Missie over de Maas

Duitse stafkaart met posities van het Duitse leger bij de Maas en Waal op 23 december 1944.

Na de mislukte doorbraak bij Arnhem (Operation Market Garden) waren de grote rivieren de grens tussen bevrijd en bezet Nederland. Het was in het belang van de geallieerden om zoveel mogelijk Duitse troepen vast te houden in Nederland, waardoor een opmars rechtstreeks richting Berlijn in elk geval niet door de in Nederland achtergebleven troepen zou worden opgehouden.

En dus werd een plan uitgedacht, om de Duitse troepen ten noorden van de grote rivieren te binden. Lieutenant-General John Crocker voerde een plan uit onder de naam Operation Pounce. Het plan was bedoeld om de Duitse tegenstanders op het verkeerde been te zetten. In het plan was (zogenaamd) voorzien in luchtlandingen ten noorden van de Waal. Het idee was dat een doorbraak zou worden geforceerd bij Hedel en vervolgens door te steken naar Utrecht.

Bij ’s Hertogenbosch werden amfibivoertuigen en materiaal voor noodbruggen opgeslagen op vanuit de lucht te observeren plekken. Stellingen werden ingereedheid gebracht voor zware artillerie. Bij Hedel, net ten noorden van Den Bosch, zou een bruggenhoofd worden gevormd. Doel was dat de Duitsers rekening zouden houden met een aanval bij Hedel. Om die illusie te versterken, werden tal van patrouilles uitgevoerd over de Maas.

Het Lake Superior Regiment lag aan de Maas bij Hedel. Het regiment kreeg de opdracht om regelmatig missies uit te voeren aan de overkant van de Maas, om de Duitsers in elk geval de indruk te geven dat er iets op komst was. In zijn boek In the Face of Danger; The History of the Lake Superior Regiment beschrijft George Stanley hoe het fout kon lopen met dergelijke patrouilles.

Op 14 december 1944 staken twee pelotons van de B-compagnie van het Lake Superior Regiment de Maas over. Het doel was door te dringen in het dorp Hoenzadriel. De pelotons bereikten zonder al te veel moeite de overkant en het lukte ook om ongezien het dorp binnen te komen, waar ze twee Duitse militairen aantroffen in de kelder van het eerste huis dat ze doorzochten. De twee werden gevangen genomen en daarmee was het doel van de patrouille – Duitse militairen krijgsgevangen nemen – bereikt.

Op de weg terug raakte een van de mannen van de patrouille een door de Duitsers op scherp gezette trip flare, een zogenoemd struikeldraadlichtsein. Daardoor werden Duitse troepen gealarmeerd, die het vuur openden. John William Ewen werd meteen dodelijk getroffen. Commandant Lieutenant B. Black gaf opdracht naar de Maas te rennen om de terugtocht te maken. De twee Duitse krijgsgevangenen maakten echter geen aanstalten mee te gaan. De twee achterlaten was geen optie, want daarmee zou de positie van het peloton aan de Duitsers verraden worden. Sergeant G. Leary en een Belgische tolk, John Saynave, schoten de twee Duitsers ter plekke dood.

Black vroeg ondertussen om artillerie-ondersteuning. Verschillende huizen in Hoenzadriel werden in brand geschoten. Een deel van Canadese patrouille tijgerde door de modder in de richting van de Maas, een ander deel ging naar de rand van het dorp om opnieuw te proberen enkele Duitsers krijgsgevangen te maken. Maar die poging was vruchteloos: de Duitsers bleken hun posities te hebben verlaten. Desalniettemin complimenteerde Major General Chris Vokes de twee bataljons onder commando van Lieutenant Black met zijn “succesful patrol mission.”

Twee maanden later, op 15 februari 1945, werd een soortgelijke patrouille uitgevoerd. Opnieuw werd een bataljon naar de overkant van de Maas gestuurd, nu ter hoogte van Bokhoven. Opnieuw was de bedoeling om Duitse miltairen krijgsgevangen te maken, en opnieuw ontstond er een schermutseling aan de noordkant van de Maas, waardoor de Canadezen onverrichterzake en met veel verliezen de terugtocht mochten zoeken.

Aan de overkant, bij Ammerzoden, bevond zich het Duitse Fallschirm Regiment 17. Net als het Lake Superior Regiment, voerde het Duitse regiment ook verkenningen uit aan de overkant van de Maas. Ook dan kwam het af en toe tot schermutselingen.

In de War Diary meldt het Lake Superior Regiment dat de actie in de vroege ochtend van 15 maart leidden tot de dood van soldaat William Russel Lahoda en de vermissing van drie anderen: Sgt Herbert Carlbom, Lt Harold F. Hilderley en PteArthur Vanance. De patrouille slaagde erin Lahoda’s stoffelijk overschot mee terug te nemen.

Carlbom, Hilderley en Vanance werden niet gered. In een brief aan Herman Carlbom, de vader van Herbert, meldde Colonel C.L. Laurin dat Herbert het laatst gezien was door een sergeant van zijn peloton om ongeveer 7 uur in de ochtend van 15 februari 1945. Dat was Sgt Boomhower.

Sgt Carlbom, Lt Banks en Sgt Boomhower probeerden Hilderley en Arthur Vanance te evacueren, die eerder al gewond geraakt waren. De drie klommen de dijk op langs de noordelijke Maasoever. Ze werden onder vuur genomen en daarbij raakte Carlbom en Banks gewond. Sgt Boomhower vroeg beide mannen hoe het met ze was. Beiden antwoordden dat het redelijk ging.

