Donald Morrison, gesneuveld vlak voor het eind van de oorlog

Donald Morrison and Nan Swinton kenden elkaar amper anderhalf jaar, toen ze in december 1943 besloten te trouwen.

Donald as a young child at Silver Mine, his grandfather Donald MacDonald’s farm. Bron: Wendy MacDonald

Donald was geboren als zoon van Schotse ouders die met hun ouders naar Canada waren geëmigreerd. Hij had drie zussen die nog bij zijn ouders woonden in Sydney, Nova Scotia, Canada. Zijn vader werkte in de haven: laden en lossen.

Morrison ging in dienst op 1 mei 1942 in de plaats New Glasgow in Nova Scotia. Daarvoor was hij werkzaam geweest als monteur van koelinstallaties en airconditionings. De Schots-Canadese Donald vertrok in juli 1942, twee maand nadat hij in het leger was gegaan, al naar Europa, waar hij in de buurt van het Schotse Glasgow bij het 17th Duke of York (Royal Canadian) Hussars Regiment was gelegerd.

Donald Morisson en Nan Swinton op hun huwelijksdag. Bron: Stewart Swinton

Vlak daarna kwam hij in contact met Nan Swinton, die voluit Agnes Edward Fyffe Swinton heette. Zij was dochter van een politieman in Glasgow. Ze werkte als typist bij de luchtmacht (Women’s Auxiliary Air Force). Zij was vier jaar jonger dan Donald. Ze trouwden op 23 maart 1944. Drie maand later werd hij verscheept naar Frankrijk, waar hij werd ingezet bij de bevrijding van het Europese vasteland.

Cpl Donald Morrison; Oct. 5, 1920- May 4, 1945. Bron: Wendy MacDonald

Zij schreef hem regelmatig, en hij haar. Een van haar brieven hield hij constant bij zich, had hij geschreven aan zijn Nan. Dinsdag 1 mei 1945 pakte Nan haar vulpen en een luchtpostvel van het leger om haar ‘Donny’ te schrijven. “Behalve dat ik constant naar je verlang, mijn liefste, voel ik me top; iedereen is in goed humeur (ik ben geen uitzondering) en vraagt zich af hoe lang de Mof het volhoudt tegen ons. Liefste, ik weet zeker dat we niet veel langer ver van elkaar zullen zijn. Ik verlang er wanhopig naar voor altijd bij je te zijn, dat je me thuis alle plekken laat zien . . . om gewoon ‘de heer en mevrouw’ te zijn.”

Ze sloot haar brief af met: “Ik zie je snel liefste Donny. God bless you my own, your ever loving wife. Nan.”

Het was haar laatste brief aan hem. En waarschijnlijk heeft hij hem nooit gelezen. Cpl Donald Morrison sneuvelde drie dagen nadat Nan haar lieve woorden had geschreven.

In de war diary van zijn regiment is beschreven hoe Morrison om het leven kwam. “As a patrol approached the bridge at MR 998410 it was blown and the enemy opened fire from across the Ems-Jade Canal. In this skirmish Cpl Morrison was killed and Sgt Dabbs later died of wounds. At 1430 hrs an envoy under a flag of truce, purporting to be from the garrison comdr at Aurich was conducted to 8Cdn Inf Bde H. The Squadron [A] was ordered not to cross the canal.”

Cpl Morrison werd dodelijk getroffen in schermutselingen die ontstonden nadat de Duitsers een brug over het Ems-Jadekanaal hadden opgeblazen. Sgt Harold Dabbs, werd zo ernstig verwond, dat hij later aan zijn verwondingen overleed.

Vlak daarna kwam een Duitse gezant met een witte vlag namens de garnizoenscommandant van de vijand in Aurich. Daarop werd besloten het kanaal niet over te steken. Enkele uren later kwam het bericht dat een wapenstilstand tussen Duitsland en de geallieerden zou zijn overeengekomen.

Morrison werd tijdelijk begraven bij de kerk in het plaatsje Aurich (Duitsland). Een paar dagen later was de oorlog in West-Europa definitief voorbij.

Nan ging in 1945 naar Canada, om de ouders van haar geliefde Donny te ontmoeten. Ze besloot in Canada te blijven en hertrouwde later met William Eden. Ze overleed in 1999.

In maart 1946 werden Donalds stoffelijke resten in Aurich opgegraven en herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Holten. Donald Morrison ligt in plot XII, rij A, graf 2.

Bronen: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26659; Wendy MacDonald; Stewart Swinton

© 2019 Jan Braakman

Een militair echtpaar begraven in Holten

Dat een echtpaar begraven is op een militaire begraafplaats is uitzonderlijk, zo niet uniek. Op de Canadese begraafplaats in Holten ligt het echtpaar Brewster begraven. Edward John Brewster en Winifred Lilian Wright trouwden op 26 januari 1946 in Edmonton, Middlesex in Engeland.

Hij kwam uit Lakeview, Ontario. Hij had verschillende baantjes gehad voor hij in dienst ging, waarvan de laatste als bezorger van telegrammen. Hij woonde samen met zijn twee zussen Marjorie en Ethel bij zijn ouders.

