Drama op de Eems

Eind april 1945 stonden de Canadese troepen net over de Nederlands-Duitse grens in Oost-Friesland voor de rivier de Eems. De stad Leer lag aan de andere kant van de rivier op de route naar Emden. Omringd door moeilijk begaanbaar laagland in het noorden en met rivieren (Eems en Leda) in het westen en zuiden, was Leer een goed verdedigbare en dus moeilijk in te nemen havenstad. Alle toegangsbruggen over de Eems en Leda waren door de Duitsers opgeblazen. Voor de Canadezen zat er geen andere keus op dan de stad over het water te bereiken.

bron: ibiblio.org
Leer werd vanuit drie richtingen aangevallen. Bron www.ibiblio.org

Dat was geen eenvoudige klus. De Eems heeft een open verbinding met de Waddenzee, waardoor het tij invloed heeft op de waterhoogte en de stroming in de rivier. Eb en vloed maakten de stromingen onvoorspelbaar en het Canadese leger beschikte niet over de juiste informatie over de getijden. Wat wel duidelijk was, dat hoogwater het beste moment was om de oversteek te wagen.

Uit luchtfoto’s was gebleken dat de Duitse troepen zich goed hadden ingegraven achter de dijken die de stad omringden.

De rivier de Eems was drie- tot vierhonderd meter breed. Alleen onder bescherming van een rookgordijn en stevige artillerie-ondersteuning zou het mogelijk zijn de aanval met boten over de Eems op Leer succesvol af te ronden. Generaal Simonds gaf de opdracht dat er op 28 april 1945 voor middernacht een stevig bruggenhoofd moest zijn, van waaruit de verovering van Leer kon worden ingezet. Dat betekende dat de aanval midden op de dag, rond drie uur – wanneer het waterpeil op zijn hoogst was – moest worden ingezet.

Op drie verschillende plekken werd de oversteek gemaakt. Tegelijkertijd werd met artillerievuur en met aanvallen vanuit de lucht de Duitse verdedigingslinie op de proef gesteld. De North Nova Scotia Highlanders zouden vanaf de zuidoever de Leda oversteken en de haven van Leer innemen, die op een schiereiland tegen de stad aan lag.

De Highland Light Infantry stak met drie compagnieën in dertig boten de Eems over, waar de Leda in de Eems uitmondt, ongeveer drie kilometer ten zuiden van het stadscentrum.

Infanterietroepen van “A” Company, Highland Light Infantry of Canada, rennen naar de boten die ze over de rivier de Eems moeten brengen voor de aanval op Leer. Bron: http://collectionscanada.gc.ca/

Het Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders-regiment zou vanaf de westoever van de Eems bij Bingum de rivier oversteken om de stad vanuit het westen aan te vallen. De drie regimenten zouden hun aanval precies tegelijkertijd inzetten. Het begon met heftige beschietingen vanaf half drie, waarbij de stellingen van de Duitse verdedigingstroepen onder vuur werden genomen.

Canadese aanvalsboten op de Eems bij Leer. Bron: www.euhausen-klaus.de

De aanval vanuit het zuiden was spectaculair en succesvol. Met betrekkelijk weinig verliezen.

Dramatisch verloop

Maar voor het Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders-regiment verliep de aanval vanuit het westen minder gladjes, om niet te zeggen dramatisch. Een aantal boten vertoonde motorische mankementen of sloeg om. Sommige drenkelingen werden nog gered, maar aan het eind van de dag bleken zeker negentien jongens van het regiment gesneuveld, verdronken of vermist.

Na de Duitse overgave ging een team van de Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders terug naar de Eems. Er werd gedregd naar lichamen van de vermiste jongens. Sommige van de verdronken jongens werden gevonden met de complete bepakking nog aan hun lichaam.

Major Forman, Lance corporal Abrams en soldaat Whitcombe legden later uit wat er was gebeurd met de boot waarin zij de overkant probeerden te halen. Zij zaten in een aanvalsboot met veertien man. Hun boot kwam in de problemen doordat de schutter voorin de boot (bow man), mogelijk omdat hij was geraakt, bijna overboord sloeg. De man hing over de boeg. Misschien daardoor, maar in elk geval praktisch op het zelfde moment, stak de voorsteven van de stormboot in de boeggolf van de boot voor hen. In luttele seconden verdween hun boot onder water en lag de bemanning in het koude rivierwater. Forman, Abrams en Whitcombe zagen hun maten in het water verdwijnen.