Boomhower trok zich terug naar de boot, waar hij met de weinige mannen die nog over waren tot de conclusie kwam dat de tegenstand te sterk en te talrijk was om de twee achtergebleven Carlbom en Banks te redden, evenmin als Hilderley en Arthur Vanance. Boomhower besloot met de overblijvende mannen met de laatste boot terug te varen naar de zuidkant van de Maas bij Bokhoven.

Bij de actie waren vier man achtergebleven op vijandelijk terrein: Hilderley en Vanance, die als eersten getroffen waren door de Duitse tegenstand en vervolgens Carlbom en Banks, die beiden gewond raakten bij de poging om Hilderley en Vanance te redden.

Boerenzoon John William Ewen was op 10 september 1920 geboren in Asquith, Saskatchewan. Hij trouwde met Isabel Mae Ewen en kreeg met haar een zoon in juni 1943. Zoon John Gordon Ewen was anderhalf toen zijn vader om het leven kwam bij een gevechtspatrouille. Ewen kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Groesbeek: plot 17, rij A, graf 15.

Bronnen: REPORT NO. 173 HISTORICAL OFFICER CANADIAN MILITARY HEADQUARTERS; George C.F. Stanley – In the Face of Danger; The History of the Lake Superior Regiment; Mark Zuehlke – Forgotten Victory; Library and Archives Canada,; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947, Series: RG 24, Volume: 36194;

©2019 Jan Braakman

Waar is Arthur Vanance?

Het hart van de 23-jarige Rita Vanance sloeg even over, toen ze op donderdag 21 februari 1946 bericht kreeg dat haar man was aangekomen in Canada en nu in een ziekenhuis lag in Montreal. Rita was er al een jaar van uitgegaan dat haar man Arthur gesneuveld was in Europa. Ze had officieel bericht gehad van de legerautoriteiten dat hij aanvankelijk vermist was, en daarna werd aangenomen dat hij tijdens schermutselingen gesneuveld was.

Winnipeg Free Press, 22 Februari 1946. Bron: Ancestry.com. Winnipeg Free Press (Winnipeg, Manitoba, Canada) [database on-line]. Provo, UT, USA: Ancestry.com Operations Inc, 2007.

Rita had nota bene een paar dagen eerder bericht gehad dat de persoonlijke bezittingen van Arthur nog niet in Canada waren, maar dat ze die zou krijgen zodra ze waren gearriveerd. Sinds het bericht van het overlijden van Arthur had ze al de uitkering geïnd, die haar toekwam als weduwe van Arthur.

Arthur maakte deel uit van het Lake Superior Regiment toen hij in februari 1945 bij gevechten vermist raakte. Volgens zijn maten was hij dodelijk getroffen. Maar ze hadden Arthurs lichaam niet kunnen bergen toen ze zich terug trokken. Rita kreeg een telegram waarin stond dat Arthur niet meer als vermist te boek stond, maar “for official purposes presumed killed in action.” Rita stond er opeens alleen voor met haar zoontje Arthur, die in december 1944 net drie was geworden.

De op 5 januari 1919 geboren Arthur Vanance kwam uit een gezin met vier broers en een zus. Hij had verschillende werkgevers gehad voor hij in het leger kwam. Hij was een ervaren vrachtwagenchauffeur. Hij hield van sport – softbal was zijn favoriete activiteit. Hij was eerstehonkman.

“He looks the kind who with a few drinks would try to turn the world upside”

In juli 1940 trad hij in dienst van het leger. Zij belangrijkste reden: avontuur. In december 1942 werd hij nog eens beoordeeld. Lieutenant James Morrison schreef in het rapport: “This soldier is cheerful, well built. He looks the kind who with a few drinks would try to turn the world upside down if someone suggested it. He looks like good soldier type – one who would with good leaderschip go through anything.” Morrison vond dat Vanance zijn plek gevonden had in het regiment, en Vanance leek dat zelf ook wel te vinden.

Vanance bouwde ondertussen in het leger een behoorlijke reputatie op. Hij bleef ongeoorloofd weg, was soms dronken. In 1941 werd hij 21 dagen vastgezet wegens ongeoorloofd verlof. Hij kreeg in juni 1942 een voorwaardelijke straf van de burgerlijke rechter voor een inbraak in St John (New Brunswick). Hij kreeg een proeftijd van een jaar. Maar binnen een paar maand na de veroordeling zat hij al op het schip naar het Verenigd Koninkrijk.

Een paar weken na D-day werd hij ingezet op het Europese vasteland.

Zijn regiment lag in februari 1945 gelegerd bij Bokhoven aan de zuidoever van de Maas, ten noorden van ’s Hertogenbosch. Op 15 februari werd in alle vroegte (vier uur ’s morgens) een patrouille uitgevoerd op vijandelijk terrein, ten noorden van de Maas. Doel van de patrouille was om vijandelijke soldaten gevangen te nemen.

Dergelijke patrouilles werden van beide kanten ondernomen. Duitsers probeerden door te dringen in de Canadese linies aan de Maas bij Empel, Crevecoeur en Gewande. Omgekeerd trokken Canadezen de rivier over om aan de noordzijde verkenningen uit te voeren en te checken or de Duitsers hun posities nog bezet hielden. Over en weer werden bij de schermutselingen krijgsgevangenen gemaakt.

Lt Col H.H. A Parker van het Lake Superior Regiment gaf na de oorlog uitleg over wat er gebeurd was met de patrouille waar Vanance deel van uitmaakte. “On the night of 14-15 February, B-company had a patrol across the River Maas . . . ran into trouble on the way back with the result that only about half of the men got back to our side.”

De patrouille kwam gehavend terug. Eén soldaat (William Russell Lahoda) was gedood, tien raakten gewond en drie waren in de handen van de vijand gevallen. Onder hen – waarschijnlijk – ook Arthur Vanance.

