Wellie Bertrand trof hetzelfde lot als zijn oom

Wellie Bertrand; zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen. Bron: Françoise Vincent

Van Wellie Bertrand zijn gelukkig verschillende foto’s bewaard gebleven. Hij had een stevige dos golvend donker haar, een geprononceerd, beetje vierkant gezicht. Op een van de foto’s poseerde hij trots en in vol ornaat in zijn uniform, zijn linkerhand nonchalant en ontspannen om een kinderhand gevouwen.

Het kind dat niet op de foto staat is zijn neefje. Op de oorspronkelijke foto stond ook nog een zwager van Wellie, de echtgenoot van zijn zus Medora. Wellie was ongetrouwd en had geen kinderen.

Op een andere foto staat Wellie met zijn zus Rhea en diens echtgenoot Laurian Chenier. Chenier heeft niet in Europa gediend.

Wellie Bertrand in zomers outfit. Foto via Françoise Vincent

Als Wellie uit dienst zou gaan, had hij graag boer willen worden. Op het formulier dat hij invulde bij zijn indiensttreding in het Canadese leger, gaf hij aan een toekomst als op een gemengd bedrijf (akkerbouw en veehouderij) na te streven. Zover kwam het echter nooit. Zijn vader had geen boerderij. Vader Michel Bertrand was werkzaam in de bosbouw, net als Wellies broer Lorenzo.

De doopnaam van de op 28 april 1917 geboren Wellie Bertrand was William. Hij had zijn naam te danken aan zijn oom William Bertrand, die op 9 april 1917 op twintigjarige leeftijd was overleden. William sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. Hij ligt begraven in Pas de Calais (Frankrijk).

Wellie was al bijna 27 toen hij zijn handtekening zette onder het Occupational History Form dat hij moest invullen bij zijn indiensttreding. Op dat moment was hij werkzaam bij de International Nickel Company in Sudbury, Ontario. Hij wilde eventueel terugkeren bij de werkgever in Sudbury.

Bertrand had blauwe ogen, woog 67 kilo en was van top tot teen 1 meter 64 centimeter. Hij was kerngezond bij zijn medische keuring. De enige bijzonderheid was een litteken op zijn rechtervoet.

Wellie Bertrand, links, met zijn zus Rhea en zwager Laurian Chenier. Bron: Françoise Vincent

Wellie kwam uit een omvangrijk gezin met vier broers (Lorenzo, John-Eddy, Rodolphe en Gérald) en drie zusters (Medora, Rhéa en Mariette). Ze woonden in het Franstalige Notre Dame du Laus, Quebec, Canada, zo’n honderd kilometer ten noorden van de Canadese hoofdstad Ottawa.

Moeder Bertrand was in 1921 op 34-jarige leeftijd overleden, bij de geboorte van Mariette. In hetzelfde jaar stierf ook een van de broers van Wellie – nog geen tien jaar oud.

Wellie met zijn zus Médora. Foto via Françoise Vincent.

De drie oudere broers van Wellie, Lorenzo, Rodlophe en Gerald woonden en werkten allemaal thuis op de boerderij. Zijn zussen Medora, Rhéa en Mariette waren getrouwd en het huis uit.

Wellie trad in dienst in april 1944. Na zijn militaire opleiding ging hij per schip naar het VK. Op 18 november 1944 verliet hij zijn geboorteland, om er nooit weer terug te keren.

Wellie met zijn zus Rhéa. Foto via Françoise Vincent

In het nieuwe jaar, op 12 januari 1945, werd Wellie ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve onder leiding van majoor Charlebois. Bijna twee maand later werd Wellie gepromoveerd tot lance corporal bij de A-compagnie van het regimentEen maand daarna sneuvelde hij. Wellie was betrokken bij de gevechten die ontstonden na het oversteken van het Twentekanaal bij Almen. In de corridor tussen het Twentekanaal en de spoorlijn Zutphen-Hengelo kwam zijn compagnie plotseling onder Duits vuur te liggen. Hoewel de B-compagnie van zijn regiment met ondersteuning van de tanks van Fort Gary Horse te hulp schoot, kwam de hulp voor Bertrand te laat. Wellie overleed op 5 apil 1945. Zo trof hem hetzelfde lot als zijn oom William, naar wie hij was vernoemd in 1917: gedood op het slagveld.

Een dag later werd hij begraven op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard Baril, Edgar Ross, Amede Letourneau, Roger Dufort, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 13.

Wellie’s graf op de begraafplaats in Holten. Foto via Françoise Vincent.
  • Bronnen:
  • Boek: *Gerard Marchand – Le Régiment de Maisonneuve vers la Victoire;
  • Archief: *Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25449
  • Persoonlijk gedeelde informatie: *Françoise Vincent, Canada

©2019 Jan Braakman

Jean Paul Belanger mankeerde niets

De achttienjarige Jean Paul Belanger was zo gezond als een achttienjarige kan zijn, toen hij in mei 1944 tekende voor het Canadese leger. Het enige bijzondere dat bij de medische keuring werd opgemerkt was een moedervlek op zijn rug.

Jean Paul Belanger. Foto: https://www.veterans.gc.ca

Belanger had blauwe ogen, bruin haar; hij woog net 58 kilo bij een lengte van 1,57 meter. Wat viel er verder van te zeggen? Weinig. Jean Paul woonde nog bij zijn ouders aan de Rue Henri Julien in Montreal (Quebec, Canada). Hij werkte als assistent-scheikundige bij Canada Drug Company in Montreal. Vier jaar al, op zijn veertiende was hij er begonnen.

Hij ging na zijn indiensttreding naar het trainingskamp in Sherbrooke. Na twee weken moest hij naar het ziekenhuis. Zijn legerdossier vermeldt wel dat hij van 22 mei 1944 tot 30 mei 1944 in het militaire ziekenhuis in Sherbrooke was, maar niet waarom. Op 30 mei werd hij uit het ziekenhuis ontslagen.

Waarschijnlijk was hij daarna korte tijd uit dienst, want later werd vastgelegd dat Belanger op 5 september 1944 in dienst was gekomen. In de maanden daarna kreeg hij de vereiste vaccinaties om op het strijdtoneel in Noordwest-Europa te worden ingezet. Op 18 december 1944 werd hij ingescheept om per vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken, waar hij de volgende dag aankwam. Ruim een maand later, op 29 januari 1945 werd hij ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve, een Franstalig regiment.