Zij was geboren in Windsor, Ontario. In 1932 ging ze als zevenjarig meisje met haar ouders mee naar Engeland, waar haar vader onderhoudsmonteur was. Winifred trad in november 1943 in dienst bij het Canadian Women’s Corps.

Winifred en Edward leerden elkaar naar eigen zeggen kennen in het voorjaar van 1943. Edward maakte deel uit van het Royal Canadian Ordnance Corps, de eenheid die zorgde voor de uniformen, de wapens en ander spullen die de militairen nodig hebben. In 1946 was hij ‘wireless operator’ bij zijn eenheid.

Webster was nog maar zestien toen hij zich in 1942 aanmeldde bij het leger.  Eigenlijk te jong. Maar hij zei dat hij al achttien was.  Hij gaf 1924 als geboortejaar op in plaats van 1926.

Winifred Brewster-Wright. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Edward, Winifred en een vriendin in Apeldoorn. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Hij werd in 1943 verscheept naar Engeland, waar Winifreds vader woonde. In  april 1944 moest hij naar het ziekenhuis, vanwege een oude verwonding aan het hoofd die op de zenuwen leek te werken.  Toen bleek dat hij zich ouder had voorgedaan dan hij werkelijk was. “Onvolwassen”, werd in zijn dossier genoteerd.

Vlak voor het einde van de oorlog in april 1945, werd hij naar het Europese vasteland overgebracht met zijn eenheid. Daar verleende hij ondersteunende werkzaamheden in Nederland en later in Noord-Duitsland.

Op 15 april 1946 moest Edward een opdracht uitvoeren. Hij kreeg toestemming Winifred mee te nemen. Zij had vrij en wilde graag van de gelegenheid gebruik maken om haar tante te bezoeken, die in Meldorf, vlak bij Hamburg woonde. Ze kregen de jeep mee van Captain Surry.

Op de terugweg, op de avond van de 15e april 1946. ging het mis. Een gedeelte van de weg tussen Hamburg en Bremen was in gebruik als opslagplaats van legervoertuigen. Kennelijk zag Edward niet de verkeersborden die aangaven dat de rijbaan naar links was verlegd, vanwege de geparkeerde voertuigen aan de rechterkant.

De jeep waarin Edward en Winifred zaten botste frontaal op de voorste van een aantal DUKW-amfibievoertuigen die deels op de rijbaan stonden.

Een getuige was snel ter plekke. Hij zette het gecrashte voertuig in het licht van zijn koplampen. Hij zag dat beide inzittenden er ernstig aan toe waren. Hij reed naar de dichtstbijzijnde telefoon en liet een legerambulance komen.

Hulp kwam echter te laat. De verwondingen van Edward en Winifred waren dodelijk. Toen ze met de ambulance in het militaire ziekenhuis in Hamburg arriveerden, waren ze al overleden.

Graven van Winifred en Edward Webster vlak na de teraardebestelling. Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War; War Dead, 1939-1947.

Amper drie maanden na hun huwelijk waren ze beiden op dezelfde dag omgekomen. Winifred en Edward zijn op 16 april 1946,  een dag na hun overlijden, begraven op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot 10, rij H, graven 7 en 8.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Het oor was genezen, het hart gebroken

Russ Sutton leek nog wel plezier te hebben in het leven. Eind december 1945 kwam hij uit het ziekenhuis. Een maand had hij daar gelegen: van 28 november tot 28 december. Hij had een middenoorontsteking gehad en zijn neusamandelen waren verwijderd. Hij moest voor controle wel terugkomen bij de dokter.

Russ maakte deel uit van het 2/203rd Inf. Ordnance Sub. Park, 
Royal Canadian Ordnance Corps.

Op oudejaarsavond 1945 danste hij samen met zijn maten het jaar uit. Tegen twee uur ’s nachts werd hij nog opgemerkt. Hij stond aan de bar, alleen, te kijken naar de dansende soldaten.

De volgende dag fietste Heinrich Suhr vanuit Zwischenahn naar Oldenburg. Heinrich had een nieuwjaarsbezoek aan zijn ouders gebracht. Op de terugweg zag hij iets donkers liggen in de greppel langs de Stichstrasse. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat het een geallieerde soldaat was. Hij zag dat de man ernstig verwond was aan het hoofd. Tegen diens hoofd lag een .303 Lee Enfield geweer. Hij was dood, zelfmoord.

De plek waar Sutton gevonden werd (aangegeven met een rode x). Bron: Library and Archives Canada; Service Files of the Second World War- War Dead, 1939-1947; Volume 27150

Het duurde een tijdje voordat duidelijk was dat het ging om Russ Sutton. De verwondingen waren zo ernstig, dat hij niet meteen werd herkend.

In zijn persoonlijke spullen werd een briefje gevonden:

Aan iedereen

2/203 S/P

Dec 31/45

Ik ben heel ongelukkig. God bless you all.

Russ

Mijn geld en alles gaat naar mijn moeder.