Earl Carlbom. Bron: The Sioux Lookout Bulletin.

Er werd, zo stelde Parker in een brief aan nabestaanden van de omgekomen Sgt Earl Carlbom, een reddingsoperatie opgezet. “Sgt Carlbom, along with Lieutenant Banks and Sgt Boomhower decided to cross the river again and search for the missing men from their platoon. Unfortunately, they were ambushed, Lieut. Banks and your son being wounded. Sgt Boomhower managed to make his escape and he told us that there was little doubt that your son had been taken prisoner, but apparently, his wounds must have been more serious than they appeared. We have twice carried out a search of the whole area but have been unable to locate his grave.”

Wat er daarna met Vanance is gebeurd, blijft onduidelijk.

Een van de soldaten (W.R. Marsh) meldde later dat Lance Corporal Hilderley dodelijk getroffen was, maar dat ze door het hevige vijandelijk vuur niet in staat waren geweest zijn lichaam te bergen. Maar, aldus dezelfde soldaat, als ze twee stretchers hadden, zouden ze Hilderley en Vanance op kunnen halen. Lieutenant Banks zei tegen Marsh dat een andere officier, Sgt Carlbom, daar voor zou zorgen.

Sgt Carlbom kwam echter niet terug. Hilderley evenmin, en Vanance ook niet. Na de oorlog bleek dat Carlbom ook was gesneuveld. Hij was door de Duitsers begraven op de begraafplaats in Zaltbommel. Hilderley was in het bezette Ammerzoden begraven, tezamen met een niet nader geïdentificeerde Canadese soldaat. Waar Vanance was gebleven, was onduidelijk.

Arthur was vermist. Zijn vrouw Anita kreeg het bericht dat werd aangenomen dat hij dood was. Nooit kreeg ze te horen of hij was gevonden en waar hij was begraven. Zijn lichaam is nooit geïdentificeerd.

Winnipeg Free Press, 23 Februari 1946. Bron: Ancestry.com. Winnipeg Free Press (Winnipeg, Manitoba, Canada) [database on-line]. Provo, UT, USA: Ancestry.com Operations Inc, 2007.

Hilderley’s lichaam werd na de oorlog opgegraven en herbegraven in Holten. (plot 11, rij H, graf 6). Sgt Carlbom werd eveneens herbegraven op de begraafplaats in Holten (plot 11, rij H, graf 7). De ongeïdentificeerde soldaat uit Ammerzoden kwam ook op de begraafplaats in Holten terecht (plot 11, rij H, graf 5).

Meer dan een jaar na de zo slecht verlopen patrouille over de Maas kreeg Anita bericht dat haar man met de Queen Elizabeth vanuit Europa was terug gekomen in Canada en dat hij in Motreal in een ziekenhuis lag. Opeens was er weer hoop voor haar en haar zoontje. Captain Wardrobe speculeerde in de Winnipeg Free Press over de situatie waarin Arthur wellicht verkeerde. Mogelijk leed hij aan geheugenverlies, aldus Wardrobe.

Een dag later was duidelijk dat er sprake was van een vergissing. Niet Arthur, maar zijn broer Albert was teruggekeerd. Het leger had abusievelijk bericht gedaan aan Arthurs vrouw Rita. Zij had natuurlijk gehoopt dat haar man echt was teruggekeerd, maar ergens had ze er rekening mee gehouden dat er sprake was van een vergissing. Tegen de krant zei ze: “I’m not holding my hopes too high, I am kind of resigned to the situation, but oh, if he were alive, I don’t care how badly he is wounded.”

Rita kreeg nooit bericht of en waar haar man gesneuveld of gevonden is. Hij blijft een vermiste soldaat, van wie wordt aangenomen dat hij is gesneuveld. De vraag blijft: waar is Arthur Vanance?

Bronnen: Raymond Mitchell – Commando Despatch Rider: From D-Day to Deutschland 1944-45; Lydia Calborn – Missing in Action – One family’s story of hope and despair; Library and Archives Canada; Ottawa, Canada, Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24, Volume: 27247;
Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25538.

©2019 Jan Braakman

John Duncan, zoon van invloedrijk politicus

John Duncan. Kopie uit Toronto Star, 12 april 1945. Bron: http://www.veterans.gc.ca

John Lyons Duncan was enig kind van James Lewis Duncan en Violet Isabelle Duncan. Zijn vader Lewis Duncan was invloedrijk advocaat en politicus. Hij had in de Eerste Wereldoorlog als majoor dienst gedaan in het Canadese leger. Lewis Duncan was lid van de Legislative Assembly of Ontario, het provinciaal parlement.

Met zo’n achtergrond voelde John Duncan het als een plicht om ook zijn aandeel te leveren in de strijd tegen Hitler. Hij tekende als achttienjarige voor het leger op 23 augustus 1943. John stond op de nominatie om als officier een leidinggevende functie te vervullen. Maar hij werd nog te onvolwassen bevonden om officier te worden. Aan zijn intelligentie lag het niet. Aan zijn lengte (1 meter 81) ook niet. Aan zijn manieren en zijn voorkomendheid evenmin. Het ontbrak aan overwicht.

Lewis Duncan, vader van John. Politicus en advocaat. Bron: Wikipedia

Dat zijn vader majoor was geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog gevochten had bij de Somme, Vimy Ridge en Passchendale kwam ook ter sprake bij de beoordelingen die John Duncan onderging in het leger. In hoeverre zijn vader of diens reputatie een rol speelde bij de functie die John in het leger kon krijgen, is niet uit de dossiers op te maken. Feit is dat hij in de twee jaar dat hij in het leger was na zijn eerste screening nog drie keer is beoordeeld op zijn potenties als militair. Op enig moment werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal, maar na een paar maanden werd dat weer teruggedraaid – hij werd weer gewoon private – maar wel met behoud van soldij.

