Spijt. Spijt, dat we zo lang wachtten

Foto: Privé collectie
Foto: Privé collectie

In 1994 maakten Riek de Greef-Koeslag en Henk de Greef een ritje vanuit hun woonplaats Ayton in de Canadese provincie Ontario. Hun doel was Paris, zo’n 130 kilometer ten zuiden van hun woonplaats en ongeveer 120 kilometer ten westen van Toronto.  Ze hadden een briefje bij zich met een naam: Todd, James George. Ze waren op zoek naar familie van deze Todd.

In Paris aangekomen stopten ze bij de eerste telefooncel en keken in het lokale telefoonboek. Ze pleegden een paar telefoontjes.  Een van de mensen die ze aan de lijn kregen vertelde dat ze in Brantford moesten zijn: een ritje van 15 kilometer. Daar aangekomen volgden ze dezelfde procedure:  de telefooncel in en het telefoonboek doorpluizen. Ze kregen via via het adres van Bertha Hawkins, een zuster van Todd. Zij woonde in Brantford.

Aanleiding voor de zoektocht was een brief die Riek en Henk hadden gekregen van Rieks broer in Nederland.  Of ze op zoek konden gaan naar familieleden van de jongens die gesneuveld waren bij de bevrijding van hun dorp Laren in Gelderland. Er zat een lijstje met twaalf namen bij, meer niet. Twaalf Canadese jongens waren omgekomen binnen een kilometer vanaf de plek waar Riek destijds woonde. Riek en Henk waren inmiddels naar Canada geëmigreerd. Haar broer en zijn familieleden wilden de gesneuvelde jongens in Nederland herdenken.

Riek en Henk namen contact op met de Commonwealth War Graves Commission. De CWGC kon alleen de woonplaatsen geven van de gesneuvelde jongens en daarmee waren ze op pad gegaan. Paris was het dichtst bij geweest. Al die andere jongens kwamen van plaatsen uit heel Canada, te ver om met een auto af te rijden.

James George Todd was op 8 december 1908 geboren in Paris, Ontario. Hij was bijna 35 jaar toen hij zich op 14 oktober 1943 inschreef bij het Canadese leger.

Tot zijn dertiende ging hij naar school. Daarna mocht hij  aan het werk, geld verdienen. Eerst thuis op de boerderij,  waar hij de oudste was in een gezin van vier jongens en twee meisjes – ze waren allemaal volwassen toen hij voor het leger koos. Zijn moeder was overleden toen hij zeventien was.

James werkte als boerenknecht, deed aan machineonderhoud, werkte bij het aanleggen van wegen en de laatste drie jaar voor hij het leger in ging was hij brandweerman.

Toen hij tekende voor het leger werd hij beschreven als een ‘ongetrouwde man met een gemiddelde bouw’. Hij was niet groot:  1,68 meter en woog 63 kilo.  Zijn intelligentiescore was lager dan gemiddeld, maar in de ogen van zijn beoordeler bevredigend. 

Todd was geen spraakzaam type.  Hij was geen sportman en besteedde veel van zijn tijd in boeken, vooral over bouwkunde.

Tien dagen na D-Day, op 17 juni 1944 werd hij met zijn kameraden verscheept naar Engeland om in Europa mee te vechten. Het werd voor hem serieus toen hij op 24 september  1944 naar Frankrijk werd overgebracht.  Hij maakte deel uit van de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.  Op 31 oktober van dat jaar,  rond drie uur in de middag werd zijn eenheid zwaar beschoten. Een paar meter van hem vandaan  sloeg  een 88-millimetergranaan in. Houtsplinters vlogen in het rond. James viel gewond neer en werd afgevoerd.  In zijn dossier kwam te staan dat hij was omgekomen. Dat werd de zelfde dag nog gecorrigeerd in:  vermist.

Maar hij was niet vermist.  Todd lag in het ziekenhuis. Hij had vleeswonden aan nek, oor, gezicht en zijn rechterhand. Zijn neus lag open, zijn oor was gerafeld, hij had een nekwond,  hij had een verwonding tussen de duim en de wijsvinger aan zijn rechterhand.  De dokter haalde twee behoorlijk grote houtsplinters uit zijn hand. James ging terug naar Engeland, waar hij kon herstellen van zijn verwondingen. Hoe vervelend de verwondingen ook waren, in legertermen was James lichtgewond. Na zijn herstel was hij weer inzetbaar.

En dat gebeurde op 18 maart 1945. James Todd  kwam terug bij de Black Watch en trok op naar het noorden van Nederland.  Begin april was hij betrokken bij de bevrijding van de Achterhoek.  Op 5 april kreeg hij in het Gelderse Laren te maken met zware tegenstand.  Hij werd getroffen – nu zwaarder dan de vorige keer.  Hij was op slag dood.

Op diezelfde dag, bij de bevrijding van Laren, zochten Riek Koeslag, haar broers en zussen en haar moeder samen met de buren een veilige plek in een stenen kelder bij de buren.  Toen de Canadezen kwamen dachten ze dat ze bevrijd waren. Maar toen ze de kelder uitkwamen begon het schieten opnieuw.  Rieks moeder werd daarbij dodelijk getroffen. Todd werd op 6 april 1945 begraven in een tijdelijk graf in een boomgaard in Laren, Rieks moeder werd bijgezet op de algemene begraafplaats in Laren. Op haar steen kwam later de vermelding dat haar man het leven had gelaten in een concentratiekamp in Duitsland – maar dat zou pas een paar maand later blijken.

Todd kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten:  plot I, rij E, graf 10.

Geëmigreerd naar  Canada, en bijna 50 jaar later ging Riek met haar man op zoek naar de nabestaanden van James Todd. Ze kwam uit bij Marilyn Purvis, een nichtje (oomzegger) van Todd.

Waarom? Waarom al deze moeite?, vroeg Marilyn Purvis.  “We did this because we are forever grateful to all the men and women who came  from overseas and paid the ultimate price to free us from the Nazi oppression so that we could once again live in freedom and peace. Our only regret is that we waited so long to do it.”

©2016 Jan Braakman

Auteur: Jan Braakman

Jan Braakman is journalist en schrijver. Hij publiceert regelmatig korte biografische schetsen van geallieerde soldaten die in Nederland gesneuveld of begraven zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.