Het regiment werd ingezet in bij het slaan van een bruggenhoofd over de Rijn. Vervolgens trokken Belanger en zijn maten noordwaarts via Terborg, Doetinchem, richting Twentekanaal bij Almen. Het regiment van Belanger werd op 5 december ingezet bij de bevrijding van het Gelderse Laren. Het Regiment de Maisonneuve kreeg tot taak het bruggenhoofd in de richting van Laren uit te breiden, zodat het regiment van de Black Watch vervolgens het dorp kon innemen.

Het liep iets minder voorspoedig. De tegenstand van de Duitse troepen was zwaarder dan voorzien. Voor Jean Paul Belanger was de Duitse weerstand fataal. Hij werd getroffen, dodelijk.

De volgende dag werd hij begraven op een grasveld in Almen, waar ook 39 maten van hem een tijdelijke rustplaats kregen. Er was een korte ceremonie waarbij legerkapelaan T.P. Tait voorging.

Zijn persoonlijke bezittingen werden naar zijn moeder gestuurd. In de korte tijd dat hij had gediend had hij bijna alleen het hoogst noodzakelijke bij zich: een sigarettenaansteker, een Waterman pennenset, een rozenkrans, brieven, foto’s, een gebedenboek en 2 munten.

Later werden de stoffelijke resten van Belanger herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot III, rij B, graf 8.

© 2018 Jan Braakman

Frederick Parkinson, kleurenblind maar vol ambitie

Frederick Parkinson wilde graag een bijdrage leveren aan de strijd tegen de Duitsers. De geboren Brit woonde in Montreal (Quebec, Canada) met zijn vrouw en twee kinderen toen hij in april 1944 het leger in ging. Hij had toen al verschillende pogingen gedaan om bij de marine of de luchtmacht te worden aangenomen.

Parkinson als jonge jongen. Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij had zich gemeld bij de Royal Canadian Airforce, maar daar was hij geweigerd. De marine wilde hem niet aannemen omdat hij kleurenblind was. Hij deed een tweede poging bij de marine, om als stoker te worden aangenomen. Opnieuw werd hij afgewezen, omdat hij niet genoeg ervaring had.

Parkinson was als jongen door zijn vader naar het opleidingsschip Wellesley gebracht. Het schip was vooral bedoeld voor weesjongens. Parkinsons vader leefde nog, maar zijn moeder was overleden toen hij nog klein was. Zijnvader wist niet hoe hij het gezien draaiende moest houden en daarom besloot hij Frederick naar het opleidingsschip te sturen.

Na de opleiding was hij meer dan zeven jaar werkzaam in de koopvaardij. Toen hij in 1935 trouwde met Margaret Murphy ging hij aan land. Margaret en Frederick woonden in Rosemount (Quebec). Ze kregen twee kinderen: Margaret Joan (1935) en Barbara Ann (1937). Frederick werkte als machine monteur voordat hij in dienst kwam bij het oliebedrijf McColl Frontenac. Daar vervulde hij verschillende functies. Hij stapte over naar Canadian Vickers waar hij aanvankelijk schilder was, maar later als lader en losser in de haven werkte.

Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij was al 35 toen hij toch nog in dienst werd genomen. Niet bij de luchtmacht of de marine, maar bij de landmacht. Frederick maakte indruk. “Hij heeft de goede aanleg en de juiste instelling” schreef captain R.A. Wendt in een beoordeling. “Hij werkt hard en doet het goed bij de oefeningen.” Frederick wilde het liefst schutter zijn. “Hij is slim en heeft een militaire uitstraling”, oordeelde Wendt.

In oktober 1944 werd Parkinson verscheept vanuit Canada naar het Verenigd Koninkrijk. Het laatste oorlogsjaar was al begonnen toen Frederick op 6 januari werd overgebracht naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa. Eind februari werd hij ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Zijn regiment was betrokken bij zware gevechten in het Hochwald, begin maart, toen bij Rees (Duitsland) een bruggenhoofd over de Rijn werd gerealiseerd. Daarna kon het regiment in de omgeving van Nijmegen op adem komen. Eind maart, begin april begon het regiment de opmars naar het noorden, via Terborg, Doetinchem, Hummelo, richting Twentekanaal bij Almen. Nadat ze het kanaal waren overgestoken zou het Regiment de Maisonneuve het bruggenhoofd uitbreiden richting het Gelderse Laren, zodat het regiment van de Black Watch daarna de aanval op 5 april 1945 op Laren konden overnemen.

Bron: Virtual War Memorial

Het werd een onverwacht harde strijd, waarbij de Black Watch het zwaar te verduren kregen. En voor Parkinson sloeg het noodlot toe.

Parkinson werd geraakt. Hij raakte zwaar gewond aan zijn hoofd. Een kogel had hem precies op zijn kruin geraakt. Hij had een gapende wond bovenop zijn schedel. Maar hij leefde nog. Hospiks noteerden om zeven uur ’s avonds een polsslag van 42 slagen per minuut en een hoog ademhalingsritme van 28 ademhalingen per minuut. Hij was bewusteloos. Ze gaven hem een anti-tetanus-serum en lieten hem afvoeren naar het ziekenhuis in Nijmegen. Toen hij daar om elf uur ’s avonds aankwam was Parkinson overleden.

Frederick Parkinson werd tijdelijk begraven vlakbij het ziekenhuis in Nijmegen. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Groesbeek: plot V, rij E, graf 4.

Source: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26760

©2018 Jan Braakman

Donald Morrison, gesneuveld vlak voor het eind van de oorlog

Donald Morrison and Nan Swinton kenden elkaar amper anderhalf jaar, toen ze in december 1943 besloten te trouwen.

Donald as a young child at Silver Mine, his grandfather Donald MacDonald’s farm. Bron: Wendy MacDonald

Donald was geboren als zoon van Schotse ouders die met hun ouders naar Canada waren geëmigreerd. Hij had drie zussen die nog bij zijn ouders woonden in Sydney, Nova Scotia, Canada. Zijn vader werkte in de haven: laden en lossen.

Morrison ging in dienst op 1 mei 1942 in de plaats New Glasgow in Nova Scotia. Daarvoor was hij werkzaam geweest als monteur van koelinstallaties en airconditionings. De Schots-Canadese Donald vertrok in juli 1942, twee maand nadat hij in het leger was gegaan, al naar Europa, waar hij in de buurt van het Schotse Glasgow bij het 17th Duke of York (Royal Canadian) Hussars Regiment was gelegerd.

Donald Morisson en Nan Swinton op hun huwelijksdag. Bron: Stewart Swinton

Vlak daarna kwam hij in contact met Nan Swinton, die voluit Agnes Edward Fyffe Swinton heette. Zij was dochter van een politieman in Glasgow. Ze werkte als typist bij de luchtmacht (Women’s Auxiliary Air Force). Zij was vier jaar jonger dan Donald. Ze trouwden op 23 maart 1944. Drie maand later werd hij verscheept naar Frankrijk, waar hij werd ingezet bij de bevrijding van het Europese vasteland.