Twintig jaar vermist

De tien vermiste mannen van hun boot waren Cpl John Sawatzky, Pte Steven John Gravelle, Pte E. Joslin, Pte F. Munroe, Pte W. Brooks, Lance corporal M. Moore, Pte J. Hinds, Pte Cecil Lawes, Pte S. Powel en Pte I. Langille. De meesten werden binnen enkele weken of maanden gevonden.

Joslins graf in Nijmegen. Foto: Wouter van Dijken

Op één na: boerenzoon Earl Harcourt Joslin, (geboren op 20 april 1911). Joslin was lange tijd vermist nadat hij in het koude Eemswater verdween.

Zijn vrouw Nellie Joslin had na de vermissing van haar man nog een brief van hem ontvangen, die was geschreven twee dagen voordat de aanval op Leer werd ingezet. Nellie bleef achter met hun tweejarige dochtertje Rosemary Anne.

Ze vroeg het leger om meer gegevens omtrent de vermissing van haar man. Die duidelijkheid liet twintig jaar op zich wachten. Hoewel Joslin niet was gevonden, werd officieel aangenomen dat hij was overleden als gevolg van verdrinking.

Nellie Joslin had inmiddels de achternaam van haar tweede echtgenoot aangenomen (Gordon) toen ze in de jaren zestig bericht kreeg dat Earl was gevonden. Hij werd op 23 mei 1967 herbegraven op de begraafplaats Jonkerbos in Nijmegen (23, I, graf 6). Hij is de enige van de verdronken mannen van zijn regiment die niet in Holten werd begraven.

Gravelles graf. Foto: Wouter van Dijken, via Findagrave.com

De 22-jarige Steven Gravelle was van huis weggelopen om het leger in te gaan. Hij was bij zijn indiensttreding beoordeeld als “mogelijk te jong, onafhankelijk zelfbewust, klein en niet erg robuust. Een gek kind. Mogelijk te jong om te weten wat hij wil. Niet capabel om welk werk dan ook goed uit te voeren.”

Een week nadat hij in de golven van de Eems was verdwenen, werd zijn stoffelijk overschot aangetroffen langs de oevers van de rivier. Gravelle werd in Holten begraven: plot 11, rij D, graf 5.

Munroes graf in Holten. Foto: Wouter van Dijken

De 22-jarige Frank Munroe werd aanvankelijk ook als vermist opgegeven. Zijn lichaam werd betrekkelijk snel gevonden. Hij werd eerst tijdelijk begraven in Bingum, om uiteindelijk zijn definitieve rustplaats te krijgen op de Canadese Begraafplaats in Holten (Plot 11, rij D, graf 9). Munroe had twee broers die ook in het leger waren.

 

 

 

Merle Coleman Moore. Bron: www.findagrave.com

Merle Coleman Moore, boer van beroep en geboren op oudejaarsdag in 1922, raakte in september 1944 gewond. Hij lag een paar weken in het militaire ziekenhuis met een wond aan zijn linker schouder. Hij was geraakt door een granaatscherf.

Ook hij viel op 28 april 1945 op de Eems uit de boot en werd als vermist opgegeven. In oktober 1945 was zijn lichaam gevonden en werd hij geregistreerd als gesneuveld. Hij kreeg zijn laatste rustplaats in Holten: Plot 11, rij D, graf 7.

Zijn beschadigde Mido polshorloge, een Parker vulpen en een pijp die naar zijn familie werden gestuurd waren ernstig door het water aangetast.

Brooks. Foto Wouter van Dijken (bewerkt)

Walter James Brooks, geboren op 24 mei 1917 was truckchauffeur van beroep. Ook hij werd verzwolgen in het water van de Eems. Zijn beschadigde Mido polshorloge, een Parker vulpen en een pijp die naar zijn familie werden gestuurd waren ernstig door het water aangetast. Pas in november 1945 kreeg Brooks’ echtgenote Kathleen Rita zekerheid dat haar man was overleden.

Hij kreeg eerst een tijdelijke rustplaats aan de westzijde van de Eemsbrug bij Leer. Later werd hij herbegraven in Holten (Plot 11, rij D, graf 3).

Sawatzky. Bron: findagrave.com

De boer John Sawatzky (20), was al eerder gewond geraakt bij de landing in Normandië. Hij raakte dodelijk gewond bij de overtocht over de Eems. Hij werd tijdelijk begraven langs de weg bij de Baileybrug op de weg van Weener naar Leer.