De laatste beoordeling gebeurde op verzoek van het Headquarters Canadian Reinforcement Unit. Het oordeel was dat hij nog steeds niet de kwaliteiten had om officier te worden, maar fysiek fit was om als rifleman naar het front te gaan. Hij arriveerde op nieuwjaarsdag 1945 in het Verenigd Koninkrijk, waar hij zich melde bij het Canadian Infantry Training Regiment. Negen dagen later werd hij ingedeeld bij het Royal Hamilton Light Infantry regiment (Rileys).

Met dat regiment stak hij in april 1945 het Twentekanaal over bij Almen. De Rileys gingen meteen oostwaarts om de rechterflank in de richting van Laren af te dekken. In de nacht van 4 op 5 april ontstond een heftig vuurgevecht, tussen Canadese en Duitse troepen. De gevechten gingen de volgende dag tot ver in de middag door. Ergens op die dag werd John Duncan getroffen. Hij overleed direct en werd tijdelijk begraven in Almen. Padre H/Captain H.W. Johnson leidde de dienst bij de begrafenis.

John Duncans graf op de Canadese begraafplaats in Holten. Bron: veterans.gc.ca

Later werd John herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot I, rij C, graf 8.

De dood van John trof zijn ouders zwaar. Vader Lewis Duncan pleegde vijftien jaar later, op 8 april 1960, zelfmoord in de wc van een winkel in Toronto. De krant The Globe and Mail schreef in een in memoriam dat Lewis Duncan lang had geleden door de dood van zijn enige zoon tijdens de Tweede Wereldoorlog.

© 2019 Jan Braakman

Marcel Martin, begraven in de tuin

Marcel Martin was een intelligente jongeman, toen hij zich in april 1943 voor de dienst in het Canadese leger meldde. Hij was al 28 jaar. Marcel had vaste verkering en een kleine vriendengroep. Hij wilde chauffeur worden in het leger, daar had hij al ervaring mee. Hij kon ook kleine reparaties uitvoeren aan vrachtwagens, zo meldde hij.

Marcel was de derde in een roomskatholiek gezin van acht kinderen, zeven jongens en een meisje. Hij woonde nog bij zijn ouders in Montreal, adres: 1728 Mullins Street Hij was sportief, hij had ijshockey, honkbal en softbal gespeeld. Bij de keuring voor het leger en later bij zijn opleiding viel hij op door zijn intelligentie, ook al had hij nauwelijks meer opleiding gehad dan de basisschool. Hij was van school gegaan, omdat er in het gezin Martin geen geld voor was.

Hij was Franstalig, maar hij kon even goed in het Engels uit de voeten. Lang leek het er op dat hij niet naar het front in Europa gezonden zou worden. Maar eind 1944 werd hij toch op de boot gezet naar het Verenigd Koninkrijk. Op 18 december 1944 vertrok hij uit Canada en op Eerste Kerstdag kwam hij in het Verenigd Koninkrijk aan.

Na bijna twee maanden verblijf in Groot Brittannië werd hij ingedeeld bij het 1st Btn van het Royal Highland Regiment of Canada, meestal aangeduid als de Black Watch. Op 17 februari 1945 werd hij per vliegtuig naar Nederland gebracht, waar hij zich bij zijn regiment voegde in Nijmegen. Het regiment was gelegerd in de Prins Hendrik Kazerne, die oorspronkelijk door de Nederlandse koloniale troepen werd gebruikt. Maar in de afgelopen jaren was de Nijmeegse kazerne in gebruik geweest bij de Duitsers.

De dag na zijn aankomst trok het regiment op naar Bedburg (Duitsland). De Canadese regimenten maakten zich op om een doorbraak over de Rijn te forceren. Die doorbraak kwam na een militair gecompliceerde en strategische operatie (Blockbuster). Vanaf begin maart trokken Canadese troepen noordwaarts om Oost-Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem, Hummelo trok Martins regiment in de richting van het Twentekanaal bij Almen.

Boerderij Nieuwenkamp aan de Zutphenseweg in Laren, waar Martin werd verzorgd. Hij werd later in de tuin begraven. Foto Google Streetview

Voorafgegaan door het Regiment de Maisonneuve trok Martin’s regiment Black Watch het Twentekanaal over in de richting van Laren. De Duitse troepen verdedigden Laren kostte wat het kost. Twee tanks van het tankregiment Fort Garry Horse werden buiten gevecht gesteld, ten koste van een aantal gewonden en doden. De Black Watch kwamen zwaar onder vuur, waarbij Martin gewond raakte.

Ammo belt. Foto: Rubin Jansen

De soldaat werd verpleegd in een boerderij aan de Zutphenseweg in Laren. Hij bezweek echter aan zijn verwondingen. Hij werd begraven in de tuin van de boerderij. Begin deze eeuw werden in de grond voor het huis nog spullen gevonden die mogelijk aan Martin hebben toebehoord: een helm en metalen delen van een munitieriem (ammo belt).

Martin Marcel werd in 1946 herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot II, rij E, graf 3.

© 2019 Jan Braakman

Roger Dufort, infanterist in plaats van paratroeper

Eerste Kerstdag 1944 vierde de achttienjarige Roger Dufort in het Verenigd Koninkrijk. Na een overtocht van een week was hij vanuit Canada met de boot in Engeland aangekomen, waar hij met een grote groep mede-militairen werd ontscheept.

