhuis dat is gericht op de behandeling van veteranen. Solkin verplaatst zich in een elektrische rolstoel. Behendig manoeuvreert hij zich door de gangen. Hij houdt even stil bij een plaquette, waarop de gestorven veteranen worden herdacht. Op zijn kamerdeur hangt een paginagroot artikel uit de Toronto Star, de grootste krant van Canada. Solkin mag dan op leeftijd zijn, de veteraan is niet uitgevochten. Hij strijdt voor de rechten van zijn collega-veteranen, wier behandeling er niet op vooruit is gegaan sinds de financiering van het rijk is overgegaan op de provincies.

Wolf Solkin als jonge luitenant. Foto Wolf Solkin

Solkins kleine kamer vult zich met de klanken van Scarlatti, lichtvoetige klavecimbel-muziek uit de achttiende eeuw. Het houdt de 96-jarige Solkin jong.

Op een tafeltje bij het raam staat het portret van Bill O’Donnel. Als Solkin in bed ligt en hij kijkt opzij, glimlacht Bill hem toe.

Aan het hoofdeinde van het bed hangen tegen de muur de foto’s van Wolfs vrouw, kinderen en kleinkinderen. Hij vertelt trots over zijn familie, die eens in de vijf jaar een reunie houdt. De laatste was in 2018, toen Wolf zijn 95e verjaardag vierde.

William Edward (Bill) O’Donnell was geboren op 11 juli 1911. Zijn vriend Wolf William Solkin ruim tien jaar later. Ondanks hun leeftijdsverschil raakten ze diep bevriend.

Bill O’Donnell. Foto: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

De vriendschap tussen Bill en Wolf gaat terug tot 1943, toen de twee elkaar in Engeland leerden kennen. Bill was een jaar of tien ouder dan Wolf. “Hij was enig kind en ik was enig kind. Hij was de oudere broer, die ik nooit had gehad. We praatten overal over, we gingen samen uit, we dansten, het was bijna intiem”, vertelde Solkin in 2019, toen hij meewerkte aan een documentaire van het Informatiecentrum Canadese Begraafplaats in samenwerking met RTV Oost. Bill en zijn vrouw hadden een lastige relatie gehad, tot hun scheiding. De getroubleerde verhouding tussen Bill en zijn ex-vrouw was een van de vele gespreksonderwerpen geweest tussen Bill en Wolf.

Eigenlijk hadden beiden liever een officiersfunctie gehad bij de Black Watch, een regiment uit de omgeving van Montreal. Maar toen zich de mogelijkheid voordeed om allebei een officiersfunctie te krijgen bij het Algonquin Regiment, besloten ze die kans te grijpen. Zo konden ze bij elkaar in de buurt blijven.

Bill O’Donnell in Engeland. Foto Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

In maart 1945 werden ze verscheept naar het front. Ze realiseerden zich dat ze gewond konden raken, of zelfs konden sneuvelen. Ze waren elkaars getuige bij de testamenten die ze opmaakten op 26 maart 1945. Bill zette in het testament dat hij zijn bezittingen naliet aan zijn zus Helene O’Donnell. Niet zijn vrouw, niet zijn dochter, maar zijn zus werd eerste en enige erfgename.

“En we beloofden dat we elkaars familie op de hoogte zouden stellen, als een van ons zou sneuvelen”, zegt Solkin.

Solkin lijkt een fragiele man in zijn elektrisch aangedreven rolstoel. Hij draagt met trots zijn legergroene baret en zijn overhemd is getooid met de medailles die hij heeft gekregen voor zijn dienst in de Tweede Wereldoorlog. Zijn voortdurende glimlach kleurt zijn perkamentwitte huid en de vlassige baard. Zijn stem is zacht, maar vastberaden. Hij neemt de tijd voor zijn verhaal, noodgedwongen, omdat hij zuinig moet zijn met zijn energie.

Hij wil graag vertellen over zijn maat, met wie hij optrok tot Bill ergens in de buurt van Friesoythe (Duitsland) sneuvelde.

Wolf was er niet bij toen dat gebeurde. Hij gaf leiding aan een andere peloton binnen hetzelfde regiment. Toen de officieren de volgende dag de balans opmaakten, hoorde hij hoe zijn vriend was omgekomen. “Er was een groep Duitsers die zich wilden overgeven. Maar ze wilden zich niet overgeven aan een gewone soldaat. Ze vroegen om een officier. Toen stond Bill op.” Dat werd Bill fataal. Een Duitse sluipschutter schoot Bill neer. Wolf ging niet naar de begrafenis van zijn vriend, die een tijdelijk graf kreeg in Duitsland. “We hadden geen tijd voor een begrafenis. We moesten véchten. We mochten blij zijn als we de doden aan de kant van de weg konden leggen weg van het verkeer. Er lagen dode lichamen overal, Duitsers, Canadezen, Britten, ik herinner me ook Polen – die vochten met ons mee”, zei Wolf.

De diepe en warme vriendschap tussen Bill en Wolf kwam abrupt ten einde. Voor Wolf zou het leven nooit meer zijn als het was geweest sinds hij Bill had leren kennen bij de Infantry Battle Course in Engeland.

Wolf Solkin draagt het portret van zijn vriend Bill O’Donnell altijd bij zich. Foto Jan Braakman

De dood van zijn vriend betekende dat hij zijn belofte aan Bill moest nakomen. Bill had Wolf een boodschap meegegeven voor zijn dochtertje Marcia.

Wolf nam contact op met Bill’s ex-vrouw. Maar toen hij belde en uitgelegd had waarom hij belde, zei de ex-vrouw van Bill dat zij niets wilde horen over Bill en dat Wolf haar niet moest lastig vallen, en haar dochter ook niet. Zij gooide de hoorn op de haak. Solkin was verbijsterd, maar hij accepteerde het.