Russ had de laatste tijd aan zijn naaste collega’s laten weten dat hij er genoeg van had kok te zijn in het Canadese leger. Het liefst ging hij weer naar huis.

In zijn spullen werd een brief gevonden van zijn vriendin, die hij waarschijnlijk had ontvangen tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis. Met kerst had hij geen bezoek gehad van zijn collega’s, wat hem teleurstelde. En de brief van zijn vriendin deed hem misschien ook geen goed. Zijn oren waren hersteld, maar wellicht was zijn hart gebroken.

17 december 1945

Lieveling,

Ik voel me vannacht zo verlaten, dat ik niet weet wat ik met mezelf moet doen. Ik weet niet waarom – het is gewoon zo. Ik maak wel een beetje lol in de weekends, maar dat lijkt niets uit te maken. Ach ja, ik raak deze stemming ook wel weer kwijt.

Het lijkt aslof jij je vermaakt in Europa, afgezien van de korte episode in het ziekenhuis, die niet ernstig was (en dan denk ik niet aan de laatste keer dat jij in het ziekenhuis was). Ik heb er nooit aan gedacht, totdat jij het noemde.

In die nacht van 17 november, toen jij gin met sinaasappelsap dronk, was ik bij het ballet en genoot ik van Graziani, Aleko an Princes Aurora. Het was prachtig en ik dacht “als mijn ‘man’ eens bij mij was.”

[…]

Ik heb een paar affaires gehad sinds de laatste keer dat ik je schreef, maar net als die van jou zijn ze voorbij en vervlogen. Er is iemand – een echte man – die ik elke week zie en met wie ik een heerlijke tijd heb, maar er is verder niets met hem.

Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde.

Hij heeft geen gevoelens voor mij, omdat hij een man is die niet lief heeft. Het is pure seks, maar ik verlang naar echte liefde. Kun je dit begrijpen? En als je het begrijpt wil je dan genereus zijn, en niet boos op me? We hebben elkaar beloofd dat we eerlijk zouden zijn, of niet?

[…]

Het wordt al verschrikkelijk laat en ik moet weer zo vroeg op morgenochtend dat ik deze korte brief hier eindig. Ik wens je een heel, heel, heel fijn Kerstmis en ik hoop dat je de volgende kerst thuis kan doorbrengen.

Pas op jezelf en zorg dat je uit het ziekenhuis komt.

Liefs

C[…].

Russ werd tijdelijk begraven bij een groepje boerderijen in Osterscheps.

Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten plot VII. rij A. graf 6.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Nieuwjaarsdag eindigt in onthutsend incident

1 januari 1946. De eerste nieuwjaarsdag na het einde van de oorlog. Het zou een mooie dag moeten worden, een dag om nooit te vergeten. Maar het liep anders voor de collega’s van Donald Oscar Robertson. Het werd geen mooie dag – maar een trieste onthutsende dag. Een dag die ze nooit zouden vergeten.

Private Donald Oscar Robertson, ‘Robby’ voor zijn maten, was geboren op 11 juni 1924 in het dorpje Ripples (New Brunswick, Canada). Hij kwam uit een gezin met zes zusters en één broer. Ze werkten op de boerderij van hun vader. Moeder Robertson was al overleden, toen Robby in 1940 het leger in ging. Robby’s één jaar oudere broer Chester was ook in dienst van het Canadese leger.

Robby’s carrière liep voorspoedig. Hij werd aanvankelijk ingedeeld bij bij het North Shore Regiment. Later kwam hij terecht bij de Royal Highland Light Infantry. Hij promoveerde van private tot lance corporal en vervolgens tot corporal. Maar hij liet zich op eigen verzoek weer in de rangen terugplaatsen naar private, om later toch weer te promoveren tot lance corporal – maar dat was pas begin 1945.


Vlak nadat hij in 1943 als negentienjarige tot corporal was gepromoveerd kreeg hij toestemming te trouwen met de zestienjarige Anna Edith Matthews, die net als hij in L’Etete (New Brunswick) opgroeide. Hij kende haar vier maanden. Op 11 november 1943 trouwden ze. Na het huwelijk keerde Robby weer terug naar de legerbasis Utopia in New Brunswick.

Hij had het niet altijd gemakkelijk. Wellicht ging het hemzelf nog wel voorspoedig, maar hij had het er moeilijk mee dat zijn vrouw last had van lichte depressies, terwijl hij betrekkelijk vlakbij haar op de kazerne was. Bij een van de gesprekken met zijn meerderen werd vastgesteld, dat het misschien beter was dat hij snel vanuit Canada naar West-Europa zou worden overgebracht, zodat hij niet langer het gevoel had ‘zo dichtbij en toch zo ver weg’ te zijn van zijn vrouw.

In het voorjaar van 1944 had Robby een paar keer de gelegenheid om tijdens zijn verlof zijn vrouw op te zoeken. Zij raakte zwanger. Waarschijnlijk wist hij dat, toen hij op 25 juni werd overgevlogen naar Engeland, om een maand later naar het front in Frankrijk te worden verscheept.

