Armand Gionet kon zijn ambitie niet waarmaken

Koeslag0002
De verwoeste boerderij Klein Veldkamp in Laren, waar het stoffelijk overschot van Armand Gionet werd gevonden. Foto uit: Gebeurtenissen uit Laren tijdens den oorlog; door Joh. E. Koeslag.

Armand Gionet wilde graag boer worden, als hij het leger uitging. De private bij het Canadese Regiment de Maisoneuve kwam uit een eenvoudig katholiek gezin uit Middle Caraquet in de Canadese kustprovincie New Brunswick. Zijn vader was visser en boer.

Toen Armand op 25 maart 1944 de formulieren invulde waarmee hij zich aanmeldde voor het leger, schreef hij dat hij na de oorlog als boer wilde werken. Hij was geboren op een boerderij, had vier jaar werkervaring op een boerderij – het gemengde bedrijf van zijn vader.

Het was geen vetpot in het gezin van de Gionets. Vader Lazare en moeder Laura Gionet hadden acht kinderen, drie jongens en vijf meisjes. Een negende dochter was in 1932 op tweejarige leeftijd overleden.

Armand hielp mee op de boerderij. Hij werkte echter ook bij tijd en wijle in de haven van Halifax als vrachtafhandelaar. Het was geen vast werk. Hij zat in een Reserve Labor Pool.  Als er werknemers nodig waren in de haven, was hij oproepbaar.

Hij kreeg zijn legeropleiding in het trainingscentrum Utopia, een groot militair opleidingscentrum in New Brunswick dat in juli 1942 was opgezet om grondtroepen klaar te stomen voor de invasie in Italië en Noordwest-Europa. In het kamp konden verschillende gevechtstechnieken worden geoefend. Er was een heel dorp nagebouwd om te oefenen op straatgevechten. Toen het kamp in 1946 werd opgedoekt, hadden meer dan 12000 rekruten hun opleiding daar gehad.

Schermafbeelding 2016-09-04 om 12.19.17
Oefeningen in Camp Utopia, New Brunswick, Canada. Foto: militarybruce.com

Armand Gionet volgde zijn opleiding in Utopia van 2 september 1944 tot half december 1944. Op 18 december ging hij per schip naar Engeland, waar hij op Eerste Kerstdag aankwam, om zich de volgende dag present te melden.

In februari 1945 werd hij per vliegtuig naar het Europese vasteland gebracht, waar hij werd ingedeeld bij het Franstalige Regiment de Maisonneuve.

Begin april 1945 maakte het Regiment de Maisonneuve een opmars door Oost-Nederland. Via Terborg, Silvolde en Doetinchem. Armand Gionet en zijn maten stuitten niet op veel weerstand. Duitse troepen hadden zich vaak al teruggetrokken. Alleen sluipschutters maakten het werk soms erg lastig. Op 2 april maakten ze vijftien krijgsgevangenen bij Doetinchem.

Op 4 april kregen ze de opdracht het Twentekanaal bij Almen over te steken om vanuit het bruggenhoofd dat daar al was gevestigd aan te vallen in de richting van het dorp Laren. Rond acht uur ’s avonds begonnen de beschietingen en gevechten, die de hele nacht duurden.

In het oorlogsdagboek van het regiment werd op 5 april vermeld: “During the attack last night, we had 23 casualties and we captured forty prisoners. Lieut P.Y. Boudreau was wounded but not seriously. Lieut C. Racicot is missing; Major Robert, his coy commander is pretty sure he is prisoner of war.”

Onder de 23 casualties was Armand Gionet. Hij kwam tijdens de gevechten terecht bij een groep boerderijen langs de Zutphenseweg net buiten het dorp Laren. Daar hielden veel burgers zich schuil voor het krijgsgeweld. Toen Gionet en zijn maten zich lieten zien, waren de bewoners ervan overtuigd dat ze bevrijd waren. In euforische stemming kwamen ze uit hun schuilplekken.

Burgers en militairen liepen feestelijk op de weg toen plotseling het vuur weer geopend werd door Duitse militairen. In paniek rende iedereen naar een veilige plek. Armand Gionet wilde stelling innemen in de boerderij Klein Veldkamp, waar ook veel burgers, onder wie de familie Koeslag een veilige plek zochten. Maar na enige tijd bleek het gevaar te groot om er te blijven. De boerderij stond in brand. Iedereen moest naar buiten. Angst regeerde. In totale chaos rende iedereen een kant op. Burgers werden door een gewonde Canadese soldaat teruggestuurd toen ze in de richting van het Duitse vuur liepen.De buurtgenoten vonden een provisorische schuilplek in een koeienstal. Boven de stal, op de hilde, zaten Canadese soldaten.

De lucht klaarde op toen in de loop van de middag Canadese jeeps het erf opreden. Toen was pas zeker: het is veilig. In de verte klonken nog schoten en kanongebulder. Mannen, vrouwen en kinderen konden hun schuilplek verlaten. Het was een moment van vreugde en opluchting, maar ook van onzekerheid. Want niet iedereen was er.