Ondertussen voltrok zich rond de nalatenschap van Bill O’Donnell een bijzondere kwestie. Bills zuster Helene weigerde als enige erfgename de erfenis te accepteren. Dat had mogelijk te maken met de huwelijkse voorwaarden waaronder Bill en zijn vrouw Mary Edna McCallum waren getrouwd. In die voorwaarden stond dat de erfgenamen van Bill een bedrag van 5000 dollar verschuldigd waren aan zijn echtgenote.

Toen Bill’s zuster Helene jaren later kwam te overlijden, bleek dat ze 10.000 dollar in haar testament had nagelaten aan haar nichtje Marcia, de enige dochter van Bill.

Ondertussen wachtte Wolf Solkin tot hij dacht dat dochter Marcia oud genoeg was om op eigen benen te staan. Toen probeerde hij opnieuw contact te krijgen met Marcia. Hij zocht elke O’Donnell in het telefoonboek van Montreal en belde ze een voor een op. Maar niemand was verwant aan Bill of zijn dochter.

Wolf wist niet hoe hij verder moest zoeken. Hij liet het er een tijdje bij zitten, tot hij op het idee kwam om via het ministerie van defensie contact te zoeken met de dochter. Het ministerie vond haar, nam contact met haar op en vertelde haar over de zoektocht van Solkin. Dochter Marcia belde Wolf Solkin. En na een telefoontje volgde een bezoek. “Ik vertelde haar over haar vader. Ik zei haar dat ik van Bill moest zeggen dat hij van haar hield. Zij wist niets over haar vader. Haar moeder had haar niets verteld. We hebben lang gepraat, we hebben gelachen en gehuild.”

Sindsdien zijn Wolf en Marcia bevriend gebleven. Wolf vertelt dat Bill trots zou zijn geweest op zijn dochter. In brieven aan hem – die hij stiekem laat bezorgen bij het graf van Bill – schrijft hij dat ze een sterke zelfstandige vrouw is geworden, moeder van zes kinderen. “Hij leeft door in zijn dochter en een volgende generatie van zes gezinnen.”

Zelf heeft hij het graf in Holten nooit bezocht. Hij is even stil als hem de vraag wordt gesteld waarom niet. Hij slikt zijn emoties weg en zegt: “Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet aankon geconfronteerd te worden met al mijn vrienden, die daar lagen. Waarschijnlijk was ik er niet klaar voor. En nu kan ik het niet meer.”

Maar, weet hij, voor Bills graf wordt goed gezorgd. “Ik mag hopen dat ik zo’n mooi graf krijg als ik straks in Canada word begraven. Maar ik ben bang dat de Canadezen niet zoveel aandacht geven aan hun gevallenen, als de Nederlanders doen.”

Bill O’Donnell’s graf in Holten. Hij ligt in plot VII , rij D, graf 14. Foto Jan Braakman

In de nabije toekomst, zo schreef hij zijn vriend, “zal ik weer in jouw fijne gezelschap zijn, mijn goede vriend en kameraad.” Dan zal hij herenigd zijn met de vriend van wie hij nooit afscheid nam.

©2019 Jan Braakman

Waldo Stromsmoe’s wieg stond op de prairies in Alberta

Op de prairies van de Canadese provincie Alberta, zeker een half uur rijden van de bewoonde wereld, staat het geboortehuis van Waldo Stromsmoe. De plaats wordt aangeduid als Pendant d’Oreille.

Waldo’s vader had zich daar gevestigd.  Hij bouwde een eenvoudig huis:  vier meter breed,  vijfenhalve meter lang. Beneden stond een kachel, de schoorsteenpijp verwarmde de bovenverdieping, waar de zeven kinderen sliepen.

Het geboortehuis van Waldo Stromsmoe (Foto Jan Braakman)

Hij boerde op een quarter section: een kwart mijl in het vierkant: ongeveer 64 hectare woest land waar prairiegras groeide, waar coyotes, vossen, dassen, antilopes hun habitat hadden en hebben en waar af en toe een verdwaalde beer kon verschijnen. Ze verbouwden haver voor het paard,  en tarwe en gerst.

Waldo Stromsmoe was een van hen. Geboren op 3 november 1914 was hij de vierde van de zeven kinderen. Hij leerde werken met de paarden op het stuk land dat zijn vader als pionier toegewezen had gekregen. Hij kon het tuig voor de paarden maken, hij wist hoe hij hoeven moest smeden en hij kon schoenen repareren.

Nu rijdt achterneef Nyle met zijn terreinwagen over het woeste land. Gerst en tarwe worden er niet meer verbouwd.  Hij heeft het graan vervangen door een Russische grasvariant, die goed bestand is tegen de droge, koude en winderige omstandigheden in Alberta. Zijn Angus en Hereford vleesrunderen grazen er.

Op koude dagen zoeken de runderen beschutting bij het huis waar de familie Stromsmoe zich aanvankelijk settelde. Verspreid om het huis is te zien hoe de koeien daar mestten. Het houten huis heeft de barre omstandigheden doorstaan. Zwaluwen hebben in de hoeken van het plafond een plek gevonden om te nestelen. 

Zelfs op een milde zonnige dag in september is nauwelijks voorstelbaar dat een gezin met zeven kinderen hier leefde, ook in barre winters met meer dan 30 graden vorst.

Waldo Stromsmoe

Waldo Stromsmoe en zijn broers en zussen doorstonden het. Waldo trof al op jonge leeftijd een vriendin. Hij was 19,  zij was zestien. En toen 28 was en zij 25 hadden ze zes kinderen. 

Twee van Waldo’s broers waren het leger in gegaan. Waldo volgde in 1943.  Hij wilde zijn broers helpen. Zijn dochter Beverly Penner-Stromsmoe haalt uit de overlevering woorden van haar vader aan. “Als wij deze oorlog niet winnen praten we op een dag allemaal Duits.” Op 1 februari 1943 meldde hij zich in Calgary. 