Dufort was een roomskatholieke jongen uit een gezin van zes. Zijn vader was in 1939 overleden. Zijn vader was twee keer getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk had hij drie kinderen, van wie Jeanne de oudste was. Toen Roger in 1944 in dienst ging, was Jeanne al lang het huis uit, net als Laure en George, de andere halfzus en halfbroer van Roger.

Zijn zus Rita en broer Jean woonden net als Roger nog met hun moeder thuis aan de Shearer Lane in Montreal (Quebec, Canada).

Parachutistenopleiding in kamp Shilo. Foto Library and Archives, Canada

Roger tekende voor het leger in mei 1944. Hij had korte tijd (een half jaar) gewerkt voor Webster & Son. Nadat hij had getekend voor het leger, ging hij eerst naar het trainingskamp Petawawa (Ontario) , en na twee maanden (op 2 augustus) werd hij overgebracht naar Camp Shilo (Manitoba) om de parachutistenopleiding te doen. Twaalf dagen later werd hij van de parachutistenopleiding afgeschreven en bij de infanteristen ingeschreven in in hetzelfde kamp. In Camp Shilo verloor een deel van spullen, wat hem op een reprimande en een inhouding op zijn soldij kwam te staan.

In december kreeg hij bericht dat hij zou worden verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij dus op Eerste Kerstdag aankwam. Amper een maand later werd overgebracht naar Noordwest-Europa om de daar gelegerde troepen te versterken. Op Valentijnsdag, 14 februari 1945, kreeg hij te horen dat hij was ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve.

Met het Regiment de Maisonneuve maakte hij de opmars door Oost-Nederland mee. Begin april 1945 stak hij bij Almen het Twentekanaal over. Zijn regiment kreeg de taak het bruggenhoofd over het kanaal in noordoostelijke richting te vergroten. Het Regiment de Maisonneuve kreeg het zwaar te verduren. De tegenstand bij het dorp Laren (Gld) was zwaarder dan verwacht. Voor Roger Dufort was de strijd fataal, hij werd dodelijk getroffen. Hij had zijn negentiende verjaardag nog niet gevierd.

Een dag later werd zijn stoffelijk overschot ter aarde besteld op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar RossWellie BertrandAmede Letourneau, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 14.

© 2019 Jan Braakman

Amede Letourneau overleefde Normandië, sneuvelde in Laren (Gld)

Amede Letourneau Bron: Veterans.gc.ca

Amede Letourneau was 23 jaar jong toen hij in augustus 1942 zijn handtekening zette onder het Attestation Paper van de Canadian Active Service Force. De in Ste Sabine (Quebec) geboren Letourneau woonde bij zijn vader in Welland, Ontario.

Amede kwam uit een gezin met acht kinderen: drie jongens en vijf meisjes. Zijn oudste zus Maria was 32 toen hij het leger inging. Zijn jongste zus Therese was 9. Daartussen zaten de broers Ferdinand en Joseph en de zussen Germaine, Mari Louise en Marie Rose. Zijn moeder was overleden.

Voor Amede het Attestation Paper tekende had hij al dienst gedaan. Vanaf 15 januari 1942 was hij in verschillende opleidingskampen geweest.

In augustus 1942 werd hij als gunner ingedeeld bij het 1 Anti Aircraft Bataljon (1 AA Bty) in Dartmouth (bij Halifax), Nova Scotia. Later kwam hij wat dichter bij huis: in Brantford, Ontario bij het A23 Coast and Anti Aircraft Artillery Training Centre. Uiteindelijk kwam hij terecht bij het 26th Anti Aircraft Regiment.

Een paar weken na D-Day, op 20 juli 1944, ging hij aan boord van een troepenschip dat hem naar het Verenigd Koninkrijk zou brengen. Een week later, op 27 juli 1944 kwam hij daar aan. Letourneau meldde zich bij het 6 Canadian Infantry Reinforcement Unit. Toen hij op 11 augustus 1944 in Frankrijk voet aan wal zette maakte hij deel uit van het Regiment de Maisonneuve. Op dat moment trok het regiment samen op met de Calgary Highlanders, met het doel het dorp La Chesnaie, ten zuiden van Caen (Normandië, Frankrijk) in te nemen.

Het Regiment de Maisonneuve veranderde de plannen, liet La Chesnaie links liggen en rukte verder op via Tourneau, Gouvix, Villers Cavinet om enkele dagen later neer te strijken in Versainville. Vandaar trokken ze de volgende dagen verder naar Les Moutiers en Auge, waar ze het Regiment de la Chaudiere vervingen. Vandaar uit ging het verder oostwaarts via Vinoutiers, Camembert, Meulles en Orbec naar Vallaiserie.

Op 24 augustus was het doel Duranville. Letourneau’s regiment kwam net als eerder onder zwaar vuur te liggen. Amede raakte daarbij gewond. Hij werd afgevoerd naar een ziekenhuis in het Verenigd Koninkrijk (24 Canadian General Hospital).

Na bijna twee maand was Letourneau voldoende hersteld om zich met zijn te herenigen. Op 17 oktober was hij weer terug in Frankrijk. Vlak daarna werd hij gepromoveerd tot Lance Corporal. Hij vocht mee in Zuid-Beveland in de strijd om de Schelde. En in maart 1945 werd hij Acting Sergeant. 

Regiment de Maisonneuve in Terborg. Foto: Lieut. Michael M. Dean / Canada. Dept. of National Defence / Library and Archives Canada / PA-131712

Toen stond hij klaar om met zijn regiment vanuit de omgeving van Emmerik naar het noorden te trekken om het oosten van Nederland te bevrijden. Via Terborg, Doetinchem en Hummelo trok zijn regiment naar Almen. Begin april stak Amede het Twentekanaal over.