Anna schreef hem trouw – soms wel twee keer in de week. Robby bewaarde de brieven bij zijn privéspulletjes.

De eerste dag aan het front viel hem zwaar. Aan het eind van de eerste dag viel hij uit vanwege uitputting (battle exhaustion).

Twee maand later werd hij bestraft, omdat hij afwezig was zonder verlof. Dat leverde hem een ‘ernstige reprimande’ op en kostte hem één dag soldij (Can$1,50).

In oktober 1944 viel hij opnieuw uit. Nu was hij ziek. Hij kwam niet terug bij de RHLI, hij werd in december van dat jaar overgeplaatst naar de militaire politie, 11 Canadian Provost Company. Die functie bleef hij behouden tot het eind van de oorlog in mei 1945 en ook daarna nog bij het Canadese bezettingsleger in Noord-Duitsland.

Op de laatste dag van 1944 kreeg hij mooi nieuws. Robby was vader geworden van een gezonde zoon: Donald Herbert Robertson was geboren op29 december 1944. Donald jr zou zijn vader nooit kennen.

Een jaar later, aan het eind van 1945 was Robby gestationeerd aan de Bahnhofstrasse in Varel in Noord-Duitsland. Hij deelde zijn kamer met twee collega’s: lance corporal Turnbull en lance corporal Watson.

Robby had sinds een paar maanden kennis aan een vrouw van het Canadian Women’s Army Corps, Jeannie Carbone, die – zo wist een van zijn maten – eind 1945 het ziekenhuis lag. Wat er precies speelde tussen Robby en Jeannie bleef ook later onduidelijk, maar op de een of andere manier was Robertson er niet altijd met zijn hoofd bij. Op enig moment had Robby aan zijn maat lance corporal G. Turnbull gezegd dat hij moeilijkheden met haar had. Robby’s meerdere, die een goede indruk van hem had, merkte op dat Robby de laatste tijd snel geïrriteerd en heetgebakerd was – hij was niet goed gestemd, leek het.

Het was laat geworden op oudejaarsavond. Turnbull keerde als laatste van de drie op drie uur ’s nachts terug in zijn kamer. Robertson en Watson sliepen al. De volgende ochtend was Watson als eerste wakker. Hij stond rond negen uur op. Nadat hij zich had opgefrist en gekleed, verliet hij de kamer. Pas tegen half twaalf kwam hij terug.

“Kijk Louise. Dit wapen doet niemand kwaad.”

Turnbull was om half elf wakker geworden. Hij ging naar het verblijf van private Louise Coombes, (Canadian Women’s Army Corps) en vroeg haar mee te gaan naar zijn kamer.

Tegen de tijd dat Turnbull met Coombes terugkwam in de kamer, werd Robertson wakker. Hij stond op, ging naar de badkamer, friste zichzelf op en keerde terug in de kamer. Coombes, Turnbull en Robertson praatten over ditjes en datjes. Toen Watson de kamer inkwam, waren de drie gezellig aan het kletsen. Watson ging naar zijn bed en ordende zijn kleren, die hij wilde opruimen. Hij vond dat de radio wat luid stond en bovendien vond hij de muziek niet de moeite waard. Hij draaide aan de zenderknop op zoek naar betere muziek.

Ondertussen had Robertson zijn pistool, een Browning 9mm, gepakt. Hij liet het wapen rond zijn vinger draaien, haalde het magazijn eruit, en deed het er weer in. “Kijk Louise”, zei hij. “Dit wapen doet niemand kwaad.”

Wat er daarna gebeurde kon niemand naderhand bevatten. Robertson zette het wapen tegen zijn rechterslaap en haalde de trekker over. De kogel doorboorde zijn schedel, raakte de wand van de kamer vlak bij het plafond, ketste terug en viel neer vlak naast Robertson op de grond.

“Corporal Knowles, that damn fool Robby just shot himself!”

Louise Coombes liet zich op haar bed vallen en draaide zich om. Ze wilde Robertson niet zien. Turnbull rende de kamer uit en waarschuwde corporal Knowles. “Corporal Knowles, that damn fool Robby just shot himself”, riep Turnbull.

Watson had gehoord wat er gebeurde, maar hij was te druk met de radio om iets gezien te hebben. Hij stond verschrikt op. Hij zag Robertson op de grond vallen.

Robertson lag op zijn buik, zijn gezicht naar rechts gedraaid. De schotwond in zijn slaap was duidelijk te zien. Een plas bloed vormde zich om zijn hoofd.

Situatieschets van de kamer waar het schietongeluk plaats had. Bron:Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27441

Watson rende naar beneden, net als Turnbull. Watson liet iemand de hospik bellen. Hij rende weer naar boven, zag dat iemand bij Robertson was. Rende weer naar beneden om een noodverband te halen en spoedde zich naar boven om het aan te brengen.

De dokters waren er snel. Zij legden een infuus aan om Robertson bloed toe te dienen.

Turnbull zag dat Louise Coombes volledig verschrikt op het bed lag. Hij stelde haar gerust en bracht haar terug naar haar eigen kamer.