Waldo werd ingedeeld bij de Seaforth Highlanders. In het leger kwamen zijn vaardigheden als schoenmaker van pas. 

Beverly Penner-Stromsmoe heeft niet heel veel herinneringen aan haar vader.  Ze was amper vier toen haar vader het leger in ging. “Maar ik herinner me dat hij een keer terug was met verlof. Hij was in uniform en hij kroop over de grond terwijl mijn zusje op zijn rug zat. Vreemd, dat je zulke dingen herinnert.” Ze zegt het met een lach.

In de spaarzame brieven die bewaard zijn gebleven leest ze dat Waldo zijn vrouw Cathryn aansprak met ‘moeder’.  Hij noemde haar plagend ook wel “Little Hen”.

Beverly is vanuit Edmonton naar Medicin Hat gereisd om haar verhaal te vertellen over haar vader. In haar tas een stapel foto’s.  Ze geeft bij elke foto een toelichting.  Ze laat foto’s zien van haar moeder, die helemaal ontdaan was toen ze het bericht kreeg dat haar man niet zou terugkomen. Aan hertrouwen dacht ze niet. “If you had the best, the hack with the rest”, zei ze. Ze had met Waldo het beste gehad, dat zou niemand kunnen overtreffen.

Beverly Penner (Foto Jan Braakman)

Voor dochter Bev is en blijft haar vader Waldo een held.  Ja, zegt ze, achteraf kun je je afvragen of een vader van zes kinderen voor het vaderland het leger moet ingaan. Maar het gemis van haar vader werd ruimschoots gecompenseerd door de liefde van haar moeder. Het leven ging door en ze heeft nooit het idee gehad dat ze iets miste.

©2019 Jan Braakman

Die éne medaille koesterde Cecil het meest

Op tafel liggen medailles, ingelijste foto’s van een jonge man in uniform, de Canadese vlag ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Aan tafel zit Jack French. Jack vertelt over zijn broer Cecil. Hij noemt hem Cece (Sies).

Jack French vertelt over zijn broer Cecil. (Foto Jan Braakman)

Cecil was sluipschutter bij The Argyll and Sutherland Highlanders of Canada. Hij sneuvelde op 14 april 1945 in de omgeving van Friesoythe, waarschijnlijk getroffen door de kogel van een Duitse sluipschutter. Hij ligt in Holten begraven (IX A 5).

Jack laat de medailles zien die zijn broer heeft gekregen. Eén ervan houdt hij in zijn hand.

Cecil French was een jonge jongen die het niet gemakkelijk had toen hij opgroeide. Zijn vader maakte het hem moeilijk, sloeg hem, om niets, vertelt Jack. “Ik was tien jaar jonger en ik hoorde dat Cecil werd geslagen, om niets. Toen hij zestien was kwam hij sterk genoeg om voor zichzelf op te komen. Toen stopte zijn vader.”

Cecil H. French. Foto: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Toen Cecil 17 was verliet hij het ouderlijk huis en ging het leger in.

Cecil was een graag geziene jongen. Hij had thuis in Hamilton (Ontario) een vriendin, met wie hij al min of meer verloofd was. Hij had haar al een ring gegeven. Maar na verloop van tijd realiseerde hij zich dat hij misschien niet de juiste keus had gemaakt. Eenmaal in Europa bleef zijn verschijning niet onopgemerkt. Hij had vriendinnen in Engeland, en later, toen hij in de buurt van Roosendaal (Noord-Brabant) was gelegerd, kreeg ene Jeannette Heemskerk een oogje op hem.

Foto’s van haar liggen op tafel. Ze zijn gemaakt na de oorlog, toen een oudere broer van Jack naar Nederland op bezoek was geweest. Hij had Jeannette ontmoet. Hij was ook in Holten geweest om het graf van Cecil te bezoeken. Kleine zwartwit foto’s ter grootte van een postzegel in een lederen albumpje herinneren aan dat bezoek. De foto’s tonen een kaal en leeg ereveld met witte metalen kruisen. 

De gekoesterde medaille. (Foto Jan Braakman)

Dan pakt hij opnieuw die ene medaille. “Deze medaille kreeg hij toen hij aan een schietwedstrijd had meegedaan in Engeland. Hij had nog nooit zoveel hoge officieren bij elkaar gezien als op die dag. En hij was trots dat hij tot de beste vijf schutters van de dag hoorde.”

Het briefje dat Cecil (‘Cece”) aan zijn moeder schreef in het doosje met de medaille ligt op tafel. “Bewaar de medaille goed”, schreef Cece, “Misschien, als de oorlog voorbij is en ik weer thuis kom, kan ik de medaille dragen.”

Cecil kwam niet thuis. 

Jack French pakt de medaille op en houdt hem in zijn handen. “Zo voel ik me dichtbij mijn broer, omdat ik weet dat hij deze medaille ook in handen heeft gehad.”

“Deze medaille koesterde hij het meest”, zegt Jack. En dan breekt zijn stem. Jack pakt een zakdoek om een traan van zijn oog te vegen. “Deze koesterde hij het meest, want deze medaille heeft geen mensenlevens gekost.” 

©2019 Jan Braakman

Het verhaal van Ralph Piercey

Ralph Piercey is een van de jongste soldaten, begraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Een verhaal op basis van informatie van zijn familie en van Library and Archives Canada.

De muziek is het nummer Yearning van Shane Ivers.

Send in a voice message: https://anchor.fm/janbraakman/message

Missie over de Maas

Duitse stafkaart met posities van het Duitse leger bij de Maas en Waal op 23 december 1944.