Cpl Donald Morrison; Oct. 5, 1920- May 4, 1945. Bron: Wendy MacDonald

Zij schreef hem regelmatig, en hij haar. Een van haar brieven hield hij constant bij zich, had hij geschreven aan zijn Nan. Dinsdag 1 mei 1945 pakte Nan haar vulpen en een luchtpostvel van het leger om haar ‘Donny’ te schrijven. “Behalve dat ik constant naar je verlang, mijn liefste, voel ik me top; iedereen is in goed humeur (ik ben geen uitzondering) en vraagt zich af hoe lang de Mof het volhoudt tegen ons. Liefste, ik weet zeker dat we niet veel langer ver van elkaar zullen zijn. Ik verlang er wanhopig naar voor altijd bij je te zijn, dat je me thuis alle plekken laat zien . . . om gewoon ‘de heer en mevrouw’ te zijn.”

Ze sloot haar brief af met: “Ik zie je snel liefste Donny. God bless you my own, your ever loving wife. Nan.”

Het was haar laatste brief aan hem. En waarschijnlijk heeft hij hem nooit gelezen. Cpl Donald Morrison sneuvelde drie dagen nadat Nan haar lieve woorden had geschreven.

In de war diary van zijn regiment is beschreven hoe Morrison om het leven kwam. “As a patrol approached the bridge at MR 998410 it was blown and the enemy opened fire from across the Ems-Jade Canal. In this skirmish Cpl Morrison was killed and Sgt Dabbs later died of wounds. At 1430 hrs an envoy under a flag of truce, purporting to be from the garrison comdr at Aurich was conducted to 8Cdn Inf Bde H. The Squadron [A] was ordered not to cross the canal.”

Cpl Morrison werd dodelijk getroffen in schermutselingen die ontstonden nadat de Duitsers een brug over het Ems-Jadekanaal hadden opgeblazen. Sgt Harold Dabbs, werd zo ernstig verwond, dat hij later aan zijn verwondingen overleed.

Vlak daarna kwam een Duitse gezant met een witte vlag namens de garnizoenscommandant van de vijand in Aurich. Daarop werd besloten het kanaal niet over te steken. Enkele uren later kwam het bericht dat een wapenstilstand tussen Duitsland en de geallieerden zou zijn overeengekomen.

Morrison werd tijdelijk begraven bij de kerk in het plaatsje Aurich (Duitsland). Een paar dagen later was de oorlog in West-Europa definitief voorbij.

Nan ging in 1945 naar Canada, om de ouders van haar geliefde Donny te ontmoeten. Ze besloot in Canada te blijven en hertrouwde later met William Eden. Ze overleed in 1999.

In maart 1946 werden Donalds stoffelijke resten in Aurich opgegraven en herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Holten. Donald Morrison ligt in plot XII, rij A, graf 2.

Bronen: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26659; Wendy MacDonald; Stewart Swinton

© 2019 Jan Braakman

Een militair echtpaar begraven in Holten

Dat een echtpaar begraven is op een militaire begraafplaats is uitzonderlijk, zo niet uniek. Op de Canadese begraafplaats in Holten ligt het echtpaar Brewster begraven. Edward John Brewster en Winifred Lilian Wright trouwden op 26 januari 1946 in Edmonton, Middlesex in Engeland.

Hij kwam uit Lakeview, Ontario. Hij had verschillende baantjes gehad voor hij in dienst ging, waarvan de laatste als bezorger van telegrammen. Hij woonde samen met zijn twee zussen Marjorie en Ethel bij zijn ouders.

Zij was geboren in Windsor, Ontario. In 1932 ging ze als zevenjarig meisje met haar ouders mee naar Engeland, waar haar vader onderhoudsmonteur was. Winifred trad in november 1943 in dienst bij het Canadian Women’s Corps.

Winifred en Edward leerden elkaar naar eigen zeggen kennen in het voorjaar van 1943. Edward maakte deel uit van het Royal Canadian Ordnance Corps, de eenheid die zorgde voor de uniformen, de wapens en ander spullen die de militairen nodig hebben. In 1946 was hij ‘wireless operator’ bij zijn eenheid.

Webster was nog maar zestien toen hij zich in 1942 aanmeldde bij het leger.  Eigenlijk te jong. Maar hij zei dat hij al achttien was.  Hij gaf 1924 als geboortejaar op in plaats van 1926.

Winifred Brewster-Wright. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Edward, Winifred en een vriendin in Apeldoorn. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Hij werd in 1943 verscheept naar Engeland, waar Winifreds vader woonde. In  april 1944 moest hij naar het ziekenhuis, vanwege een oude verwonding aan het hoofd die op de zenuwen leek te werken.  Toen bleek dat hij zich ouder had voorgedaan dan hij werkelijk was. “Onvolwassen”, werd in zijn dossier genoteerd.

Vlak voor het einde van de oorlog in april 1945, werd hij naar het Europese vasteland overgebracht met zijn eenheid. Daar verleende hij ondersteunende werkzaamheden in Nederland en later in Noord-Duitsland.

Op 15 april 1946 moest Edward een opdracht uitvoeren. Hij kreeg toestemming Winifred mee te nemen. Zij had vrij en wilde graag van de gelegenheid gebruik maken om haar tante te bezoeken, die in Meldorf, vlak bij Hamburg woonde. Ze kregen de jeep mee van Captain Surry.

Op de terugweg, op de avond van de 15e april 1946. ging het mis. Een gedeelte van de weg tussen Hamburg en Bremen was in gebruik als opslagplaats van legervoertuigen. Kennelijk zag Edward niet de verkeersborden die aangaven dat de rijbaan naar links was verlegd, vanwege de geparkeerde voertuigen aan de rechterkant.

De jeep waarin Edward en Winifred zaten botste frontaal op de voorste van een aantal DUKW-amfibievoertuigen die deels op de rijbaan stonden.

Een getuige was snel ter plekke. Hij zette het gecrashte voertuig in het licht van zijn koplampen. Hij zag dat beide inzittenden er ernstig aan toe waren. Hij reed naar de dichtstbijzijnde telefoon en liet een legerambulance komen.

Hulp kwam echter te laat. De verwondingen van Edward en Winifred waren dodelijk. Toen ze met de ambulance in het militaire ziekenhuis in Hamburg arriveerden, waren ze al overleden.

