John Christopher Murray, de jongste soldaat in Holten

44486_83024005550_0667-00245
Bij de Royal Canadian Naval Volunteer Reserve gaf Murray 1924 als geboortejaar op. Bron: Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947

D-day was al voorbij toen John Christopher Murray zich aanmeldde om dienst te nemen in het Canadese leger. Murray was nog erg jong. Hij was geboren op 26 oktober 1927. Als zestienjarige kon hij eigenlijk nog niet toetreden tot de rangen van het leger.

Maar hij wilde erg graag. En dus besloot hij zich ouder voor te doen. Hij pluste twee jaar bij zijn leeftijd, toen hij het enrolment and attestation paper invulde en ondertekende. Volgens dat officiële formulier was hij geboren op 26 oktober 1925, twee jaar eerder dan zijn werkelijke geboortedatum.

44486_83024005550_0667-00244
Ongeschikt wegens ‘under age’. Bron: Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947

Het was niet de eerste keer dat Murray wat sjoemelde met zijn leeftijd. Hij had zich in 1943 al aangemeld als vrijwilliger voor de Canadese marine. Daar gaf hij 1924 op als zijn geboortejaar. In maart 1943 werd hij ongeschikt bevonden voor de marine. Reden: “under age”.

In 1944 deed hij een nieuwe poging,  nu bij de Canadese landmacht. De roodharige Murray was met zijn 1,75 meter lengte en een gewicht van amper 64 kilo bepaald niet groot van stuk. Maar toen hij zich meldde bij de landmacht, en hij had zijn leeftijd niet met drie, maar met twee jaar opgehoogd, viel dat niet zodanig op dat hij geen dienst mocht nemen.

John Christopher Murray had een Britse vader. Zijn Canadese moeder was al jong overleden. John woonde samen met zijn vader William Murray, zijn broertje  William en zijn zusjes Shirley, Mary, Kathleen en Maureen.

Hij werd beoordeeld als een nette leergierige jongen, die ambitieus was. Uiteindelijk werd John op 20 juni 1944 officieel tot het leger toegelaten. Hij deed zijn trainingen zonder problemen. Hij mocht begin december 1944 nog een weekje met verlof, voordat hij vlak voor kerst dat jaar werd verscheept naar Engeland. Op nieuwjaarsdag kwam hij daar aan.

Hij werd toegevoegd aan het regiment Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders of Canada. Op 13 februari 1945 kwam hij vanuit Engeland naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa.

Op 1 mei 1945 kwam Murray in gevechten terecht in Noord-Duitsland. Aan het begin van de middag werd hij geraakt door een granaatscherf. Hij had ernstige verwondingen aan de buik en rug. Het medisch rapport meldt dat hij rond half drie in de middag morfine kreeg toegediend.

Toen hij het tijdelijk hospitaal binnenkwam was zijn toestand al slecht. Hij was half bewusteloos, hij was heel bleek en had een oppervlakkige ademhaling. Zijn hartslag was regelmatig.

Bestand_002
Begraafplaats van John C. Murray op de Canadese begraafplaats in Holten. Foto: Jan Braakman

In de loop van de avond verslechterde zijn toestand. Om even over achten schreef de dienstdoende arts dat de ademhaling allengs verminderde. Om tien over half negen werd John Murray officieel dood verklaard.

Murray werd op 2 mei 1945 tijdelijk begraven in Meppen (Duitsland), chaplain Pierre Cagnon leidde de ceremonie. Later werd Murray herbegraven in Holten op de Canadese begraafplaats. Hij ligt in plot 10, rij D, grafnummer 10. Op de dag dat hij sneuvelde was hij zeventien jaar, zes maanden en vijf dagen oud. Daarmee is hij de jongste soldaat die begraven ligt in Holten.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

©2016 Jan Braakman

 

Tweetalige Amerikaan in Canadese dienst

44486_83024005550_0809-00213Rene Lussier was weliswaar nog jong, toen hij zich in oktober 1942 meldde bij het Canadese leger, maar hij maakte een zeer volwassen indruk. Hij was niet uitbundig, misschien wel een beetjes stil. Hij was geen drinker, leefde sober en had enige ervaring in een verantwoordelijke baan als expediteur bij Bennet in Chambly (Quebec). Met zijn 21 jaar moest hij zorgen dat oorlogsmateriaal op de juiste manier werd opgeslagen en verzonden.

Lussier was op 14 september 1921 in Holyoke in Massachusetts (Verenigde Staten) geboren en had de Amerikaanse nationaliteit.

Zijn ouders waren Frans Canadees en hij groeide tweetalig op. Zijn vader was eigenlijk voortdurend ziek en leefde van een uitkering. René droeg met zijn werk bij aan het gezinsinkomen. Hij was het Frans en Engels in woord en geschrift machtig. Dat maakte hem geschikt te dienen in leidende rol bij een Franstalig regiment, oordeelde de army examiner.