Na de mislukte doorbraak bij Arnhem (Operation Market Garden) waren de grote rivieren de grens tussen bevrijd en bezet Nederland. Het was in het belang van de geallieerden om zoveel mogelijk Duitse troepen vast te houden in Nederland, waardoor een opmars rechtstreeks richting Berlijn in elk geval niet door de in Nederland achtergebleven troepen zou worden opgehouden.

En dus werd een plan uitgedacht, om de Duitse troepen ten noorden van de grote rivieren te binden. Lieutenant-General John Crocker voerde een plan uit onder de naam Operation Pounce. Het plan was bedoeld om de Duitse tegenstanders op het verkeerde been te zetten. In het plan was (zogenaamd) voorzien in luchtlandingen ten noorden van de Waal. Het idee was dat een doorbraak zou worden geforceerd bij Hedel en vervolgens door te steken naar Utrecht.

Bij ’s Hertogenbosch werden amfibivoertuigen en materiaal voor noodbruggen opgeslagen op vanuit de lucht te observeren plekken. Stellingen werden ingereedheid gebracht voor zware artillerie. Bij Hedel, net ten noorden van Den Bosch, zou een bruggenhoofd worden gevormd. Doel was dat de Duitsers rekening zouden houden met een aanval bij Hedel. Om die illusie te versterken, werden tal van patrouilles uitgevoerd over de Maas.

Het Lake Superior Regiment lag aan de Maas bij Hedel. Het regiment kreeg de opdracht om regelmatig missies uit te voeren aan de overkant van de Maas, om de Duitsers in elk geval de indruk te geven dat er iets op komst was. In zijn boek In the Face of Danger; The History of the Lake Superior Regiment beschrijft George Stanley hoe het fout kon lopen met dergelijke patrouilles.

Op 14 december 1944 staken twee pelotons van de B-compagnie van het Lake Superior Regiment de Maas over. Het doel was door te dringen in het dorp Hoenzadriel. De pelotons bereikten zonder al te veel moeite de overkant en het lukte ook om ongezien het dorp binnen te komen, waar ze twee Duitse militairen aantroffen in de kelder van het eerste huis dat ze doorzochten. De twee werden gevangen genomen en daarmee was het doel van de patrouille – Duitse militairen krijgsgevangen nemen – bereikt.

Op de weg terug raakte een van de mannen van de patrouille een door de Duitsers op scherp gezette trip flare, een zogenoemd struikeldraadlichtsein. Daardoor werden Duitse troepen gealarmeerd, die het vuur openden. John William Ewen werd meteen dodelijk getroffen. Commandant Lieutenant B. Black gaf opdracht naar de Maas te rennen om de terugtocht te maken. De twee Duitse krijgsgevangenen maakten echter geen aanstalten mee te gaan. De twee achterlaten was geen optie, want daarmee zou de positie van het peloton aan de Duitsers verraden worden. Sergeant G. Leary en een Belgische tolk, John Saynave, schoten de twee Duitsers ter plekke dood.

Black vroeg ondertussen om artillerie-ondersteuning. Verschillende huizen in Hoenzadriel werden in brand geschoten. Een deel van Canadese patrouille tijgerde door de modder in de richting van de Maas, een ander deel ging naar de rand van het dorp om opnieuw te proberen enkele Duitsers krijgsgevangen te maken. Maar die poging was vruchteloos: de Duitsers bleken hun posities te hebben verlaten. Desalniettemin complimenteerde Major General Chris Vokes de twee bataljons onder commando van Lieutenant Black met zijn “succesful patrol mission.”

Twee maanden later, op 15 februari 1945, werd een soortgelijke patrouille uitgevoerd. Opnieuw werd een bataljon naar de overkant van de Maas gestuurd, nu ter hoogte van Bokhoven. Opnieuw was de bedoeling om Duitse miltairen krijgsgevangen te maken, en opnieuw ontstond er een schermutseling aan de noordkant van de Maas, waardoor de Canadezen onverrichterzake en met veel verliezen de terugtocht mochten zoeken.

Aan de overkant, bij Ammerzoden, bevond zich het Duitse Fallschirm Regiment 17. Net als het Lake Superior Regiment, voerde het Duitse regiment ook verkenningen uit aan de overkant van de Maas. Ook dan kwam het af en toe tot schermutselingen.

In de War Diary meldt het Lake Superior Regiment dat de actie in de vroege ochtend van 15 februari leidden tot de dood van soldaat William Russel Lahoda en de vermissing van drie anderen: Sgt Herbert Carlbom, Lt Harold F. Hilderley en Pte Arthur Vanance. De patrouille slaagde erin Lahoda’s stoffelijk overschot mee terug te nemen.

Carlbom, Hilderley en Vanance werden niet gered. In een brief aan Herman Carlbom, de vader van Herbert, meldde Colonel C.L. Laurin dat Herbert het laatst gezien was door een sergeant van zijn peloton om ongeveer 7 uur in de ochtend van 15 februari 1945. Dat was Sgt Boomhower.

Sgt Carlbom, Lt Banks en Sgt Boomhower probeerden Hilderley en Arthur Vanance te evacueren, die eerder al gewond geraakt waren. De drie klommen de dijk op langs de noordelijke Maasoever. Ze werden onder vuur genomen en daarbij raakte Carlbom en Banks gewond. Sgt Boomhower vroeg beide mannen hoe het met ze was. Beiden antwoordden dat het redelijk ging.

Boomhower trok zich terug naar de boot, waar hij met de weinige mannen die nog over waren tot de conclusie kwam dat de tegenstand te sterk en te talrijk was om de twee achtergebleven Carlbom en Banks te redden, evenmin als Hilderley en Arthur Vanance. Boomhower besloot met de overblijvende mannen met de laatste boot terug te varen naar de zuidkant van de Maas bij Bokhoven.