Graven van Winifred en Edward Webster vlak na de teraardebestelling. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Amper drie maanden na hun huwelijk waren ze beiden op dezelfde dag omgekomen. Winifred en Edward zijn op 16 april 1946,  een dag na hun overlijden, begraven op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot 10, rij H, graven 7 en 8.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Het oor was genezen, het hart gebroken

Russ Sutton leek nog wel plezier te hebben in het leven. Eind december 1945 kwam hij uit het ziekenhuis. Een maand had hij daar gelegen: van 28 november tot 28 december. Hij had een middenoorontsteking gehad en zijn neusamandelen waren verwijderd. Hij moest voor controle wel terugkomen bij de dokter.

Russ maakte deel uit van het 2/203rd Inf. Ordnance Sub. Park, 
Royal Canadian Ordnance Corps.

Op oudejaarsavond 1945 danste hij samen met zijn maten het jaar uit. Tegen twee uur ’s nachts werd hij nog opgemerkt. Hij stond aan de bar, alleen, te kijken naar de dansende soldaten.

De volgende dag fietste Heinrich Suhr vanuit Zwischenahn naar Oldenburg. Heinrich had een nieuwjaarsbezoek aan zijn ouders gebracht. Op de terugweg zag hij iets donkers liggen in de greppel langs de Stichstrasse. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat het een geallieerde soldaat was. Hij zag dat de man ernstig verwond was aan het hoofd. Tegen diens hoofd lag een .303 Lee Enfield geweer. Hij was dood, zelfmoord.

De plek waar Sutton gevonden werd (aangegeven met een rode x). Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War- War Dead, 1939-1947; Volume 27150

Het duurde een tijdje voordat duidelijk was dat het ging om Russ Sutton. De verwondingen waren zo ernstig, dat hij niet meteen werd herkend.

In zijn persoonlijke spullen werd een briefje gevonden:

Aan iedereen

2/203 S/P

Dec 31/45

Ik ben heel ongelukkig. God bless you all.

Russ

Mijn geld en alles gaat naar mijn moeder.

Russ had de laatste tijd aan zijn naaste collega’s laten weten dat hij er genoeg van had kok te zijn in het Canadese leger. Het liefst ging hij weer naar huis.

In zijn spullen werd een brief gevonden van zijn vriendin, die hij waarschijnlijk had ontvangen tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis. Met kerst had hij geen bezoek gehad van zijn collega’s, wat hem teleurstelde. En de brief van zijn vriendin deed hem misschien ook geen goed. Zijn oren waren hersteld, maar wellicht was zijn hart gebroken.

17 december 1945

Lieveling,

Ik voel me vannacht zo verlaten, dat ik niet weet wat ik met mezelf moet doen. Ik weet niet waarom – het is gewoon zo. Ik maak wel een beetje lol in de weekends, maar dat lijkt niets uit te maken. Ach ja, ik raak deze stemming ook wel weer kwijt.

Het lijkt aslof jij je vermaakt in Europa, afgezien van de korte episode in het ziekenhuis, die niet ernstig was (en dan denk ik niet aan de laatste keer dat jij in het ziekenhuis was). Ik heb er nooit aan gedacht, totdat jij het noemde.

In die nacht van 17 november, toen jij gin met sinaasappelsap dronk, was ik bij het ballet en genoot ik van Graziani, Aleko an Princes Aurora. Het was prachtig en ik dacht “als mijn ‘man’ eens bij mij was.”

[…]

Ik heb een paar affaires gehad sinds de laatste keer dat ik je schreef, maar net als die van jou zijn ze voorbij en vervlogen. Er is iemand – een echte man – die ik elke week zie en met wie ik een heerlijke tijd heb, maar er is verder niets met hem.

Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde.

Hij heeft geen gevoelens voor mij, omdat hij een man is die niet lief heeft. Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde. Kun je dit begrijpen? En als je het begrijpt wil je dan genereus zijn, en niet boos op me? We hebben elkaar beloofd dat we eerlijk zouden zijn, of niet?

[…]

Het wordt al verschrikkelijk laat en ik moet weer zo vroeg op morgenochtend dat ik deze korte brief hier eindig. Ik wens je een heel, heel, heel fijn Kerstmis en ik hoop dat je de volgende kerst thuis kan doorbrengen.

Pas op jezelf en zorg dat je uit het ziekenhuis komt.

Liefs

C[…].

Russ werd tijdelijk begraven bij een groepje boerderijen in Osterscheps.

Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten plot VII. rij A. graf 6.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Nieuwjaarsdag eindigt in onthutsend incident

1 januari 1946. De eerste nieuwjaarsdag na het einde van de oorlog. Het zou een mooie dag moeten worden, een dag om nooit te vergeten. Maar het liep anders voor de collega’s van Donald Oscar Robertson. Het werd geen mooie dag – maar een trieste onthutsende dag. Een dag die ze nooit zouden vergeten.

Private Donald Oscar Robertson, ‘Robby’ voor zijn maten, was geboren op 11 juni 1924 in het dorpje Ripples (New Brunswick, Canada). Hij kwam uit een gezin met zes zusters en één broer. Ze werkten op de boerderij van hun vader. Moeder Robertson was al overleden, toen Robby in 1940 het leger in ging. Robby’s één jaar oudere broer Chester was ook in dienst van het Canadese leger.

Robby’s carrière liep voorspoedig. Hij werd aanvankelijk ingedeeld bij bij het North Shore Regiment. Later kwam hij terecht bij de Royal Highland Light Infantry. Hij promoveerde van private tot lance corporal en vervolgens tot corporal. Maar hij liet zich op eigen verzoek weer in de rangen terugplaatsen naar private, om later toch weer te promoveren tot lance corporal – maar dat was pas begin 1945.


Vlak nadat hij in 1943 als negentienjarige tot corporal was gepromoveerd kreeg hij toestemming te trouwen met de zestienjarige Anna Edith Matthews, die net als hij in L’Etete (New Brunswick) opgroeide. Hij kende haar vier maanden. Op 11 november 1943 trouwden ze. Na het huwelijk keerde Robby weer terug naar de legerbasis Utopia in New Brunswick.

Hij had het niet altijd gemakkelijk. Wellicht ging het hemzelf nog wel voorspoedig, maar hij had het er moeilijk mee dat zijn vrouw last had van lichte depressies, terwijl hij betrekkelijk vlakbij haar op de kazerne was. Bij een van de gesprekken met zijn meerderen werd vastgesteld, dat het misschien beter was dat hij snel vanuit Canada naar West-Europa zou worden overgebracht, zodat hij niet langer het gevoel had ‘zo dichtbij en toch zo ver weg’ te zijn van zijn vrouw.