Hij was enthousiast over het leger, had een goede opleiding. Zijn intelligentie en stabiliteit was bovengemiddeld. En niet onbelangrijk: hij had een ‘clean civil police record‘, hij was nooit met de politie in aanraking geweest. “This man is good material for OTC“, vond captain Langevin Cimon. Lussier was geschikt om als officier opgeleid te worden in het Officers Training Centre (OTC).

Lussier werd in februari 1943 beoordeeld op zijn capaciteiten. Brigadier Edmond Blais beviel Lussier aan voor een opleiding bij het Canadian Officer Cadet and Basic Training Centre in St-Jerome. Na de voltooiing werd hij bevorderd tot leuitenant.

Lussier werd ingedeeld bij het Regiment de St. Hyacinthe. Zijn leidinggevenden waren niet helemaal overtuigd van zijn kwaliteiten, blijkt uit een beoordeling van 6 mei 1944. Daarin staat dat Lussier oplettend en serieus is. “Hij heeft echter de neiging onder druk verward te raken.” Hij zou beter uit de verf komen als hij meer ervaring in het veld zou opdoen. Het zou goed zijn hem meer veldtraining te geven en hem op een positie te zetten, waarbij hij op zichzelf was aangewezen.

Toen hij de opleidingen achter de rug had werd hij in november 1944 nogmaals beoordeeld. Brigadier R.D. Sutherland vond Lussier “ietwat kleurloos en moeilijk te beoordelen.” Desalniettemin gaf hij de aanbeveling om Lussier in te zetten als versterking bij de infanterie in een franstalig regiment.

Schermafbeelding 2016-08-07 om 00.54.19
Overleg op 29 april 1945. Van links naar rechts: Captain J.S. Hamilton, Royal Canadian Artillery; Lieutenant-Colonel J.A. Dextraze, Commanding Officer of Les Fusiliers Mont-Royal; Lieutenant A. Gautier and Sergeant P.P. Leduc, both of Les Fusiliers Mont-Royal; Major D.W. Grant, The Toronto Scottish Regiment (M.G.). Foto Lieut. Dan Guravich / Library and Archives Canada / PA-146281

Lussier werd op 11 april officier in het Regiment des Fusiliers Mont-Royal, dat toen nog in Oost-Nederland actief was. Amper drie weken later werd René Lussier dodelijk getroffen tijdens de opmars richting de Noord-Duitse havenstad Bremen. Op 29 april sneuvelde hij.

Op die dag overlegden Lussiers commandant Lieutenant-Colonel J.A. Dextraze en Lieutenant A. Gautier en Sergeant P.P. Leduc van het Regiment Fusiliers de Mont-Royal in Munderloh met captain Hamilton van de Royal Canadian Artillery en major Grant van het Toronto Scottish Regiment over het verloop van de strijd en de voortzetting ervan. De oorlog zou nog tien dagen duren.

1010598
Het graf van René Lussier op de Canadese begraafplaats in Holten. Foto Jan Braakman

Lussier werd tijdelijk begraven bij Hatten in Duitsland. Op dezelfde tijdelijke begraafplaats werden ook sergeants Frank Lachlan Martin en  Lucien Belair, privates Raymond Bouley, Jean Paul Bourgeois, Ernest Dumas, Jean Octave Guimond en Paul Emile Marchand van hetzelfde regiment ter aarde besteld. Zij waren op dezelfde dag gesneuveld of een dag eerder (Frank Lachlan Martin). Later werden allen herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten: Plot 8, rij E, graf 12.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

 

Een paar klompen voor George (Gyergy) Halasz

Op 7 mei 1924 voer het stoomschip Andania de haven van Halifax (Canada) binnen. Een van de opvarenden was Gyergy Halasz. De 21-jarige Hongaar was in het Franse Cherbourg aan boord gegaan. Halasz wilde als boer gaan werken in Canada. Zijn eerste verblijfadres was dat van Steve Varga, in Cithon, Saskatchewan.

SS Andania Bron:
SS Andania Bron: doukhobor.org

Gyergy zou zijn naam al snel veranderen in het voor de Canadezen gemakkelijker uit te spreken en te onthouden George. Halasz had twee broers, die de oversteek naar Canada niet maakten. Zij bleven in Hongarije.

Hoe Halasz is gevaren nadat hij in Saskatchewan bij de boer aan het werk ging is niet uit de archieven op te maken. Maar heel lang heeft hij het daar niet volgehouden. Zeker is dat hij verliefd raakte op Julia en op 19 augustus 1933 met haar trouwde. In 1941 woonde hij met haar en twee kinderen in Sherridon, Manitoba.