Bij de actie waren vier man achtergebleven op vijandelijk terrein: Hilderley en Vanance, die als eersten getroffen waren door de Duitse tegenstand en vervolgens Carlbom en Banks, die beiden gewond raakten bij de poging om Hilderley en Vanance te redden.

Boerenzoon John William Ewen was op 10 september 1920 geboren in Asquith, Saskatchewan. Hij trouwde met Isabel Mae Ewen en kreeg met haar een zoon in juni 1943. Zoon John Gordon Ewen was anderhalf toen zijn vader om het leven kwam bij een gevechtspatrouille. Ewen kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Groesbeek: plot 17, rij A, graf 15.

Bronnen: REPORT NO. 173 HISTORICAL OFFICER CANADIAN MILITARY HEADQUARTERS; George C.F. Stanley – In the Face of Danger; The History of the Lake Superior Regiment; Mark Zuehlke – Forgotten Victory; Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947, Series: RG 24, Volume: 36194;

©2019 Jan Braakman

Waar is Arthur Vanance?

Het hart van de 23-jarige Rita Vanance sloeg even over, toen ze op donderdag 21 februari 1946 bericht kreeg dat haar man was aangekomen in Canada en nu in een ziekenhuis lag in Montreal. Rita was er al een jaar van uitgegaan dat haar man Arthur gesneuveld was in Europa. Ze had officieel bericht gehad van de legerautoriteiten dat hij aanvankelijk vermist was, en daarna werd aangenomen dat hij tijdens schermutselingen gesneuveld was.

Winnipeg Free Press, 22 Februari 1946. Bron: Ancestry.com. Winnipeg Free Press (Winnipeg, Manitoba, Canada) [database on-line]. Provo, UT, USA: Ancestry.com Operations Inc, 2007.

Rita had nota bene een paar dagen eerder bericht gehad dat de persoonlijke bezittingen van Arthur nog niet in Canada waren, maar dat ze die zou krijgen zodra ze waren gearriveerd. Sinds het bericht van het overlijden van Arthur had ze al de uitkering geïnd, die haar toekwam als weduwe van Arthur.

Arthur maakte deel uit van het Lake Superior Regiment toen hij in februari 1945 bij gevechten vermist raakte. Volgens zijn maten was hij dodelijk getroffen. Maar ze hadden Arthurs lichaam niet kunnen bergen toen ze zich terug trokken. Rita kreeg een telegram waarin stond dat Arthur niet meer als vermist te boek stond, maar “for official purposes presumed killed in action.” Rita stond er opeens alleen voor met haar zoontje Arthur, die in december 1944 net drie was geworden.

De op 5 januari 1919 geboren Arthur Vanance kwam uit een gezin met vier broers en een zus. Hij had verschillende werkgevers gehad voor hij in het leger kwam. Hij was een ervaren vrachtwagenchauffeur. Hij hield van sport – softbal was zijn favoriete activiteit. Hij was eerstehonkman.

“He looks the kind who with a few drinks would try to turn the world upside”

In juli 1940 trad hij in dienst van het leger. Zij belangrijkste reden: avontuur. In december 1942 werd hij nog eens beoordeeld. Lieutenant James Morrison schreef in het rapport: “This soldier is cheerful, well built. He looks the kind who with a few drinks would try to turn the world upside down if someone suggested it. He looks like good soldier type – one who would with good leaderschip go through anything.” Morrison vond dat Vanance zijn plek gevonden had in het regiment, en Vanance leek dat zelf ook wel te vinden.

Vanance bouwde ondertussen in het leger een behoorlijke reputatie op. Hij bleef ongeoorloofd weg, was soms dronken. In 1941 werd hij 21 dagen vastgezet wegens ongeoorloofd verlof. Hij kreeg in juni 1942 een voorwaardelijke straf van de burgerlijke rechter voor een inbraak in St John (New Brunswick). Hij kreeg een proeftijd van een jaar. Maar binnen een paar maand na de veroordeling zat hij al op het schip naar het Verenigd Koninkrijk.

Een paar weken na D-day werd hij ingezet op het Europese vasteland.

Zijn regiment lag in februari 1945 gelegerd bij Bokhoven aan de zuidoever van de Maas, ten noorden van ’s Hertogenbosch. Op 15 februari werd in alle vroegte (vier uur ’s morgens) een patrouille uitgevoerd op vijandelijk terrein, ten noorden van de Maas. Doel van de patrouille was om vijandelijke soldaten gevangen te nemen.

Dergelijke patrouilles werden van beide kanten ondernomen. Duitsers probeerden door te dringen in de Canadese linies aan de Maas bij Empel, Crevecoeur en Gewande. Omgekeerd trokken Canadezen de rivier over om aan de noordzijde verkenningen uit te voeren en te checken or de Duitsers hun posities nog bezet hielden. Over en weer werden bij de schermutselingen krijgsgevangenen gemaakt.

Lt Col H.H. A Parker van het Lake Superior Regiment gaf na de oorlog uitleg over wat er gebeurd was met de patrouille waar Vanance deel van uitmaakte. “On the night of 14-15 February, B-company had a patrol across the River Maas . . . ran into trouble on the way back with the result that only about half of the men got back to our side.”

De patrouille kwam gehavend terug. Eén soldaat (William Russell Lahoda) was gedood, tien raakten gewond en drie waren in de handen van de vijand gevallen. Onder hen – waarschijnlijk – ook Arthur Vanance.

Earl Carlbom. Bron: The Sioux Lookout Bulletin.

Er werd, zo stelde Parker in een brief aan nabestaanden van de omgekomen Sgt Earl Carlbom, een reddingsoperatie opgezet. “Sgt Carlbom, along with Lieutenant Banks and Sgt Boomhower decided to cross the river again and search for the missing men from their platoon. Unfortunately, they were ambushed, Lieut. Banks and your son being wounded. Sgt Boomhower managed to make his escape and he told us that there was little doubt that your son had been taken prisoner, but apparently, his wounds must have been more serious than they appeared. We have twice carried out a search of the whole area but have been unable to locate his grave.”