In het voorjaar van 1944 had Robby een paar keer de gelegenheid om tijdens zijn verlof zijn vrouw op te zoeken. Zij raakte zwanger. Waarschijnlijk wist hij dat, toen hij op 25 juni werd overgevlogen naar Engeland, om een maand later naar het front in Frankrijk te worden verscheept.

Anna schreef hem trouw – soms wel twee keer in de week. Robby bewaarde de brieven bij zijn privéspulletjes.

De eerste dag aan het front viel hem zwaar. Aan het eind van de eerste dag viel hij uit vanwege uitputting (battle exhaustion).

Twee maand later werd hij bestraft, omdat hij afwezig was zonder verlof. Dat leverde hem een ‘ernstige reprimande’ op en kostte hem één dag soldij (Can$1,50).

In oktober 1944 viel hij opnieuw uit. Nu was hij ziek. Hij kwam niet terug bij de RHLI, hij werd in december van dat jaar overgeplaatst naar de militaire politie, 11 Canadian Provost Company. Die functie bleef hij behouden tot het eind van de oorlog in mei 1945 en ook daarna nog bij het Canadese bezettingsleger in Noord-Duitsland.

Op de laatste dag van 1944 kreeg hij mooi nieuws. Robby was vader geworden van een gezonde zoon: Donald Herbert Robertson was geboren op29 december 1944. Donald jr zou zijn vader nooit kennen.

Een jaar later, aan het eind van 1945 was Robby gestationeerd aan de Bahnhofstrasse in Varel in Noord-Duitsland. Hij deelde zijn kamer met twee collega’s: lance corporal Turnbull en lance corporal Watson.

Robby had sinds een paar maanden kennis aan een vrouw van het Canadian Women’s Army Corps, Jeannie Carbone, die – zo wist een van zijn maten – eind 1945 het ziekenhuis lag. Wat er precies speelde tussen Robby en Jeannie bleef ook later onduidelijk, maar op de een of andere manier was Robertson er niet altijd met zijn hoofd bij. Op enig moment had Robby aan zijn maat lance corporal G. Turnbull gezegd dat hij moeilijkheden met haar had. Robby’s meerdere, die een goede indruk van hem had, merkte op dat Robby de laatste tijd snel geïrriteerd en heetgebakerd was – hij was niet goed gestemd, leek het.

Het was laat geworden op oudejaarsavond. Turnbull keerde als laatste van de drie op drie uur ’s nachts terug in zijn kamer. Robertson en Watson sliepen al. De volgende ochtend was Watson als eerste wakker. Hij stond rond negen uur op. Nadat hij zich had opgefrist en gekleed, verliet hij de kamer. Pas tegen half twaalf kwam hij terug.

“Kijk Louise. Dit wapen doet niemand kwaad.”

Turnbull was om half elf wakker geworden. Hij ging naar het verblijf van private Louise Coombes, (Canadian Women’s Army Corps) en vroeg haar mee te gaan naar zijn kamer.

Tegen de tijd dat Turnbull met Coombes terugkwam in de kamer, werd Robertson wakker. Hij stond op, ging naar de badkamer, friste zichzelf op en keerde terug in de kamer. Coombes, Turnbull en Robertson praatten over ditjes en datjes. Toen Watson de kamer inkwam, waren de drie gezellig aan het kletsen. Watson ging naar zijn bed en ordende zijn kleren, die hij wilde opruimen. Hij vond dat de radio wat luid stond en bovendien vond hij de muziek niet de moeite waard. Hij draaide aan de zenderknop op zoek naar betere muziek.

Ondertussen had Robertson zijn pistool, een Browning 9mm, gepakt. Hij liet het wapen rond zijn vinger draaien, haalde het magazijn eruit, en deed het er weer in. “Kijk Louise”, zei hij. “Dit wapen doet niemand kwaad.”

Wat er daarna gebeurde kon niemand naderhand bevatten. Robertson zette het wapen tegen zijn rechterslaap en haalde de trekker over. De kogel doorboorde zijn schedel, raakte de wand van de kamer vlak bij het plafond, ketste terug en viel neer vlak naast Robertson op de grond.

“Corporal Knowles, that damn fool Robby just shot himself!”

Louise Coombes liet zich op haar bed vallen en draaide zich om. Ze wilde Robertson niet zien. Turnbull rende de kamer uit en waarschuwde corporal Knowles. “Corporal Knowles, that damn fool Robby just shot himself”, riep Turnbull.

Watson had gehoord wat er gebeurde, maar hij was te druk met de radio om iets gezien te hebben. Hij stond verschrikt op. Hij zag Robertson op de grond vallen.

Robertson lag op zijn buik, zijn gezicht naar rechts gedraaid. De schotwond in zijn slaap was duidelijk te zien. Een plas bloed vormde zich om zijn hoofd.

Situatieschets van de kamer waar het schietongeluk plaats had. Bron:Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27441

Watson rende naar beneden, net als Turnbull. Watson liet iemand de hospik bellen. Hij rende weer naar boven, zag dat iemand bij Robertson was. Rende weer naar beneden om een noodverband te halen en spoedde zich naar boven om het aan te brengen.

De dokters waren er snel. Zij legden een infuus aan om Robertson bloed toe te dienen.

Turnbull zag dat Louise Coombes volledig verschrikt op het bed lag. Hij stelde haar gerust en bracht haar terug naar haar eigen kamer.

Robertson werd naar het ziekenhuis gebracht, maar hij was niet te redden. Om tien over vier ’s middags werd zijn dood vastgesteld.

Waarom hij zich door het hoofd had geschoten bleef een raadsel. Niemand vond dat hij zo’ n neerslachtige indruk maakte dat hij tot zelfmoord in staat was. Hij had die signalen niet afgegeven. De thuissituatie gaf er ook geen aanleiding toe. Het stapeltje brieven van zijn vrouw werd geïnspecteerd – niets wees er op dat Robby in de put zat of dat er familieproblemen waren.

De conclusie was dat Robertson, in de veronderstelling dat zijn wapen ongeladen was, de trekker had overgehaald. Zijn dood werd officieel geregistreerd als: overleden aan de gevolgen van een schiet-ongeluk.

Het graf van ‘Robby’ Robertson op de Canadese begraafplaats in Holten.  Bron : Online-begraafplaatsen.nl

Robby’s vrouw Anna Robertson kreeg de nalatenschap, waaronder een harmonica in een koffer, 9 Duitse munten, 8 Duitse badges en natuurlijk de brieven en foto’s die hij zou trouw had gewaard.