Op 4 april 1945, bij de uitbreiding van het bruggenhoofd ten noorden van het Twentekanaal bij Laren, kwam Amede opnieuw onder zwaar vuur te liggen.

Om zes uur ’s avonds liepen de soldaten van het Regiment de Maisonneuve het Twentekanaal over bij Almen. Ze rukten op in de richting van Laren (Gld). Tegen acht uur stuitten ze op Duitse troepen, die de aanval probeeerden af te slaan. De gehele nacht werd er harde strijd geleverd. Bij de aanval op Laren (Gld) in de nacht van 4 op 5 april 1945 telde het regiment 23 doden en gewonden. Amede Letourneau was een van hen. Deze keer bleef hem het ergste niet bespaard. Hij was op slag dood.

Een dag later, op 6 april 1945, werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar Ross, Wellie BertrandRoger DufortArmand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 9.

Wellie Bertrand trof hetzelfde lot als zijn oom

Wellie Bertrand; zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen. Bron: Françoise Vincent

Van Wellie Bertrand zijn gelukkig verschillende foto’s bewaard gebleven. Hij had een stevige dos golvend donker haar, een geprononceerd, beetje vierkant gezicht. Op een van de foto’s poseerde hij trots en in vol ornaat in zijn uniform, zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen.

Het kind dat niet op de foto staat is zijn neefje. Op de oorspronkelijke foto stond ook nog een zwager van Wellie, de echtgenoot van zijn zus Medora. Wellie was ongetrouwd en had geen kinderen.

Op een andere foto staat Wellie met zijn zus Rhea en diens echtgenoot Laurian Chenier. Chenier heeft niet in Europa gediend.

Wellie Bertrand in zomers outfit. Foto via Françoise Vincent

Als Wellie uit dienst zou gaan, had hij graag boer willen worden. Op het formulier dat hij invulde bij zijn indiensttreding in het Canadese leger, gaf hij aan een toekomst als op een gemengd bedrijf (akkerbouw en veehouderij) na te streven. Zover kwam het echter nooit. Zijn vader had geen boerderij. Vader Michel Bertrand was werkzaam in de bosbouw, net als Wellies broer Lorenzo.

De doopnaam van de op 28 april 1917 geboren Wellie Bertrand was William. Hij had zijn naam te danken aan zijn oom William Bertrand, die op 9 april 1917 op twintigjarige leeftijd was overleden. William sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. Hij ligt begraven in Pas de Calais (Frankrijk).

Wellie was al bijna 27 toen hij zijn handtekening zette onder het Occupational History Form dat hij moest invullen bij zijn indiensttreding. Op dat moment was hij werkzaam bij de International Nickel Company in Sudbury, Ontario. Hij wilde eventueel terugkeren bij de werkgever in Sudbury.

Bertrand had blauwe ogen, woog 67 kilo en was van top tot teen 1 meter 64 centimeter. Hij was kerngezond bij zijn medische keuring. De enige bijzonderheid was een litteken op zijn rechtervoet.

Wellie Bertrand, links, met zijn zus Rhea en zwager Laurian Chenier. Bron: Françoise Vincent

Wellie kwam uit een omvangrijk gezin met vier broers (Lorenzo, John-Eddy, Rodolphe en Gérald) en drie zusters (Medora, Rhéa en Mariette). Ze woonden in het Franstalige Notre Dame du Laus, Quebec, Canada, zo’n honderd kilometer ten noorden van de Canadese hoofdstad Ottawa.

Moeder Bertrand was in 1921 op 34-jarige leeftijd overleden, bij de geboorte van Mariette. In hetzelfde jaar stierf ook een van de broers van Wellie – nog geen tien jaar oud.

Wellie met zijn zus Médora. Foto via Françoise Vincent.

De drie oudere broers van Wellie, Lorenzo, Rodlophe en Gerald woonden en werkten allemaal thuis op de boerderij. Zijn zussen Medora, Rhéa en Mariette waren getrouwd en het huis uit.

Wellie trad in dienst in april 1944. Na zijn militaire opleiding ging hij per schip naar het VK. Op 18 november 1944 verliet hij zijn geboorteland, om er nooit weer terug te keren.

Wellie met zijn zus Rhéa. Foto via Françoise Vincent

In het nieuwe jaar, op 12 januari 1945, werd Wellie ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve onder leiding van majoor Charlebois. Bijna twee maand later werd Wellie gepromoveerd tot lance corporal bij de A-compagnie van het regimentEen maand daarna sneuvelde hij. Wellie was betrokken bij de gevechten die ontstonden na het oversteken van het Twentekanaal bij Almen. In de corridor tussen het Twentekanaal en de spoorlijn Zutphen-Hengelo kwam zijn compagnie plotseling onder Duits vuur te liggen. Hoewel de B-compagnie van zijn regiment met ondersteuning van de tanks van Fort Gary Horse te hulp schoot, kwam de hulp voor Bertrand te laat. Wellie overleed op 5 apil 1945. Zo trof hem hetzelfde lot als zijn oom William, naar wie hij was vernoemd in 1917: gedood op het slagveld.

Een dag later werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard Baril, Edgar Ross, Amede Letourneau, Roger Dufort, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 13.

Wellie’s graf op de begraafplaats in Holten. Foto via Françoise Vincent.
  • Bronnen:
  • Boek: *Gerard Marchand – Le Régiment de Maisonneuve vers la Victoire;
  • Archief: *Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25449
  • Persoonlijk gedeelde informatie: *Françoise Vincent, Canada

©2019 Jan Braakman

Jean Paul Belanger mankeerde niets

De achttienjarige Jean Paul Belanger was zo gezond als een achttienjarige kan zijn, toen hij in mei 1944 tekende voor het Canadese leger. Het enige bijzondere dat bij de medische keuring werd opgemerkt was een moedervlek op zijn rug.