Wat er daarna met Vanance is gebeurd, blijft onduidelijk.

Een van de soldaten (W.R. Marsh) meldde later dat Lance Corporal Hilderley dodelijk getroffen was, maar dat ze door het hevige vijandelijk vuur niet in staat waren geweest zijn lichaam te bergen. Maar, aldus dezelfde soldaat, als ze twee stretchers hadden, zouden ze Hilderley en Vanance op kunnen halen. Lieutenant Banks zei tegen Marsh dat een andere officier, Sgt Carlbom, daar voor zou zorgen.

Sgt Carlbom kwam echter niet terug. Hilderley evenmin, en Vanance ook niet. Na de oorlog bleek dat Carlbom ook was gesneuveld. Hij was door de Duitsers begraven op de begraafplaats in Zaltbommel. Hilderley was in het bezette Ammerzoden begraven, tezamen met een niet nader geïdentificeerde Canadese soldaat. Waar Vanance was gebleven, was onduidelijk.

Arthur was vermist. Zijn vrouw Anita kreeg het bericht dat werd aangenomen dat hij dood was. Nooit kreeg ze te horen of hij was gevonden en waar hij was begraven. Zijn lichaam is nooit geïdentificeerd.

Winnipeg Free Press, 23 Februari 1946. Bron: Ancestry.com. Winnipeg Free Press (Winnipeg, Manitoba, Canada) [database on-line]. Provo, UT, USA: Ancestry.com Operations Inc, 2007.

Hilderley’s lichaam werd na de oorlog opgegraven en herbegraven in Holten. (plot 11, rij H, graf 6). Sgt Carlbom werd eveneens herbegraven op de begraafplaats in Holten (plot 11, rij H, graf 7). De ongeïdentificeerde soldaat uit Ammerzoden kwam ook op de begraafplaats in Holten terecht (plot 11, rij H, graf 5).

Meer dan een jaar na de zo slecht verlopen patrouille over de Maas kreeg Anita bericht dat haar man met de Queen Elizabeth vanuit Europa was terug gekomen in Canada en dat hij in Motreal in een ziekenhuis lag. Opeens was er weer hoop voor haar en haar zoontje. Captain Wardrobe speculeerde in de Winnipeg Free Press over de situatie waarin Arthur wellicht verkeerde. Mogelijk leed hij aan geheugenverlies, aldus Wardrobe.

Een dag later was duidelijk dat er sprake was van een vergissing. Niet Arthur, maar zijn broer Albert was teruggekeerd. Het leger had abusievelijk bericht gedaan aan Arthurs vrouw Rita. Zij had natuurlijk gehoopt dat haar man echt was teruggekeerd, maar ergens had ze er rekening mee gehouden dat er sprake was van een vergissing. Tegen de krant zei ze: “I’m not holding my hopes too high, I am kind of resigned to the situation, but oh, if he were alive, I don’t care how badly he is wounded.”

Rita kreeg nooit bericht of en waar haar man gesneuveld of gevonden is. Hij blijft een vermiste soldaat, van wie wordt aangenomen dat hij is gesneuveld. De vraag blijft: waar is Arthur Vanance?

Bronnen: Raymond Mitchell – Commando Despatch Rider: From D-Day to Deutschland 1944-45; Lydia Carlbom – Missing in Action – One family’s story of hope and despair; Library and Archives Canada; Ottawa, Canada, Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24, Volume: 27247;
Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25538.

©2019 Jan Braakman

John Duncan, zoon van invloedrijk politicus

John Duncan. Kopie uit Toronto Star, 12 april 1945. Bron: http://www.veterans.gc.ca

John Lyons Duncan was enig kind van James Lewis Duncan en Violet Isabelle Duncan. Zijn vader Lewis Duncan was invloedrijk advocaat en politicus. Hij had in de Eerste Wereldoorlog als majoor dienst gedaan in het Canadese leger. Lewis Duncan was lid van de Legislative Assembly of Ontario, het provinciaal parlement.

Met zo’n achtergrond voelde John Duncan het als een plicht om ook zijn aandeel te leveren in de strijd tegen Hitler. Hij tekende als achttienjarige voor het leger op 23 augustus 1943. John stond op de nominatie om als officier een leidinggevende functie te vervullen. Maar hij werd nog te onvolwassen bevonden om officier te worden. Aan zijn intelligentie lag het niet. Aan zijn lengte (1 meter 81) ook niet. Aan zijn manieren en zijn voorkomendheid evenmin. Het ontbrak aan overwicht.

Lewis Duncan, vader van John. Politicus en advocaat. Bron: Wikipedia

Dat zijn vader majoor was geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog gevochten had bij de Somme, Vimy Ridge en Passchendale kwam ook ter sprake bij de beoordelingen die John Duncan onderging in het leger. In hoeverre zijn vader of diens reputatie een rol speelde bij de functie die John in het leger kon krijgen, is niet uit de dossiers op te maken. Feit is dat hij in de twee jaar dat hij in het leger was na zijn eerste screening nog drie keer is beoordeeld op zijn potenties als militair. Op enig moment werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal, maar na een paar maanden werd dat weer teruggedraaid – hij werd weer gewoon private – maar wel met behoud van soldij.

De laatste beoordeling gebeurde op verzoek van het Headquarters Canadian Reinforcement Unit. Het oordeel was dat hij nog steeds niet de kwaliteiten had om officier te worden, maar fysiek fit was om als rifleman naar het front te gaan. Hij arriveerde op nieuwjaarsdag 1945 in het Verenigd Koninkrijk, waar hij zich melde bij het Canadian Infantry Training Regiment. Negen dagen later werd hij ingedeeld bij het Royal Hamilton Light Infantry regiment (Rileys).