Anna hertrouwde met Roy Hope. Robby’s enige zoon Donald Herbert trouwde met Patricia Moore. Zij kregen twee zoons en drie dochters. Donald Herbert stierf in juli 2017 op 72-jarige leeftijd.

Donald Oscar (Robby) Robertson werd tijdelijk begraven in Oosterscheps (Duitsland). Hij kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten. Plot 7, rij A, graf 14.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Het huwelijk van Richard Baker met Elizabeth ging niet door

Voor Richard Carey Baker verliep de tijd die hij in het leger doorbracht eigenlijk heel voorspoedig. Hij was ingedeeld bij het hoofdkwartier van de 3e Canadese infanteriedivisie als chauffeur.

Richard Baker. Bron: Archief Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

De op 1 februari 1922 geboren Baker uit Woodstock (New Brunswick) had tot hij in dienst ging als botermaker gewerkt bij de zuivelfabriek General Dairies in zijn woonplaats. Hij hield van schaatsen, zwemmen, honkbal en ijshockey – zoals elke gezonde Canadese jongen van zijn leeftijd.

Thuis had hij het niet gemakkelijk. Zijn vader was al jong (op zijn 46e in 1927) overleden. Eigenlijk was zijn vader de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog nooit te boven gekomen, zou zijn moeder later zeggen.

Chris Vokes (rechts) bij de Duitse plaats Sögel. Vokes was de majoor-generaal die door Richard Baker werd rondgereden. Bron: Library and Archives; Foto Capt. Alex M. Stirton / Canada. Dept. of National Defence PA-159242

Baker was een prettige, nette, betrouwbare vent, die op zijn plek was in de functie van chauffeur. Die rol kreeg hij al in mei 1941 en zou hij houden tot het eind van de oorlog – en daarna ook nog. Hij reed in 1945 als chauffeur met majoor-generaal Chris Vokes, die de leiding had over de 3e Canadese infanteriedivisie.

Baker schreef brieven aan zijn zuster Dorothy en zijn moeder Ruby Baker. Tot januari 1944. Toen stokte opeens de brievenstroom. Zijn moeder maakte zich ongerust toen ze na een half jaar nog steeds geen bericht had gehad. Brieven bleven onbeantwoord, er kwam geen reactie op toegezonden pakketjes en sigaretten. Ze stuurde een brief naar het ministerie van defensie. “Hij schreef altijd regelmatig tot 6 januari 1944. Sindsdien hebben noch zijn zuster, noch ik iets van hem gehoord”, schreef zijn moeder. “Kunt u me iets laten weten over zijn verblijfplaats?”

Het dossier van Baker geeft niet prijs of er een antwoord is gekomen op de brief van ma Baker. Maar het is zeker dat er met haar zoon nog niets mis was. Hij was inmiddels gepromoveerd van trooper tot lance corporal. Op 24 juli 1944 werd hij vanuit Groot-Brittannië verscheept naar Frankrijk.

Richard wilde trouwen, maar het huwelijk ging niet door.

Richard ontmoette in het najaar van 1944 in België een meisje op wie hij smoorverliefd werd. Elizabeth DeLie uit Putte-Kapellen en hij waren zo verkikkerd dat ze serieuze trouwplannen hadden. Na negen maand vroeg Baker officieel toestemming bij de militaire autoriteiten om met Elizabeth te trouwen. De vader van Elizabeth had al ingestemd. Major-general Vokes gaf persoonlijk toestemming voor het huwelijk. Maar het kwam er niet van. “Huwelijk had niet plaats”, staat in een aantekening op het officiële certificaat waarin toestemming voor het huwelijk werd gegeven, dat zich in het dossier van Baker bevindt.

De jaarwisseling van 1945/1946 werd uitbundig gevierd. Het was de eerste jaarwisseling zonder oorlog in zes jaar. Een dik uur nadat het nieuwe jaar was ingegaan gaf captain H.W. Mulherin toestemming aan Vokes’ chauffeur om met een aantal mensen naar Bad Zwischenahn te rijden.

Baker heeft zijn passagiers afgezet in Bad Zwischenahn en is in de zwarte Maybach Sedan weer terug gereden over de provinciale weg in de richting van Oldenburg, waar de officiersmess was. Net voorbij Haarenstroth, een dorpje ten westen van Bad Zwischenahn op de regionale weg naar Oldenburg, raakte Baker met zijn auto van de weg. Hij botste aan de linkerkant van de straat frontaal tegen een boom.

Even na drie uur zag major G.J.W. Proctor de auto aan de kant van de weg staan, toen hij samen met captain Blackstone terugkwam van een nieuwjaarsfeest in de McNaughton Club in Oldenburg. “De auto stond aan de verkeerde kant van de weg, koplampen aan en geheel gesloten”, verklaarde Proctor later. “Ik kon voeten en benen van een soldaat zien liggen onder het stuurwiel. Nadat ik een ruit had ingeslagen ontdekte ik het lichaam van een soldaat liggend over de stoelen. Ik herkende hem als Richard Baker. Ik voelde geen polsslag meer, maar zijn pols was nog warm. Hij ademde niet. Ik nam aan dat hij dood was.”

Proctor sloot de auto af, en keek samen met Blackstone of er verder iets op de weg lag dat te maken kon hebben met het ongeluk. Ze verlieten de ongevalsplek om een telefoon te zoeken. Zij informeerden de militaire autoriteiten.

Schets van corporal Kitchen van het ongeval op de weg van Bad Zwischenahn naar Oldenburg. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25372

Corporal F. Kitchen was een uur later ter plekke. Hij stelde een onderzoek in. Hij zag dat de Maybach Sedan aan de voorzijde bijna een halve meter ingedeukt was. De auto stond nog in de hoogste versnelling. Hij zocht naar slip- of remsporen, maar vond ze niet.

Het onderzoek naar de dood van Baker mondde uit in de conclusie dat hij als gevolg van een tragisch ongeval was omgekomen.

Drie dagen later, op 4 januari 1946, werd Baker begraven. Hij kreeg een rustplaats op de tijdelijke begraafplaats in Oldenburg. Een groot aantal van zijn kameraden woonde de begrafenis bij, er werden kransen gelegd, een eresaluut gegeven en een kruis op het graf gezet met Bakers naam en voorletters, zijn nummer en rang.

Major General Vokes schreef een brief aan Bakers moeder, om haar zijn medeleven te tonen. Hij schreef dat Baker een goede jongen was. Niet voor niets was Richard “Mentioned in Despatches for distinguished service”, schreef majoor A.C. Chadwick in een brief aan moeder Ruby Baker.