Robertson werd naar het ziekenhuis gebracht, maar hij was niet te redden. Om tien over vier ’s middags werd zijn dood vastgesteld.

Waarom hij zich door het hoofd had geschoten bleef een raadsel. Niemand vond dat hij zo’ n neerslachtige indruk maakte dat hij tot zelfmoord in staat was. Hij had die signalen niet afgegeven. De thuissituatie gaf er ook geen aanleiding toe. Het stapeltje brieven van zijn vrouw werd geïnspecteerd – niets wees er op dat Robby in de put zat of dat er familieproblemen waren.

De conclusie was dat Robertson, in de veronderstelling dat zijn wapen ongeladen was, de trekker had overgehaald. Zijn dood werd officieel geregistreerd als: overleden aan de gevolgen van een schiet-ongeluk.

Het graf van ‘Robby’ Robertson op de Canadese begraafplaats in Holten.  Bron : Online-begraafplaatsen.nl

Robby’s vrouw Anna Robertson kreeg de nalatenschap, waaronder een harmonica in een koffer, 9 Duitse munten, 8 Duitse badges en natuurlijk de brieven en foto’s die hij zou trouw had gewaard.

Anna hertrouwde met Roy Hope. Robby’s enige zoon Donald Herbert trouwde met Patricia Moore. Zij kregen twee zoons en drie dochters. Donald Herbert stierf in juli 2017 op 72-jarige leeftijd.

Donald Oscar (Robby) Robertson werd tijdelijk begraven in Oosterscheps (Duitsland). Hij kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten. Plot 7, rij A, graf 14.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Het huwelijk van Richard Baker met Elizabeth ging niet door

Voor Richard Carey Baker verliep de tijd die hij in het leger doorbracht eigenlijk heel voorspoedig. Hij was ingedeeld bij het hoofdkwartier van de 3e Canadese infanteriedivisie als chauffeur.

De op 1 februari 1922 geboren Baker uit Woodstock (New Brunswick) had tot hij in dienst ging als botermaker gewerkt bij de zuivelfabriek General Dairies in zijn woonplaats. Hij hield van schaatsen, zwemmen, honkbal en ijshockey – zoals elke gezonde Canadese jongen van zijn leeftijd.

Thuis had hij het niet gemakkelijk. Zijn vader was al jong (op zijn 46e in 1927) overleden. Eigenlijk was zijn vader de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog nooit te boven gekomen, zou zijn moeder later zeggen.

Chris Vokes (rechts) bij de Duitse plaats Sögel. Vokes was de majoor-generaal die door Richard Baker werd rondgereden. Bron: Library and Archives; Foto Capt. Alex M. Stirton / Canada. Dept. of National Defence PA-159242

Baker was een prettige, nette, betrouwbare vent, die op zijn plek was in de functie van chauffeur. Die rol kreeg hij al in mei 1941 en zou hij houden tot het eind van de oorlog – en daarna ook nog. Hij reed in 1945 als chauffeur met majoor-generaal Chris Vokes, die de leiding had over de 3e Canadese infanteriedivisie.

Baker schreef brieven aan zijn zuster Dorothy en zijn moeder Ruby Baker. Tot januari 1944. Toen stokte opeens de brievenstroom. Zijn moeder maakte zich ongerust toen ze na een half jaar nog steeds geen bericht had gehad. Brieven bleven onbeantwoord, er kwam geen reactie op toegezonden pakketjes en sigaretten. Ze stuurde een brief naar het ministerie van defensie. “Hij schreef altijd regelmatig tot 6 januari 1944. Sindsdien hebben noch zijn zuster, noch ik iets van hem gehoord”, schreef zijn moeder. “Kunt u me iets laten weten over zijn verblijfplaats?”

Het dossier van Baker geeft niet prijs of er een antwoord is gekomen op de brief van ma Baker. Maar het is zeker dat er met haar zoon nog niets mis was. Hij was inmiddels gepromoveerd van trooper tot lance corporal. Op 24 juli 1944 werd hij vanuit Groot-Brittannië verscheept naar Frankrijk.

Richard wilde trouwen, maar het huwelijk ging niet door.

Richard ontmoette in het najaar van 1944 in België een meisje op wie hij smoorverliefd werd. Elizabeth DeLie uit Putte-Kapellen en hij waren zo verkikkerd dat ze serieuze trouwplannen hadden. Na negen maand vroeg Baker officieel toestemming bij de militaire autoriteiten om met Elizabeth te trouwen. De vader van Elizabeth had al ingestemd. Major-general Vokes gaf persoonlijk toestemming voor het huwelijk. Maar het kwam er niet van. “Huwelijk had niet plaats”, staat in een aantekening op het officiële certificaat waarin toestemming voor het huwelijk werd gegeven, dat zich in het dossier van Baker bevindt.

De jaarwisseling van 1945/1946 werd uitbundig gevierd. Het was de eerste jaarwisseling in zes jaar zonder oorlog. Een dik uur nadat het nieuwe jaar was ingegaan gaf captain H.W. Mulherin toestemming aan Vokes’ chauffeur om met een aantal mensen naar Bad Zwischenahn te rijden.