Met dat regiment stak hij in april 1945 het Twentekanaal over bij Almen. De Rileys gingen meteen oostwaarts om de rechterflank in de richting van Laren af te dekken. In de nacht van 4 op 5 april ontstond een heftig vuurgevecht, tussen Canadese en Duitse troepen. De gevechten gingen de volgende dag tot ver in de middag door. Ergens op die dag werd John Duncan getroffen. Hij overleed direct en werd tijdelijk begraven in Almen. Padre H/Captain H.W. Johnson leidde de dienst bij de begrafenis.

John Duncans graf op de Canadese begraafplaats in Holten. Bron: veterans.gc.ca

Later werd John herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot I, rij C, graf 8.

De dood van John trof zijn ouders zwaar. Vader Lewis Duncan pleegde vijftien jaar later, op 8 april 1960, zelfmoord in de wc van een winkel in Toronto. De krant The Globe and Mail schreef in een in memoriam dat Lewis Duncan lang had geleden door de dood van zijn enige zoon tijdens de Tweede Wereldoorlog.

© 2019 Jan Braakman

Marcel Martin, begraven in de tuin

Marcel Martin was een intelligente jongeman, toen hij zich in april 1943 voor de dienst in het Canadese leger meldde. Hij was al 28 jaar. Marcel had vaste verkering en een kleine vriendengroep. Hij wilde chauffeur worden in het leger, daar had hij al ervaring mee. Hij kon ook kleine reparaties uitvoeren aan vrachtwagens, zo meldde hij.

Marcel was de derde in een roomskatholiek gezin van acht kinderen, zeven jongens en een meisje. Hij woonde nog bij zijn ouders in Montreal, adres: 1728 Mullins Street. Hij was sportief, hij had ijshockey, honkbal en softbal gespeeld. Bij de keuring voor het leger en later bij zijn opleiding viel hij op door zijn intelligentie, ook al had hij nauwelijks meer opleiding gehad dan de basisschool. Hij was van school gegaan, omdat er in het gezin Martin geen geld voor was.

Hij was Franstalig, maar hij kon even goed in het Engels uit de voeten. Lang leek het er op dat hij niet naar het front in Europa gezonden zou worden. Maar eind 1944 werd hij toch op de boot gezet naar het Verenigd Koninkrijk. Op 18 december 1944 vertrok hij uit Canada en op Eerste Kerstdag kwam hij in het Verenigd Koninkrijk aan.

Na bijna twee maanden verblijf in Groot Brittannië werd hij ingedeeld bij het 1st Btn van het Royal Highland Regiment of Canada, meestal aangeduid als de Black Watch. Op 17 februari 1945 werd hij per vliegtuig naar Nederland gebracht, waar hij zich bij zijn regiment voegde in Nijmegen. Het regiment was gelegerd in de Prins Hendrik Kazerne, die oorspronkelijk door de Nederlandse koloniale troepen werd gebruikt. Maar in de afgelopen jaren was de Nijmeegse kazerne in gebruik geweest bij de Duitsers.

De dag na zijn aankomst trok het regiment op naar Bedburg (Duitsland). De Canadese regimenten maakten zich op om een doorbraak over de Rijn te forceren. Die doorbraak kwam na een militair gecompliceerde en strategische operatie (Blockbuster). Vanaf begin maart trokken Canadese troepen noordwaarts om Oost-Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem, Hummelo trok Martins regiment in de richting van het Twentekanaal bij Almen.

Boerderij Nieuwenkamp aan de Zutphenseweg in Laren, waar Martin werd verzorgd. Hij werd later in de tuin begraven. Foto Google Streetview

Voorafgegaan door het Regiment de Maisonneuve trok Martin’s regiment Black Watch het Twentekanaal over in de richting van Laren. De Duitse troepen verdedigden Laren kostte wat het kost. Twee tanks van het tankregiment Fort Garry Horse werden buiten gevecht gesteld, ten koste van een aantal gewonden en doden. De Black Watch kwamen zwaar onder vuur, waarbij Martin gewond raakte.

Ammo belt. Foto: Rubin Jansen

De soldaat werd verpleegd in een boerderij aan de Zutphenseweg in Laren. Hij bezweek echter aan zijn verwondingen. Hij werd begraven in de tuin van de boerderij. Begin deze eeuw werden in de grond voor het huis nog spullen gevonden die mogelijk aan Martin hebben toebehoord: een helm en metalen delen van een munitieriem (ammo belt).

Martin Marcel werd in 1946 herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot II, rij E, graf 3.

© 2019 Jan Braakman

Roger Dufort, infanterist in plaats van paratroeper

Eerste Kerstdag 1944 vierde de achttienjarige Roger Dufort in het Verenigd Koninkrijk. Na een overtocht van een week was hij vanuit Canada met de boot in Engeland aangekomen, waar hij met een grote groep mede-militairen werd ontscheept.

Dufort was een roomskatholieke jongen uit een gezin van zes. Zijn vader was in 1939 overleden. Zijn vader was twee keer getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk had hij drie kinderen, van wie Jeanne de oudste was. Toen Roger in 1944 in dienst ging, was Jeanne al lang het huis uit, net als Laure en George, de andere halfzus en halfbroer van Roger.

Zijn zus Rita en broer Jean woonden net als Roger nog met hun moeder thuis aan de Shearer Lane in Montreal (Quebec, Canada).