Ruby had het zwaar. Ze schreef ettelijke brieven om het geld te krijgen dat haar kennelijk nog toekwam. Mijn man is overleden en ik ben zelf niet in staat te werken, schreef ze. Ze had het geld van haar overleden zoon hard nodig om rond te komen. “Hij aarzelde niet het leger te gaan, net als zijn vader dat in de Eerste Wereldoorlog heeft gedaan”, schreef ze. “Zijn vader Hartley S. Baker overleed vlak na de Eerste Wereldoorlog, nooit helemaal hersteld van de gevolgen ervan. Waarom laat u me langer wachten en houdt u mijn zoons geld vast?”, vroeg ze. Ze vreesde dat ze bij de gemeente voor hulp moest aankloppen, als het leger niet over de brug zou komen.

Graf van Baker. Bron: Archief Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten.

Bakers lichaam werd later overgebracht naar de Canadese begraafplaats in Holten, waar hij zijn definitieve rustplaats kreeg: Plot 7 rij H graf 5.

©2018 Jan Braakman

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25372

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Arthur Jeffrey sneuvelde op Tweede Kerstdag

Op 5 maart 1945 doopte Eleanor Jeffrey de pen in de inkt. Het had nu lang genoeg geduurd, vond ze. Sinds Kerst 1944 had ze niets meer gehoord. Hoe zat het met al de spulletjes die zij en haar vijf jarige dochtertje nog tegoed hadden van haar man Arthur Francis Jeffrey?

Arthur Francis Jeffrey, tabakswerker uit Montreal, gehuwd met Eleanor en vader van Anne Carol, werd in september 1939 gerecruteerd voor het Canadese leger. Hij werd in 1940 opgenomen in de rangen van het Royal Highland Regiment of Canada (Black Watch).

Elanor herinnerde hoe haar man het leger in was gegaan, op de eerste dag van september 1939. En vanaf die dag was hij steeds in uniform geweest, schreef ze. Eerst was hij een paar maanden gelegerd geweest bij het

Armoury van de Black Watch in Montreal. Bron: Wikipedia

Soulanges Canal, in de buurt van Quebec (Canada). Daarna kwam hij terug naar zijn woonplaats Montreal, waar hij werd gelegerd in de Armoury van de Black Watch in Bleury Street. De dag na kerst 1939 vertrok hij naar Toronto. In mei van het volgende jaar verplaatste zijn bataljon naar Valcaltier, om vandaar met de boot naar New Foundland te gaan.

Na een paar maanden oefeningen in New Foundland kwam Arthur weer terug naar het Canadese vasteland, om in augustus van hetzelfde jaar verscheept te worden naar Schotland. Hij zou nooit meer thuis komen. Hij zou zijn dochter niet zien opgroeien.

Op 5 juli 1944 werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk verscheept naar het front in Frankrijk. Veertien dagen later liep hij zijn eerste verwonding op, bij de Franse plaats Ifs ten zuiden van Caen, waar zijn regiment onder zwaar granaat- en mortiervuur kwam te liggen. Hij werd teruggebracht naar Engeland waar hij in het ziekenhuis aan zijn verwondingen werd behandeld.

In november was hij zover opgeknapt dat hij weer kon deelnemen aan de gevechten. Hij ging terug naar zijn regiment, dat op dat moment in Walcheren verbleef. Het was een periode van betrekkelijke rust na de zware gevechten die in oktober hadden gewoed om de toegang tot de haven van Antwerpen en de Schelde. De soldij was uitbetaald en veel soldaten probeerden souvenirs te vinden voor hun geliefden thuis. De troepen kregen nieuwe uniformen. En Arthur Jeffrey werd gepromoveerd tot Corporal. 

Een paar weken later, op 16 december zat hij met zijn compagnie in een loopgraaf ten zuiden van Groesbeek en ten oosten van Mook bij het dorpje Riethorst, toen ze plotseling door Duits geschut onder vuur werden genomen. Aanvankelijk vreesden de troepen dat een gerichte aanval werd uitgevoerd, maar later bleek dat het ‘gelukstreffer’ van de Duitsers was geweest. Jeffrey raakte echter opnieuw gewond – al was het deze keer niet zo ernstig dat hij naar het ziekenhuis moest.

In de dagen daarna vierden de troepen de voorbereidingen op Kerst met de lokale bevolking. Er werden filmvoorstellingen voor de kinderen georganiseerd en voor de troepen werden kerkdiensten gehouden op Eerste Kerstdag – een voor de katholieken en een voor de protestanten.

Een dag later lag Jeffrey opnieuw onder vuur. En deze keer was hij op slag dood: gesneuveld op Tweede Kerstdag. “Zijn dood kwam als een verschrikkelijke schok en en nauwelijks te dragen”, schreef zijn vrouw een paar maanden later aan Lt-Col Knox. “Hij was zo vaak gewond geraakt in december en toen was hij bijna gedood op Eerste Kerstdag en vervolgens sneuvelde hij op Tweede Kerstdag.”

Brief van Eleonore aan Lt-Col Knox van de Black Watch. De brief werd pas na maanden bezorgd. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

“Hij was al verschillende keren gewond geraakt en zou eigenlijk al naar huis moeten komen – vijf jaar is te lang voor iemand om van huis te zijn.”

Eleanor schreef dat ze “zeer, zeer verbitterd was, dat hij nooit thuis was geweest voor verlof – zelfs niet voor alleen maar 30 dagen. Hij had het zeker verdiend. Hij laat een grote kleine dochter na, die nog maar vijf jaar oud is, die voortdurend praat over haar vader die thuis zal komen. Wat jammer, wat verdrietig voor een kind om vaderloos achter te blijven.”

De spulletjes die Jeffrey had gekocht, kwamen uiteindelijk toch op de bestemde plek terecht, al ging er driekwart jaar overheen. Hij had souvenirs gevonden en bewaard: een lepel en een vork.

Jeffrey (hij stierf op 31-jarige leeftijd) kreeg zijn laatste rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Groesbeek: 1 C 16.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Jimmy Thomas: van Monte Cassino naar Holten

Jimmy (James Oliver) Thomas was in mei 1944 in Italië krijgsgevangen gemaakt, ruim drie maand nadat hij vanuit het Verenigd Koninkrijk daar naartoe was verscheept.

Toen Jimmy dertien was ging hij van school, om zijn moeder te helpen op de boerderij na het overlijden van zijn vader. Hij kwam uit een gezin met negen kinderen: hij had zeven broers en één zus. Twee van zijn broers, Roney en Allan, waren ook in het Canadese leger.