In juni van dat jaar (1941) meldde Halasz zich bij het Canadese leger. Hij vertelde dat hij wel vijf jaar ervaring had opgedaan op een boerderij, maar dat was nog geweest voor zijn oversteek naar Canada. Hij had niet langer de ambitie om een boerderij te runnen. Hij werkte sinds 1930 als mill operator bij het mijnbouwbedrijf Sherritt-Gordon. En daar kon hij terugkeren, als hij weer uit het leger kwam. Nu wilde hij een bijdrage leveren aan de bevrijding van Europa – misschien om zijn moeder en broers te bevrijden van het juk van de Duitsers in Hongarije.

Met zijn technische beroep als mill operator kon hij zich dienstig maken in het leger. Hij werd ingedeeld bij het tankregiment Fort Garry Horse (10th Canadian Armoured Regiment) en al in januari 1942 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk.

Het A Squadron, 2nd TRP van het tankregiment Fort Garry Horse in de herfst van 1944 ergens bij de Nederlands-Belgische grens. Vooraan op de eerste rij liggend Gyorgy Halasz. Hij is de man met een embleem op zijn baret. Op de foto op de derde rij, derde van links Stan Butterworth, die deze foto ter beschikking stelde. Stans broer Fred was bij hetzelfde regiment. Fred kwam om in Groningen en ligt begraven op de Canadese begraafplaats in Holten.

Op D-day (6 juni 1944), bij de landingen in Normandië, was zijn inzet meteen nodig. Zijn regiment vocht in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Extreem zwaar was het in oktober 1944 toen na de bevrijding van Antwerpen ook de toegang via de Schelde moest worden veroverd op de Duitsers. Dat lukte, maar wel ten koste van zware verliezen.

De Fort Garry Horse kreeg daarna drie maanden tijd om in de omgeving van Nijmegen op sterkte te komen.

In januari 1945 kreeg Halasz verlof. Hij ging korte tijd terug naar het Verenigd Koninkrijk. Eind maart werd hij weer ingezet als machinist op een tank. Begin april trok zijn regiment samen met de Black Watch bij het Gelderse Almen het Twentekanaal over. Doel was dat zijn regiment zou helpen het bruggenhoofd ten noorden van het Twentekanaal te vergroten in het noordoosten, richting Laren (Gld).

De opmars was voor het tankregiment Fort Garry Horse redelijk voorspoedig voorlopen, alleen in Doetinchem stuitten de Canadezen op forse weerstand. Vanuit Doetinchem trokken de tanks noordwaarts richting Twentekanaal. Op 2 april werden de 20 kilometer tussen Doetinchem en het Twentekanaal bij Almen overbrugd.

Nadat het regiment het Twentekanaal was overgestoken leverde het A-squadron van het regiment een bijdrage aan de bevrijding van Laren (Gld). Op 5 april werden twee tanks door de Duitsers buiten gevecht gesteld. Majoor Hjalmerson’s tank werd door een granaat doorboord. De tank van Lieutenant Livingston werd getroffen door een Duitse Panzerfaust. Livingston kwam ervan af met lichte verwondingen. Maar zijn tankmachinist George Halasz was ernstig gewond geraakt.

Halasz  werd eerst naar Nijmegen gebracht, en van daar op 11 april naar Engeland gerepatrieerd. Zijn verwondingen waren zo ernstig dat van herstel op korte termijn geen sprake zou kunnen zijn.

Hoe de dokters van het Canadian Neurological Hospital in Hackwood ook hun best deden, ze konden het leven van de tankbestuurder niet redden. Halasz overleed in de nacht van 21 op 22 april 1945, ruim twee weken nadat hij ernstig gewond geraakt was en zes dagen voordat hij zijn veertigste verjaardag zou vieren. Zijn vrouw Julia bleef met twee kinderen achter, de zevenjarige June Irene en de vierjarige George William.

Halasz werd begraven op de Brookwood Military Cemetery in Engeland; plot 50, rij B, graf 1.

Bij de persoonlijke spullen van Halasz die naar zijn weduwe werden verzonden bevonden zich naast de gebruikelijke souvenirs (muntjes, foto’s), de persoonlijke eigendommen (portemonnee, scheergerei, foto’s) ook een bijzonder aandenken uit Nederland:  een paar klompen.

De Ardania, waarmee Halasz ooit zijn toekomstdroom aanving op weg naar Canada, overleefde de Tweede Wereldoorlog ook niet. Het schip werd in juni 1940 zo’n 400 kilometer ten noordwesten van de Faroer Eilanden door de Duitse onderzeeër Cohauß tot zinken gebracht in juni 1940.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2019 Jan Braakman