Belanger had blauwe ogen, bruin haar; hij woog net 58 kilo bij een lengte van 1,57 meter. Wat viel er verder van te zeggen? Weinig. Jean Paul woonde nog bij zijn ouders aan de Rue Henri Julien in Montreal (Quebec, Canada). Hij werkte als assistent-scheikundige bij Canada Drug Company in Montreal. Vier jaar al, op zijn veertiende was hij er begonnen.

Hij ging na zijn indiensttreding naar het trainingskamp in Sherbrooke. Na twee weken moest hij naar het ziekenhuis. Zijn legerdossier vermeldt wel dat hij van 22 mei 1944 tot 30 mei 1944 in het militaire ziekenhuis in Sherbrooke was, maar niet waarom. Op 30 mei werd hij uit het ziekenhuis ontslagen.

Waarschijnlijk was hij daarna korte tijd uit dienst, want later werd vastgelegd dat Belanger op 5 september 1944 in dienst was gekomen. In de maanden daarna kreeg hij de vereiste vaccinaties om op het strijdtoneel in Noordwest-Europa te worden ingezet. Op 18 december 1944 werd hij ingescheept om per vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken, waar hij de volgende dag aankwam. Ruim een maand later, op 29 januari 1945 werd hij ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve, een Franstalig regiment.

Het regiment werd ingezet in bij het slaan van een bruggenhoofd over de Rijn. Vervolgens trokken Belanger en zijn maten noordwaarts via Terborg, Doetinchem, richting Twentekanaal bij Almen. Het regiment van Belanger werd op 5 december ingezet bij de bevrijding van het Gelderse Laren. Het Regiment de Maisonneuve kreeg tot taak het bruggenhoofd in de richting van Laren uit te breiden, zodat het regiment van de Black Watch vervolgens het dorp kon innemen.

Het liep iets minder voorspoedig. De tegenstand van de Duitse troepen was zwaarder dan voorzien. Voor Jean Paul Belanger was de Duitse weerstand fataal. Hij werd getroffen, dodelijk.

De volgende dag werd hij begraven op een grasveld in Almen, waar ook 39 maten van hem een tijdelijke rustplaats kregen. Er was een korte ceremonie waarbij legerkapelaan T.P. Tait voorging.

Zijn persoonlijke bezittingen werden naar zijn moeder gestuurd. In de korte tijd dat hij had gediend had hij bijna alleen het hoogst noodzakelijke bij zich: een sigarettenaansteker, een Waterman pennenset, een rozenkrans, brieven, foto’s, een gebedenboek en 2 munten.

Later werden de stoffelijke resten van Belanger herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot III, rij B, graf 8.

© 2018 Jan Braakman

Frederick Parkinson, kleurenblind maar vol ambitie

Frederick Parkinson wilde graag een bijdrage leveren aan de strijd tegen de Duitsers. De geboren Brit woonde in Montreal (Quebec, Canada) met zijn vrouw en twee kinderen toen hij in april 1944 het leger in ging. Hij had toen al verschillende pogingen gedaan om bij de marine of de luchtmacht te worden aangenomen.

Parkinson als jonge jongen. Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij had zich gemeld bij de Royal Canadian Airforce, maar daar was hij geweigerd. De marine wilde hem niet aannemen omdat hij kleurenblind was. Hij deed een tweede poging bij de marine, om als stoker te worden aangenomen. Opnieuw werd hij afgewezen, omdat hij niet genoeg ervaring had.

Parkinson was als jongen door zijn vader naar het opleidingsschip Wellesley gebracht. Het schip was vooral bedoeld voor weesjongens. Parkinsons vader leefde nog, maar zijn moeder was overleden toen hij nog klein was. Zijnvader wist niet hoe hij het gezien draaiende moest houden en daarom besloot hij Frederick naar het opleidingsschip te sturen.

Na de opleiding was hij meer dan zeven jaar werkzaam in de koopvaardij. Toen hij in 1935 trouwde met Margaret Murphy ging hij aan land. Margaret en Frederick woonden in Rosemount (Quebec). Ze kregen twee kinderen: Margaret Joan (1935) en Barbara Ann (1937). Frederick werkte als machine monteur voordat hij in dienst kwam bij het oliebedrijf McColl Frontenac. Daar vervulde hij verschillende functies. Hij stapte over naar Canadian Vickers waar hij aanvankelijk schilder was, maar later als lader en losser in de haven werkte.

Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij was al 35 toen hij toch nog in dienst werd genomen. Niet bij de luchtmacht of de marine, maar bij de landmacht. Frederick maakte indruk. “Hij heeft de goede aanleg en de juiste instelling” schreef captain R.A. Wendt in een beoordeling. “Hij werkt hard en doet het goed bij de oefeningen.” Frederick wilde het liefst schutter zijn. “Hij is slim en heeft een militaire uitstraling”, oordeelde Wendt.

In oktober 1944 werd Parkinson verscheept vanuit Canada naar het Verenigd Koninkrijk. Het laatste oorlogsjaar was al begonnen toen Frederick op 6 januari werd overgebracht naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa. Eind februari werd hij ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Zijn regiment was betrokken bij zware gevechten in het Hochwald, begin maart, toen bij Rees (Duitsland) een bruggenhoofd over de Rijn werd gerealiseerd. Daarna kon het regiment in de omgeving van Nijmegen op adem komen. Eind maart, begin april begon het regiment de opmars naar het noorden, via Terborg, Doetinchem, Hummelo, richting Twentekanaal bij Almen. Nadat ze het kanaal waren overgestoken zou het Regiment de Maisonneuve het bruggenhoofd uitbreiden richting het Gelderse Laren, zodat het regiment van de Black Watch daarna de aanval op 5 april 1945 op Laren konden overnemen.