In Holten werd hij herbegraven in plot 11, rij D, graf 14.

 

Joseph Gerard Hinds. Bron: veterans.gc.ca

De 20-jarige Joseph Gerard Hinds werd aanvankelijk eveneens als vermist opgegeven. Maar hij werd al na enkele dagen gevonden. Hij werd ook in Holten begraven: plot 12, rij D, graf 5

 

 

 

Lawes. Bron: ICB Holten

Cecil Arthur Lawes was 27 toen hij op de Eems in het water viel. Hij was getrouwd met Helen May. Ze hadden samen een zoon: Melvin Ross. Drie weken voordat Cecil Arthur verdronk was zijn broer – die in hetzelfde regiment diende – gesneuveld bij de bevrijding van Leesten (bij Zutphen). Helen May Lawes kreeg net na de zomer bericht dat haar man was overleden en officieel werd gerapporteerd als ‘killed in action’.  Hij werd begraven in Holten: Plot 11, rij D graf 13

Een verkeerd krantenbericht deed Viola Stella geloven dat haar man nog leefde.

De 32-jarige Ira Charles Langille had al vier kinderen met zijn vrouw Viola Stella toen hij naar het front ging in Noordwest-Europa. Marilyn May (1937), Eileen Marie (1938), Arnold Bruce (1940) en Doreen Lillian (1942). Zelf was Ira enig kind geweest.

Ira’s schoonmoeder Lillian Morash, Ira en zijn kinderen. Bron: ICB Holten
Ira en Viola Stella. Bron: www.veterans.gc.ca

Viola kreeg aanvankelijk het bericht dat haar man vermist was. Ze kreeg hoop toen ze in een krant las dat hij gewond was. Per telegram vroeg ze om opheldering. Het antwoord kwam per kerende post en boorde elke hoop de grond in: “THE REPORT OF PRIVATE LANGILLE BEING WOUNDED AND REMAINING ON DUTY IS A NEWSPAPER ERROR AS HIS NAME WAS RELEASED TO THE PRESS ON SIXTEENTH MAY AS MISSING STOP IF FURTHER INFORMATION BECOMES AVAILABLE YOU WILL BE IMMEDIATELY ADVISED”

In september 1945 kreeg Viola Stella  definitief bericht per telegram: “REGRET DEEPLY F86580 PRIVATE IRA CHARLES LANGILLE PREVIOUSLY REPORTED MISSING NOW OFFICIALLY REPORTED KILLED TWENTYEITHTH APRIL 1945”

Langille werd begraven in Holten: Plot 11, rij D graf 6.

Samuel Donald Powell Bron: www.findagrave.com

Samuel Donald Powell, geboren op 17 sep 1922, verdronk ook in de Eems. Zijn echtgenote wilde graag meer weten over de manier waarop hij aan zijn eind was gekomen. “We willen vooral weten hoe hij is overleden en waar hij is begraven. Het is zes weken geleden sinds hij kennelijk gedood is en we hebben nog niets gehoord.” Het dossier Powell laat onvermeld of zij antwoord heeft gehad op haar vraag.

Powell werd in Holten herbegraven in 1946 in plot 12, rij D, graf 3

De 25-jarige James E. Sullivan zat in een andere boot waarin ongeveer tien mannen van het regiment Stormont, Dundas and Glengarry Highlanders zaten. Onder hen ook Leonard Gordon Brough en Sydney Alexander Oslund.

Sullivan werd aanvankelijk als vermist opgegeven. Op 28 mei kreeg zijn familie per telegram te horen dat het lichaam van Lance corporal James Edward Sullivan was gevonden. Hij was gesneuveld.

Zijn collega Sgt G.W. McGill legde uit wat er was gebeurd: “Om ongeveer half vier in de middag op 28 april staken we de Eems over in een boot tijdens de aanval op Leer. Plotseling stak de neus van de boot in het water en de boot sloeg om. Iedereen lag in het water. Toen ik bovenkwam werd ik door een andere boot opgepikt, samen met Cpl W.M.J. Wood. We voeren nog ongeveer tien minuten rond, maar we vonden Lance Corporal Sullivan niet. Aan de oever bleek bij een check door de pelotonscommandant, dat Sullivan, Brough en Oslund vermist werden.”