Thomas was op 4 juli 1912 geboren in St Peters, Manitoba. De boerenzoon toonde zich bereid om alles aan te pakken wat hem werd aangeboden, Natuurlijk kende hij het boerenwerk. Maar hij werkte ook in een lokale garage, deed seizoenswerk, was als hulp in dienst bij een loodgieter, hielp bij het bouwen van huizen en werkte in de mijnen in Ontario en Manitoba.

In mei 1943 diende hij zich aan bij het leger. Zijn moeder was inmiddels niet meer van hem afhankelijk. In december 1943 werd hij verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij meer dan een jaar voorbereidende oefeningen deed tot hij in februari 1944 werd verscheept naar Italië.

Op 23 mei stond het regiment waar Thomas bij diende, de Seaforth Highlanders, klaar om een doorbraak te forceren in noord-westelijke richting bij Monte Cassino.

De hooggelegen stad Monte Cassino lag aan het eind van de Liri-vallei. Franse en Amerikaanse troepen hadden al vanaf februari tevergeefs geprobeerd Monte Cassino te veroveren.

De situatie rond Monte Cassino op 23 mei 1944. Bron: Report No. 121 of the Historical Offr, CMHQ, concerning Cdn Operations in the Liri Valley, Italy, May – Jun 44. Klik op kaart voor het volledige rapport.

De rivier de Ortona en de rivier Garigliano waren lastig te nemen obstakels. Daarbij kwam dat de Duitsers zware defensieve stellingen hadden opgebouwd.

Op 15 februari 1944 werd een luchtaanval op Monte Cassino uitgevoerd, maar de geallieerde troepen slaagden er niet in de strategische positie in te nemen. In maart volgde een tweede offensieve golf, en opnieuw was de poging tevergeefs.

In april en mei werd een nieuwe strategie voorbereid, waarbij de Duitse vijand op het verkeerde been werd gezet. Het leek alsof een grootscheepse landing aan de westkant van de laars van Italië werd opgezet. De Duitse legerleiding hield een aantal divisies achter de hand om de invasie te kunnen tegenhouden. Dat was precies het doel van de geallieerden.

Ondertussen werden zeven geallieerde divisies opgebouwd om de doorbraak te forceren op land. De Duitsers hielden er echter ernstig rekening mee dat ze geconfronteerd werden met een schijnaanval en dat de echte aanval in hun rug aan de kust zou komen.

Detail uit bovenstaande kaart. Pijlen met doorgetrokken lijnen geven de opmars van Britse en Canadese troepen aan, stippellijnen met pijl betreffen de opmars van de Poolse troepen. Bron: Report No. 121 of the Historical Offr, CMHQ, concerning Cdn Operations in the Liri Valley, Italy, May – Jun 44.

Hoewel op 23 mei 1945 met eenovermacht aan troepen een doorbraak tot stand kwam, liep het niet overal gesmeerd. De Seaforth Highlanders trokken samen met Princess Patricia’s Canadian Light Infantry en het tankregiment North Irish Horse ten aanval. Aanvankelijk werd goede progressie gemaakt, maar op een gegeven moment liep de aanval spaak. Mijnenvelden belemmerden de opmars van de tanks. Het zicht was beperkt door mist, rook en het stof dat door de strijd opwaaide. Het was moeilijk de situatie precies te doorzien. De Seaforth Highlanders leden grote verliezen. De vijand hield de aanval voorlopig tegen.

De tankslag werd uiteindelijk gewonnen, ondanks zware verliezen bij de Britten. Tegen 10 uur in de ochtend werd de Duitse linie doorbroken en een aantal vijandelijke tanks vernietigd.

Aan het eind van de dag waren meer dan 500 Duitse officieren en soldaten gevangen genomen, en een vergelijkbaar aantal tegenstanders was gedood. Maar aan Geallieerde kant waren de verliezen ook hoog. Vooral de 2nd Canadian Infantry Brigade waartoe ook de Seaforths behoorden, hadden het zwaar te verduren gehad. Achttien officieren en 495 anderen raakten vermist of gewond of waren gedood.

Aan eind eind van de dag bleek Jimmy Thomas vermist. Lang was onduidelijk waar hij gebleven was – zijn lichaam werd niet gevonden. Hij werd bij de vermisten geteld.

In augustus 1944 kwam de bevestiging dat Thomas krijgsgevangen was gemaakt en inmiddels was overgebracht naar Stalag VIIA in Moosburg. Zijn krijgsgevangenennummer: 131885.

Jimmy’s dossier bevat verwijzingen naar drie verschillende plaatsen van overlijden en vier verschillende begraafplaatsen. Hij is in het militair hospitaal in Thannhausen (Beieren) overleden en uiteindelijk in Holten begraven.

In het voorjaar van 1945 werden de Duitse krijgsgevangenenkampen ontruimd, vanwege de opmars van geallieerde en Russische troepen. Jimmy Thomas moest met zijn maten op transport – lopend en onder erbarmelijke omstandigheden. Eind april 1945 kwam de groep in Ettringen (Beieren) aan, waar ze werden bevrijd door de Amerikanen.

In de roes van de feestvreugde trof Thomas een triest lot. HIj deed zich – naar later bleek – tegoed aan drank van dubieuze kwaliteit, met het giftige methyl-alcohol. Hij ging nog naar het Amerikaanse hospitaal in Thannhausen, maar hulp kwam te laat. Hij overleed aan de vergiftiging en werd samen met zijn landgenoot Steve Motkaluk tijdelijk begraven in Reutti (Beieren, Duitsland).

Jimmy’s moeder kreeg in augustus 1945 nog een foutieve brief van de legerleiding dat Jimmy op 2 mei in het Middellandse Zeegebied (Mediterranean Theatre of War) om het leven was gekomen. In november van dat jaar schreef Margareth Thomas, de moeder van Jimmy, een brief aan het ministerie van defensie, waaruit blijkt dat zij wist dat Jimmy krijgsgevangen was gemaakt en werd vastgehouden in Stalag VIIA. Margareth vraagt in die brief hoe het staat met de nalatenschap van haar zoon, en ze wilde ook weten waar haar zoon was begraven.

In het dossier van Thomas bevindt zich een document (gedateerd 15 november 1945) waarin staat dat hij als gevolg van alcoholvergifiting in Nederland is overleden op 2 mei en dat hij in het Groningse Wirdum is begraven. Het is onduidelijk waarop dat document is gebaseerd. Mogelijk is Jimmy’s stoffelijk overschot vanuit Reutti overgebracht naar Wirdum.

In elk geval kreeg hij samen met Steve Motkaluk en vier anderen die ook door het giftige methyl-alcohol waren overleden, een laatste rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in Plot IV, rij E, graf 11. Daar is hij op 4 juni 1948 begraven.

©2017 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.