De kinderen van de familie Koeslag misten hun moeder. Zij bleek dodelijk verwond te zijn. Haar verbrande lichaam werd teruggevonden bij de verwoeste boerderij Klein Veldkamp. Daar werd ook het lichaam van Armand Gionet gevonden. Gionet is geïdentificeerd door zijn maten, die samen met hem vochten, toen hij in het vuur omkwam. Armands ambities om na de oorlog boer te worden waren verteerd op een boerderij in een ver land.

Bestand_000
Het graf van Armand Gionet op de Canadese Begraafplaats in Holten. Zijn grafsteen vermeldt 20 jaar als leeftijd; hij was echter nog 19 toen hij sneuvelde. Foto: Jan Braakman

Gionet is tijdelijk begraven aan de Scheggertdijk in Almen. Hij lag tussen zijn maten, allemaal jongens van hetzelfde regiment, allemaal gesneuveld op 5 april 1945 bij Laren: Fernand Baril, Amede Letourneau, Edgar Ross, Wellie Bertrand, Roger Dufort en Gerard Pilon. Ze liggen nu gebroederlijk naast elkaar op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot II, rij E. Armand heeft grafnummer 2.

Op Armands grafsteen staat 20 jaar als leeftijd vermeld, maar hij was nog 19 toen hij sneuvelde. Drie weken late, op 25 april 1945, zou hij 20 geworden zijn. Dina Koeslag*) is begraven op de algemene begraafplaats in Laren (Gld).

©2016 Jan Braakman

*) Dina Koeslag was 48 toen ze sneuvelde. Haar man Hendrik Jan Koeslag kwam eind 1944 om in concentratiekamp Neuengamme. Hendrik Jan Koeslag en Dina Koeslag zijn grootouders van auteur Jan Braakman. De gebeurtenissen in het dorp Laren zijn beschreven in diens boek Klein Nederland – De Oorlog in een Gelders dorp.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

 

Geveld door een Duitse sluipschutter

PA-167193
Paul Henri Boutin werd in de buurt van de Schipbeek tussen Laren en Holten onder vuur genomen door een sluipschutter. Hetzelfde overkwam een infanteriesoldaat van the South Saskatchewan Regiment. Hij raakte gewond en wordt op deze foto behandeld. Foto Daniel Guravich/ Library and Archives Canada.

 

Lieutenant Paul Henri Boutin van het Regiment les Fusiliers Mont-Royal heeft waarschijnlijk niet veel gemerkt toen hij sneuvelde. Boutin werd getroffen door de kogel van een Duitse sluipschutter. Hij was dodelijk verwond aan het hoofd. “Deceased, killed in action”, werd op zijn Service and Casualty Form vermeld.

Boutin kwam op 7 april 1945 om bij de oversteek van de Schipbeek op de grens van de toenmalige gemeenten Laren, Gorssel en Holten. Bij die oversteek had het South Saskatchewan Regiment het voortouw. Zij moest zorgen voor het bruggenhoofd op Holtens grondgebied. Een van de geallieerde doelstellingen was om zowel de wegverbinding als de spoorlijnverbinding tussen Deventer en Holten (en verder oostwaarts) onder controle te krijgen.

Boutin was op 27 maart 1945 24 jaar geworden. Dat was ook de dag dat hij werd ingedeeld bij het Regiment les Fusiliers Mont-Royal. De rooms-katholieke student uit Lauzon, in de Canadese provincie Quebec was ruim drie jaar eerder, op 5 maart 1942, in actieve dienst gekomen. Als 17-jarige had hij in 1938 de opleiding aan het College of Montreal afgerond. Hij wilde verder studeren en meldde zich aan bij Laval University. Tegelijkertijd was hij als reservist actief bij het Regiment de Levis, een infanterieregiment van het Canadese leger. Toen hij in 1942 het leger in ging, had hij zijn graad nog niet behaald.

Boutin was een sportieve vent. Hij hield van zwemmen, bergbeklimmen, skien en bridge. Een van de officieren die hem beoordeelde in 1943 beschreef Boutin als vrolijk en energiek met een goede algemene kennis en breed inzetbaar: “This officer has ability and should make a good officer with more training”. In oktober 1944 werd Boutin nog eens beoordeeld. Hij kreeg een positief rapport, al zou zijn zelfvertrouwen wel wat beter kunnen. Hij had de neiging te zoeken naar overeenstemming is conflictsituaties, terwijl een leidinggevende officier in oorlogsomstandigheden juist snel een knoop moet doorhakken. Desalniettemin was hij goed genoeg om in een Frans sprekende eenheid te worden opgenomen.

Op 7 april 1945 werd in het oorlogsdagboek van Les Fusiliers Mont-Royal vermeld dat de eenheid weinig tegenstand kreeg. Er werden veertien Duitsers krijgsgevangen gemaakt, onder wie een officier. Een patrouille die langs de Schipbeek liep, werd door vijandelijk vuur verrast. “Enemy has dug in defenses along the north bank of the canal and intends to hold our track northwards for awhile“, aldus de war-diarist. Hij eindigde zijn bijdrage voor die dag met de mededeling: “Lieut P.H. Boutin was killed by a sniper during the day.

Boutin werd tijdelijk begraven bij een wachtpost/seinhuis (nummer 9) langs de spoorlijn Zutphen-Hengelo ter hoogte van de Rossweg in Laren (Gld). Daarna werd hij herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Groesbeek: Plot 10, rij H, graf 1.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

©2016 Jan Braakman