Sullivans moeder Augusta Sullivan beklaagde zich er in het najaar van 1945 over dat zij geen uitkering kreeg na het overlijden van haar zoon, terwijl zij toch van hem afhankelijk was. Ze vond dat ze er recht op had. De frustratie zat diep, zo bleek uit de enigszins onbeholpen brief die ze schreef. “Als ik French was geweest, had ik het geld wel gekregen”, meende ze.

Ondertussen was haar zoon al herbegraven op zijn definitieve rustplaats in Holten: plot 11, rij D graf 16.

Veel later, toen moeder Sullivan al was overleden, wilde haar weduwnaar weten wie het graf van zijn zoon had geadopteerd. De directeur van War Service Records, H.M. Jackson stuurde de naam en het adres van de adoptant (H.A. Marsman uit Wierden). Maar hij schreef erbij dat het adopteren van een graf niets officieels was. “I might point out that this adoption is purely unofficial. Those who have undertaken such voluntary work visit the cemeteries from time tot time, place cut flowers on the graves on special dates and often send snapshots to the next of kin. However, the official care and maintenance of the graves in perpetuity is the responsibility of the Imperial War Graves Commission of which Canada is a partner.”

Broughs graf in Holten. Foto Wouter van Dijken

Leonard Gordon Brough (29 mei 1924) voer op dezelfde boot als Sullivan. Brough had vlak na de invasie op Normandië, op 5 juli 1944, al een verwonding opgelopen door mortiervuur.

Ook hij werd het laatst gezien door McGill, die over hem dezelfde verklaring aflegde als over de vermissing van Sullivan.

Broughs lichaam werd op 13 mei 1945 gevonden. Sgt L.T. Dennison trof het lichaam aan. Hij constateerde aan het stoffelijk overschot dat Brough op slag gedood moest zijn door een splinter van een granaat of een bom, of misschien door een stuk ijzer van de spoorwegbrug in de buurt. “Hij heeft ongeveer een maand in het water gelegen en het is waarschijnlijk dat hij is omgekomen bij de gevechten om de brug”, aldus Dennison, die geen weet had van de omstandigheden waarbij Brough overboord was geslagen. Dennison hielp het lichaam bergen en hij verzamelde de spullen die nog op het lichaam van Brough werden aangetroffen. Die stuurde hij naar de Canadese militaire autoriteiten. Hij maakte foto’s van de plek waar Brough tijdelijk werd begraven, vlak bij de spoorbrug over de Eems aan de westkant van de rivier, net langs de dijk.

Op basis van de aangetroffen spullen en de plek waar het lichaam was aangetroffen werd geconcludeerd dat het ging om Brough, die sinds 28 april vermist was. Broughs moeder Violet Brough kreeg op 28 juli 1945 een brief waarin werd gemeld dat nu vaststond dat haar zoon was gesneuveld.

Brough werd in Holten herbegraven: plot 12, rij D, graf 6.
Oslunds graf in Holten. Bron: www.findagrave.com

Hoewel Sullivan, Brough en Sydney Alexander Oslund (geboren 24 april 1911) van het regiment Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders in dezelfde boot zaten, werden ze niet bij elkaar begraven. Oslund en Sullivan liggen in dezelde rij in plot 11, Brough ligt in plot 12.

Begin juni 1945 was duidelijk dat Oslund was verdronken. Hij werd tijdelijk begraven in een veldgraf in Bingum, vanwaar hij later naar Holten werd overgebracht. Hij ligt in plot 11, rij D, graf 10.

Zijn moeder Hanna Oslund kreeg op 8 mei 1945 een telegram dat haar zoon werd vermist. Een maand later, op 6 juni, volgde een brief met de melding dat nu definitief vaststond dat haar zoon was gesneuveld. Ook zij kreeg een uittreksel van het relaas van McGill over de manier waarop Oslund, Sullivan en Brough waren omgekomen.

Dominee A.P. Addison schreef enige tijd later nog namens mevrouw Oslund een brief aan de militaire autoriteiten. Hij vroeg namens haar of ze de polshorloge en de accordeon van haar zoon nog terug krijgt. Uit de lijst van persoonlijke spullen die werd opgemaakt bij het overlijden van elke soldaat, blijkt niet dat de accordeon nog aanwezig was.

De broer van Frank Biernaski was in augustus in Frankrijk gesneuveld.