Parachutistenopleiding in kamp Shilo. Foto Library and Archives, Canada

Roger tekende voor het leger in mei 1944. Hij had korte tijd (een half jaar) gewerkt voor Webster & Son. Nadat hij had getekend voor het leger, ging hij eerst naar het trainingskamp Petawawa (Ontario) , en na twee maanden (op 2 augustus) werd hij overgebracht naar Camp Shilo (Manitoba) om de parachutistenopleiding te doen. Twaalf dagen later werd hij van de parachutistenopleiding afgeschreven en bij de infanteristen ingeschreven in in hetzelfde kamp. In Camp Shilo verloor hij een deel van spullen, wat hem op een reprimande en een inhouding op zijn soldij kwam te staan.

In december kreeg hij bericht dat hij zou worden verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij dus op Eerste Kerstdag aankwam. Amper een maand later werd overgebracht naar Noordwest-Europa om de daar gelegerde troepen te versterken. Op Valentijnsdag, 14 februari 1945, kreeg hij te horen dat hij was ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve.

Met het Regiment de Maisonneuve maakte hij de opmars door Oost-Nederland mee. Begin april 1945 stak hij bij Almen het Twentekanaal over. Zijn regiment kreeg de taak het bruggenhoofd over het kanaal in noordoostelijke richting te vergroten. Het Regiment de Maisonneuve kreeg het zwaar te verduren. De tegenstand bij het dorp Laren (Gld) was zwaarder dan verwacht. Voor Roger Dufort was de strijd fataal, hij werd dodelijk getroffen. Hij had zijn negentiende verjaardag nog niet gevierd.

Een dag later werd zijn stoffelijk overschot ter aarde besteld op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar RossWellie BertrandAmede Letourneau, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 14.

© 2019 Jan Braakman

Amede Letourneau overleefde Normandië, sneuvelde in Laren (Gld)

Amede Letourneau Bron: Veterans.gc.ca

Amede Letourneau was 23 jaar jong toen hij in augustus 1942 zijn handtekening zette onder het Attestation Paper van de Canadian Active Service Force. De in Ste Sabine (Quebec) geboren Letourneau woonde bij zijn vader in Welland, Ontario.

Amede kwam uit een gezin met acht kinderen: drie jongens en vijf meisjes. Zijn oudste zus Maria was 32 toen hij het leger inging. Zijn jongste zus Therese was 9. Daartussen zaten de broers Ferdinand en Joseph en de zussen Germaine, Mari Louise en Marie Rose. Zijn moeder was overleden.

Voor Amede het Attestation Paper tekende had hij al dienst gedaan. Vanaf 15 januari 1942 was hij in verschillende opleidingskampen geweest.

In augustus 1942 werd hij als gunner ingedeeld bij het 1 Anti Aircraft Bataljon (1 AA Bty) in Dartmouth (bij Halifax), Nova Scotia. Later kwam hij wat dichter bij huis: in Brantford, Ontario bij het A23 Coast and Anti Aircraft Artillery Training Centre. Uiteindelijk kwam hij terecht bij het 26th Anti Aircraft Regiment.

Een paar weken na D-Day, op 20 juli 1944, ging hij aan boord van een troepenschip dat hem naar het Verenigd Koninkrijk zou brengen. Een week later, op 27 juli 1944 kwam hij daar aan. Letourneau meldde zich bij het 6 Canadian Infantry Reinforcement Unit. Toen hij op 11 augustus 1944 in Frankrijk voet aan wal zette maakte hij deel uit van het Regiment de Maisonneuve. Op dat moment trok het regiment samen op met de Calgary Highlanders, met het doel het dorp La Chesnaie, ten zuiden van Caen (Normandië, Frankrijk) in te nemen.

Het Regiment de Maisonneuve veranderde de plannen, liet La Chesnaie links liggen en rukte verder op via Tourneau, Gouvix, Villers Cavinet om enkele dagen later neer te strijken in Versainville. Vandaar trokken ze de volgende dagen verder naar Les Moutiers en Auge, waar ze het Regiment de la Chaudiere vervingen. Vandaar uit ging het verder oostwaarts via Vinoutiers, Camembert, Meulles en Orbec naar Vallaiserie.

Op 24 augustus was het doel Duranville. Letourneau’s regiment kwam net als eerder onder zwaar vuur te liggen. Amede raakte daarbij gewond. Hij werd afgevoerd naar een ziekenhuis in het Verenigd Koninkrijk (24 Canadian General Hospital).

Na bijna twee maand was Letourneau voldoende hersteld om zich met zijn te herenigen. Op 17 oktober was hij weer terug in Frankrijk. Vlak daarna werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal. Hij vocht mee in Zuid-Beveland in de strijd om de Schelde. En in maart 1945 werd hij Acting Sergeant. 

Regiment de Maisonneuve in Terborg. Foto: Lieut. Michael M. Dean / Canada. Dept. of National Defence / Library and Archives Canada / PA-131712

Toen stond hij klaar om met zijn regiment vanuit de omgeving van Emmerik naar het noorden te trekken om het oosten van Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem en Hummelo trok zijn regiment naar Almen. Begin april stak Amede het Twentekanaal over.

Op 4 april 1945, bij de uitbreiding van het bruggenhoofd ten noorden van het Twentekanaal bij Laren, kwam Amede opnieuw onder zwaar vuur te liggen.

Om zes uur ’s avonds liepen de soldaten van het Regiment de Maisonneuve het Twentekanaal over bij Almen. Ze rukten op in de richting van Laren (Gld). Tegen acht uur stuitten ze op Duitse troepen, die de aanval probeeerden af te slaan. De gehele nacht werd er harde strijd geleverd. Bij de aanval op Laren (Gld) in de nacht van 4 op 5 april 1945 telde het regiment 23 doden en gewonden. Amede Letourneau was een van hen. Deze keer bleef hem het ergste niet bespaard. Hij was op slag dood.

Een dag later, op 6 april 1945, werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar Ross, Wellie BertrandRoger DufortArmand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 9.