Bron: Virtual War Memorial

Het werd een onverwacht harde strijd, waarbij de Black Watch het zwaar te verduren kregen. En voor Parkinson sloeg het noodlot toe.

Parkinson werd geraakt. Hij raakte zwaar gewond aan zijn hoofd. Een kogel had hem precies op zijn kruin geraakt. Hij had een gapende wond bovenop zijn schedel. Maar hij leefde nog. Hospiks noteerden om zeven uur ’s avonds een polsslag van 42 slagen per minuut en een hoog ademhalingsritme van 28 ademhalingen per minuut. Hij was bewusteloos. Ze gaven hem een anti-tetanus-serum en lieten hem afvoeren naar het ziekenhuis in Nijmegen. Toen hij daar om elf uur ’s avonds aankwam was Parkinson overleden.

Frederick Parkinson werd tijdelijk begraven vlakbij het ziekenhuis in Nijmegen. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Groesbeek: plot V, rij E, graf 4.

Source: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26760

©2018 Jan Braakman

Donald Morrison, gesneuveld vlak voor het eind van de oorlog

Donald Morrison and Nan Swinton kenden elkaar amper anderhalf jaar, toen ze in december 1943 besloten te trouwen.

Donald as a young child at Silver Mine, his grandfather Donald MacDonald’s farm. Bron: Wendy MacDonald

Donald was geboren als zoon van Schotse ouders die met hun ouders naar Canada waren geëmigreerd. Hij had drie zussen die nog bij zijn ouders woonden in Sydney, Nova Scotia, Canada. Zijn vader werkte in de haven: laden en lossen.

Morrison ging in dienst op 1 mei 1942 in de plaats New Glasgow in Nova Scotia. Daarvoor was hij werkzaam geweest als monteur van koelinstallaties en airconditionings. De Schots-Canadese Donald vertrok in juli 1942, twee maand nadat hij in het leger was gegaan, al naar Europa, waar hij in de buurt van het Schotse Glasgow bij het 17th Duke of York (Royal Canadian) Hussars Regiment was gelegerd.

Donald Morisson en Nan Swinton op hun huwelijksdag. Bron: Stewart Swinton

Vlak daarna kwam hij in contact met Nan Swinton, die voluit Agnes Edward Fyffe Swinton heette. Zij was dochter van een politieman in Glasgow. Ze werkte als typist bij de luchtmacht (Women’s Auxiliary Air Force). Zij was vier jaar jonger dan Donald. Ze trouwden op 23 maart 1944. Drie maand later werd hij verscheept naar Frankrijk, waar hij werd ingezet bij de bevrijding van het Europese vasteland.

Cpl Donald Morrison; Oct. 5, 1920- May 4, 1945. Bron: Wendy MacDonald

Zij schreef hem regelmatig, en hij haar. Een van haar brieven hield hij constant bij zich, had hij geschreven aan zijn Nan. Dinsdag 1 mei 1945 pakte Nan haar vulpen en een luchtpostvel van het leger om haar ‘Donny’ te schrijven. “Behalve dat ik constant naar je verlang, mijn liefste, voel ik me top; iedereen is in goed humeur (ik ben geen uitzondering) en vraagt zich af hoe lang de Mof het volhoudt tegen ons. Liefste, ik weet zeker dat we niet veel langer ver van elkaar zullen zijn. Ik verlang er wanhopig naar voor altijd bij je te zijn, dat je me thuis alle plekken laat zien . . . om gewoon ‘de heer en mevrouw’ te zijn.”

Ze sloot haar brief af met: “Ik zie je snel liefste Donny. God bless you my own, your ever loving wife. Nan.”

Het was haar laatste brief aan hem. En waarschijnlijk heeft hij hem nooit gelezen. Cpl Donald Morrison sneuvelde drie dagen nadat Nan haar lieve woorden had geschreven.

In de war diary van zijn regiment is beschreven hoe Morrison om het leven kwam. “As a patrol approached the bridge at MR 998410 it was blown and the enemy opened fire from across the Ems-Jade Canal. In this skirmish Cpl Morrison was killed and Sgt Dabbs later died of wounds. At 1430 hrs an envoy under a flag of truce, purporting to be from the garrison comdr at Aurich was conducted to 8Cdn Inf Bde H. The Squadron [A] was ordered not to cross the canal.”

Cpl Morrison werd dodelijk getroffen in schermutselingen die ontstonden nadat de Duitsers een brug over het Ems-Jadekanaal hadden opgeblazen. Sgt Harold Dabbs, werd zo ernstig verwond, dat hij later aan zijn verwondingen overleed.

Vlak daarna kwam een Duitse gezant met een witte vlag namens de garnizoenscommandant van de vijand in Aurich. Daarop werd besloten het kanaal niet over te steken. Enkele uren later kwam het bericht dat een wapenstilstand tussen Duitsland en de geallieerden zou zijn overeengekomen.

Morrison werd tijdelijk begraven bij de kerk in het plaatsje Aurich (Duitsland). Een paar dagen later was de oorlog in West-Europa definitief voorbij.

Nan ging in 1945 naar Canada, om de ouders van haar geliefde Donny te ontmoeten. Ze besloot in Canada te blijven en hertrouwde later met William Eden. Ze overleed in 1999.

In maart 1946 werden Donalds stoffelijke resten in Aurich opgegraven en herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Holten. Donald Morrison ligt in plot XII, rij A, graf 2.

Bronen: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26659; Wendy MacDonald; Stewart Swinton

© 2019 Jan Braakman