Frank Biernaski. Bron: www.findagrave.com

Frank (Joseph) Biernaski was geboren op 2 december 1913. Net als zijn broer Philip (die was ingedeeld bij de Camerons Highlanders of Ottawa) was hij naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa gestuurd om de strijd met de Duitsers aan te gaan. Franks broer Philip was op 11 augustus 1944 in Frankrijk gesneuveld en begraven.

Franks moeder kreeg begin mei 1945 een telegram dat Frank gewond was. Daarna kreeg ze de melding dat hij gewond én vermist was. Dat bracht haar in verwarring. Ze stuurde op 15 mei 1945 een brief waarin ze om opheldering vroeg. Hoe konden de militaire autoriteiten nu weten dat hij vermist en gewond was. “Dit kunnen we niet begrijpen”, schreef Anna Biernaski. “We zouden dankbaar zijn voor een uitleg, ook omdat dit de tweede zoon is die we verliezen in deze oorlog.”

Geen opheldering, wel speculatie van het leger

Opheldering kwam er niet. Wel speculatie van de zijde van het leger in een brief van 22 mei 1945: “However as no further explanation was received other than the bare cable that he was wounded and missing it is regretted that I am unable to supply additional information. However similar cases in the past have usually occurred during patrol work when members of the patrol had become wounded and due to circumstances at the time were unable to be taken back to their own lines and have eventually been reported as Prisoners of War. It is also thought that in this particular instance a thorough search of the area in which your son was reported missing was made later and as no sign of his body was found he was reported missing.”

Op 23 mei kwam er vervolgens een telegram dat definitief uitsluitsel gaf: “(…) DEEPLY REGRET TO INFORM THAT C34053 PRIVATE FRANK JOSEPH BIERNASKI PREVIOUSLY REPORTED WOUNDED AND MISSING IN ACTION IS NOW OFFICIALLY REPORTED KILLED IN ACTION (….)”

Frank Biernaski werd begraven in Holten: Plot 12, rij D, graf 4.

Francis Wilber Spencer. Bron: www.veterans.gc.ca

Weduwnaar Francis Wilber Spencer was al 35 toen hij omkwam bij de aanval op Leer. Hij werd aanvankelijk ook als vermist opgegeven. In augustus 1945 werd hij officieel geschrapt van de lijst van vermisten en opgenomen op de lijst van gesneuvelden.

Zijn dochter Angela (geboren in 1933) was na de dood van haar moeder in 1934 bij de tante van Francis Wilber Spencer ondergebracht, tante Elizabeth Burns.

Spencer werd tijdelijk begraven bij Jemgum in Duitsland, bovenop de dijk langs de Eems. Hij werd herbegraven in Holten: plot 11, rij D, graf 4.

Het was de tweede keer dat Jack Steward gewond raakte.

De vrouw van Jack Allen Steward (25 maart 1921) kreeg op 29 mei 1945 bericht dat haar man was omgekomen, nadat ook zij aanvankelijk het bericht had gehad dat Jack vermist was. Driekwart jaar eerder had ze een soortgelijk bericht gehad. Toen was haar man gewond geraakt in Frankrijk. Jack lag een maand in het ziekenhuis om te herstellen van de verwondingen aan zijn linkerschouder die hij op 9 augustus opdeed, toen hij werd getroffen door een fragment van een huls.

Steward maakte deel uit van het regiment Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders dat de aanval op Leer uitvoerde. Hij was gesneuveld op 28 april.

Jack en zijn vrouw Ruth hadden een zoon, John Antony Steward, die was geboren op 27 november 1941. Ruth hertrouwde na de oorlog.

Steward werd begraven in Holten: plot 12, rij D, graf 1.

Roy Thackeray gebruikte zijn soldijboek als balboekje.

Roy Thackeray. Bron: ICB Holten

Roy Ivenson Thackeray (9 jan 1925) kwam waarschijnlijk niet in het water aan zijn einde. Zijn persoonlijk dossier vermeldt dat hij op 28 april 1945 werd gedood, hoewel het niet wordt vermeld sneuvelde hij waarschijnlijk bij de gevechten om Leer te veroveren.

Een paar dagen eerder had Thackeray in het Groningse Haren een ontmoeting gehad met Janny Bakker, die in de Molenkampsteeg woonde. Hij noteerde haar naam in zijn soldijboekje, evenals de naam van Lenie Kruikemeier uit Zuidhorn.