Baker heeft zijn passagiers afgezet in Bad Zwischenahn en is in de zwarte Maybach Sedan weer terug gereden over de provinciale weg in de richting van Oldenburg, waar de officiersmess was. Net voorbij Haarenstroth, een dorpje ten westen van Bad Zwischenahn op de regionale weg naar Oldenburg, raakte Baker met zijn auto van de weg. Hij botste aan de linkerkant van de straat frontaal tegen een boom.

Even na drie uur zag major G.J.W. Proctor de auto aan de kant van de weg staan, toen hij samen met captain Blackstone terugkwam van een nieuwjaarsfeest in de McNaughton Club in Oldenburg. “De auto stond aan de verkeerde kant van de weg, koplampen aan en geheel gesloten”, verklaarde Proctor later. “Ik kon voeten en benen van een soldaat zien liggen onder het stuurwiel. Nadat ik een ruit had ingeslagen ontdekte ik het lichaam van een soldaat liggend over de stoelen. Ik herkende hem als Richard Baker. Ik voelde geen polsslag meer, maar zijn pols was nog warm. Hij ademde niet. Ik nam aan dat hij dood was.”

Proctor sloot de auto af, en keek samen met Blackstone of er verder iets op de weg lag dat te maken kon hebben met het ongeluk. Ze verlieten de ongevalsplek om een telefoon te zoeken. Zij informeerden de militaire autoriteiten.

Schets van corporal Kitchen van het ongeval op de weg van Bad Zwischenahn naar Oldenburg. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25372

Corporal F. Kitchen was een uur later ter plekke. Hij stelde een onderzoek in. Hij zag dat de Maybach Sedan aan de voorzijde bijna een halve meter ingedeukt was. De auto stond nog in de hoogste versnelling. Hij zocht naar slip- of remsporen, maar vond ze niet.

Het onderzoek naar de dood van Baker mondde uit in de conclusie dat hij als gevolg van een tragisch ongeval was omgekomen.

Drie dagen later, op 4 januari 1946, werd Baker begraven. Hij kreeg een rustplaats op de tijdelijke begraafplaats in Oldenburg. Een groot aantal van zijn kameraden woonde de begrafenis bij, er werden kransen gelegd, een eresaluut gegeven en een kruis op het graf gezet met Bakers naam en voorletters, zijn nummer en rang.

Major General Vokes schreef een brief aan Bakers moeder, om haar zijn medeleven te tonen. Hij schreef dat Baker een goede jongen was. Niet voor niets was Richard “Mentioned in Despatches for distinguished service”, schreef majoor A.C. Chadwick in een brief aan moeder Ruby Baker.

Ruby had het zwaar. Ze schreef ettelijke brieven om het geld te krijgen dat haar kennelijk nog toekwam. Mijn man is overleden en ik ben zelf niet in staat te werken, schreef ze. Ze had het geld van haar overleden zoon hard nodig om rond te komen. “Hij aarzelde niet het leger te gaan, net als zijn vader dat in de Eerste Wereldoorlog heeft gedaan”, schreef ze. “Zijn vader Hartley S. Baker overleed vlak na de Eerste Wereldoorlog, nooit helemaal hersteld van de gevolgen ervan. Waarom laat u me langer wachten en houdt u mijn zoons geld vast?”, vroeg ze. Ze vreesde dat ze bij de gemeente voor hulp moest aankloppen, als het leger niet over de brug zou komen.

Bakers lichaam werd later overgebracht naar de Canadese begraafplaats in Holten, waar hij zijn definitieve rustplaats kreeg: Plot 7 rij H graf 5.

©2018 Jan Braakman

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25372

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Arthur Jeffrey sneuvelde op Tweede Kerstdag

Op 5 maart 1945 doopte Eleanor Jeffrey de pen in de inkt. Het had nu lang genoeg geduurd, vond ze. Sinds Kerst 1944 had ze niets meer gehoord. Hoe zat het met al de spulletjes die zij en haar vijf jarige dochtertje nog tegoed hadden van haar man Arthur Francis Jeffrey?

Arthur Francis Jeffrey, tabakswerker uit Montreal, gehuwd met Eleanor en vader van Anne Carol, werd in september 1939 gerecruteerd voor het Canadese leger. Hij werd in 1940 opgenomen in de rangen van het Royal Highland Regiment of Canada (Black Watch).

Elanor herinnerde hoe haar man het leger in was gegaan, op de eerste dag van september 1939. En vanaf die dag was hij steeds in uniform geweest, schreef ze. Eerst was hij een paar maanden gelegerd geweest bij het

Armoury van de Black Watch in Montreal. Bron: Wikipedia

Soulanges Canal, in de buurt van Quebec (Canada). Daarna kwam hij terug naar zijn woonplaats Montreal, waar hij werd gelegerd in de Armoury van de Black Watch in Bleury Street. De dag na kerst 1939 vertrok hij naar Toronto. In mei van het volgende jaar verplaatste zijn bataljon naar Valcaltier, om vandaar met de boot naar New Foundland te gaan.