Thackeray had niet de reputatie van een gedisciplineerde soldaat. Hij weigerde zijn haar te laten knippen, als hij daartoe de opdracht kreeg van een meerdere, hij werd regelmatig bestraft omdat hij zijn wapen niet goed had schoongemaakt, en schoenen poetsen was ook niet zijn meest geliefde bezigheid.

Thackeray werd tijdelijk begraven in het Duitse Ihrhove. Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats in Holten: plot 7 rij F graf 11.

Geen gedicht op de steen
Edgar Smith Bron: www.veterans.gc.ca

Brenda Smith heeft haar vader Pte Edgar Douglas Smith (21 mei 1918) nooit gekend. Zij werd geboren op 1 september 1944, toen haar vader in Engeland was waar hij zich voorbereidde op de inzet in Noordwest-Europa. Smith werd in augustus 1944 vanuit het Verenigd Koninkrijk verscheept naar Frankrijk om daar daadwerkelijk te vechten als soldaat bij het regiment Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders. In november 1944 raakte hij gewond aan zijn rechterbil. Een maand moest hij herstellen in het ziekenhuis. Daarna keerde hij terug naar zijn regiment.

Eind april 1945 maakte hij deel uit van de troepen die Leer moesten innemen. Het werd hem noodlottig, hij overleed aan de verwondingen die hij opliep.

Nadat zijn familie bericht kreeg over het overlijden, schreef Edgars moeder een brief aan de legerleiding. Ze wilde graag weten hoe Edgar was overleden, en of er een mogelijkheid was om zijn lichaam te zijner tijd over te brengen naar Canada.

Dat was tegen het Canadese beleid dat al tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ingezet: de gesneuvelde militairen werden begraven niet ver van de plaats waar ze omkwamen. Maar de Canadese legerleiding wilde het de gesneuvelde soldaten en hun nabestaanden niet aandoen dat ze werden begraven op vijandelijk grondgebied. Vandaar dat de meeste in Duitsland gesneuvelde Canadese jongens in Nederland begraven zijn.

Later (op 14 februari 1947) stuurde moeder Ida Smith het verzoek om een tekst op de grafsteen te plaatsen:

Grafsteen, zonder extra tekst. Bron: findagrave.com
We can't forget his smiling face
His happy carefree ways
The smile that won so many friends, 
All those happy by gone days
If all the world were ours to give,
We'd gladly give and more
To see the face of one we loved
Come smiling through the door.

From loving father, mother and family.

De tekst kwam nooit op de steen. Die vermeldt slechts naam, rang, leeftijd en zijn regiment. Smith ligt in Holten begraven in plot 8, rij E, graf 2.

Harold Wakely wilde graag de onderscheidingen van zijn vader ontvangen.

De toen zestienjarige Harold Wakely schreef in 1949 een brief aan de militaire autoriteiten. Hij zou graag, als aandenken aan zijn gesneuvelde vader George Sidney Wakely, diens medailles ontvangen – als dat mogelijk was.

George Sidney Wakely Bron: veterans.gc.ca

Wakely maakte deel uit van het regiment Stormont, Dundas & Glengarry Highlanders dat op 28 april over de Eems de havenstad Leer bestormde. Hij was getrouwd met Ida Wakely, met wie hij één zoon had.

Wakely was gesneuveld bij de slag om Leer. De tiener Wakely wilde graag iets van zijn vader hebben. De medailles zou hij uiteindelijk wel krijgen, al zou hij daarvoor wel bij zijn moeder moeten zijn. Want de onderscheidingen van de gesneuvelde soldaat werden, zoals het hoorde, toegezonden aan de eerste erfgenaam, en dat was Ida Wakely.

De onderscheidingen die George Sidney Wakely toebehoorden waren de 1939-1945 Star, France-Germany Star, Canadian Volunteer Service Medal and Clasp en War Medal 1939-45. Die zouden, zodra ze beschikbaar waren, per aangetekende post worden toegezonden.

Wakely werd in Holten begraven: plot 11 rij E graf 13.

 

Meer lezen?

Aanbevolen links:

*Operation Duck

*Victory Campaign

*Canadian Soldiers- Leer

*Das Kriegsende 1945 in Oldersum und Umgebung

©2017 Jan Braakman

Auteur: Jan Braakman

Jan Braakman is journalist en schrijver. Hij publiceert regelmatig korte biografische schetsen van geallieerde soldaten die in Nederland gesneuveld of begraven zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.