Na een paar maanden oefeningen in New Foundland kwam Arthur weer terug naar het Canadese vasteland, om in augustus van hetzelfde jaar verscheept te worden naar Schotland. Hij zou nooit meer thuis komen. Hij zou zijn dochter niet zien opgroeien.

Op 5 juli 1944 werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk verscheept naar het front in Frankrijk. Veertien dagen later liep hij zijn eerste verwonding op, bij de Franse plaats Ifs ten zuiden van Caen, waar zijn regiment onder zwaar granaat- en mortiervuur kwam te liggen. Hij werd teruggebracht naar Engeland waar hij in het ziekenhuis aan zijn verwondingen werd behandeld.

In november was hij zover opgeknapt dat hij weer kon deelnemen aan de gevechten. Hij ging terug naar zijn regiment, dat op dat moment in Walcheren verbleef. Het was een periode van betrekkelijke rust na de zware gevechten die in oktober hadden gewoed om de toegang tot de haven van Antwerpen en de Schelde. De soldij was uitbetaald en veel soldaten probeerden souvenirs te vinden voor hun geliefden thuis. De troepen kregen nieuwe uniformen. En Arthur Jeffrey werd gepromoveerd tot Corporal. 

Een paar weken later, op 16 december zat hij met zijn compagnie in een loopgraaf ten zuiden van Groesbeek en ten oosten van Mook bij het dorpje Riethorst, toen ze plotseling door Duits geschut onder vuur werden genomen. Aanvankelijk vreesden de troepen dat een gerichte aanval werd uitgevoerd, maar later bleek dat het ‘gelukstreffer’ van de Duitsers was geweest. Jeffrey raakte echter opnieuw gewond – al was het deze keer niet zo ernstig dat hij naar het ziekenhuis moest.

In de dagen daarna vierden de troepen de voorbereidingen op Kerst met de lokale bevolking. Er werden filmvoorstellingen voor de kinderen georganiseerd en voor de troepen werden kerkdiensten gehouden op Eerste Kerstdag – een voor de katholieken en een voor de protestanten.

Een dag later lag Jeffrey opnieuw onder vuur. En deze keer was hij op slag dood: gesneuveld op Tweede Kerstdag. “Zijn dood kwam als een verschrikkelijke schok en en nauwelijks te dragen”, schreef zijn vrouw een paar maanden later aan Lt-Col Knox. “Hij was zo vaak gewond geraakt in december en toen was hij bijna gedood op Eerste Kerstdag en vervolgens sneuvelde hij op Tweede Kerstdag.”

Brief van Eleonore aan Lt-Col Knox van de Black Watch. De brief werd pas na maanden bezorgd. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

“Hij was al verschillende keren gewond geraakt en zou eigenlijk al naar huis moeten komen – vijf jaar is te lang voor iemand om van huis te zijn.”

Eleanor schreef dat ze “zeer, zeer verbitterd was, dat hij nooit thuis was geweest voor verlof – zelfs niet voor alleen maar 30 dagen. Hij had het zeker verdiend. Hij laat een grote kleine dochter na, die nog maar vijf jaar oud is, die voortdurend praat over haar vader die thuis zal komen. Wat jammer, wat verdrietig voor een kind om vaderloos achter te blijven.”

De spulletjes die Jeffrey had gekocht, kwamen uiteindelijk toch op de bestemde plek terecht, al ging er driekwart jaar overheen. Hij had souvenirs gevonden en bewaard: een lepel en een vork.

Jeffrey (hij stierf op 31-jarige leeftijd) kreeg zijn laatste rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Groesbeek: 1 C 16.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Jimmy Thomas: van Monte Cassino naar Holten

Jimmy (James Oliver) Thomas was in mei 1944 in Italië krijgsgevangen gemaakt, ruim drie maand nadat hij vanuit het Verenigd Koninkrijk daar naartoe was verscheept.

Toen Jimmy dertien was ging hij van school, om zijn moeder te helpen op de boerderij na het overlijden van zijn vader. Hij kwam uit een gezin met negen kinderen: hij had zeven broers en één zus. Twee van zijn broers, Roney en Allan, waren ook in het Canadese leger.

Thomas was op 4 juli 1912 geboren in St Peters, Manitoba. De boerenzoon toonde zich bereid om alles aan te pakken wat hem werd aangeboden, Natuurlijk kende hij het boerenwerk. Maar hij werkte ook in een lokale garage, deed seizoenswerk, was als hulp in dienst bij een loodgieter, hielp bij het bouwen van huizen en werkte in de mijnen in Ontario en Manitoba.

In mei 1943 diende hij zich aan bij het leger. Zijn moeder was inmiddels niet meer van hem afhankelijk. In december 1943 werd hij verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij meer dan een jaar voorbereidende oefeningen deed tot hij in februari 1944 werd verscheept naar Italië.

Op 23 mei stond het regiment waar Thomas bij diende, de Seaforth Highlanders, klaar om een doorbraak te forceren in noord-westelijke richting bij Monte Cassino.

De hooggelegen stad Monte Cassino lag aan het eind van de Liri-vallei. Franse en Amerikaanse troepen hadden al vanaf februari tevergeefs geprobeerd Monte Cassino te veroveren.

De situatie rond Monte Cassino op 23 mei 1944. Bron: Report No. 121 of the Historical Offr, CMHQ, concerning Cdn Operations in the Liri Valley, Italy, May – Jun 44. Klik op kaart voor het volledige rapport.

De rivier de Ortona en de rivier Garigliano waren lastig te nemen obstakels. Daarbij kwam dat de Duitsers zware defensieve stellingen hadden opgebouwd.

Op 15 februari 1944 werd een luchtaanval op Monte Cassino uitgevoerd, maar de geallieerde troepen slaagden er niet in de strategische positie in te nemen. In maart volgde een tweede offensieve golf, en opnieuw was de poging tevergeefs.

In april en mei werd een nieuwe strategie voorbereid, waarbij de Duitse vijand op het verkeerde been werd gezet. Het leek alsof een grootscheepse landing aan de westkant van de laars van Italië werd opgezet. De Duitse legerleiding hield een aantal divisies achter de hand om de invasie te kunnen tegenhouden. Dat was precies het doel van de geallieerden.

Ondertussen werden zeven geallieerde divisies opgebouwd om de doorbraak te forceren op land. De Duitsers hielden er echter ernstig rekening mee dat ze geconfronteerd werden met een schijnaanval en dat de echte aanval in hun rug aan de kust zou komen.

Detail uit bovenstaande kaart. Pijlen met doorgetrokken lijnen geven de opmars van Britse en Canadese troepen aan, stippellijnen met pijl betreffen de opmars van de Poolse troepen. Bron: Report No. 121 of the Historical Offr, CMHQ, concerning Cdn Operations in the Liri Valley, Italy, May – Jun 44.

Hoewel op 23 mei 1945 met eenovermacht aan troepen een doorbraak tot stand kwam, liep het niet overal gesmeerd. De Seaforth Highlanders trokken samen met Princess Patricia’s Canadian Light Infantry en het tankregiment North Irish Horse ten aanval. Aanvankelijk werd goede progressie gemaakt, maar op een gegeven moment liep de aanval spaak. Mijnenvelden belemmerden de opmars van de tanks. Het zicht was beperkt door mist, rook en het stof dat door de strijd opwaaide. Het was moeilijk de situatie precies te doorzien. De Seaforth Highlanders leden grote verliezen. De vijand hield de aanval voorlopig tegen.

De tankslag werd uiteindelijk gewonnen, ondanks zware verliezen bij de Britten. Tegen 10 uur in de ochtend werd de Duitse linie doorbroken en een aantal vijandelijke tanks vernietigd.

Aan het eind van de dag waren meer dan 500 Duitse officieren en soldaten gevangen genomen, en een vergelijkbaar aantal tegenstanders was gedood. Maar aan Geallieerde kant waren de verliezen ook hoog. Vooral de 2nd Canadian Infantry Brigade waartoe ook de Seaforths behoorden, hadden het zwaar te verduren gehad. Achttien officieren en 495 anderen raakten vermist of gewond of waren gedood.

Aan eind eind van de dag bleek Jimmy Thomas vermist. Lang was onduidelijk waar hij gebleven was – zijn lichaam werd niet gevonden. Hij werd bij de vermisten geteld.

In augustus 1944 kwam de bevestiging dat Thomas krijgsgevangen was gemaakt en inmiddels was overgebracht naar Stalag VIIA in Moosburg. Zijn krijgsgevangenennummer: 131885.

Jimmy’s dossier bevat verwijzingen naar drie verschillende plaatsen van overlijden en vier verschillende begraafplaatsen. Hij is in het militair hospitaal in Thannhausen (Beieren) overleden en uiteindelijk in Holten begraven.

In het voorjaar van 1945 werden de Duitse krijgsgevangenenkampen ontruimd, vanwege de opmars van geallieerde en Russische troepen. Jimmy Thomas moest met zijn maten op transport – lopend en onder erbarmelijke omstandigheden. Eind april 1945 kwam de groep in Ettringen (Beieren) aan, waar ze werden bevrijd door de Amerikanen.

In de roes van de feestvreugde trof Thomas een triest lot. HIj deed zich – naar later bleek – tegoed aan drank van dubieuze kwaliteit, met het giftige methyl-alcohol. Hij ging nog naar het Amerikaanse hospitaal in Thannhausen, maar hulp kwam te laat. Hij overleed aan de vergiftiging en werd samen met zijn landgenoot Steve Motkaluk tijdelijk begraven in Reutti (Beieren, Duitsland).

Jimmy’s moeder kreeg in augustus 1945 nog een foutieve brief van de legerleiding dat Jimmy op 2 mei in het Middellandse Zeegebied (Mediterranean Theatre of War) om het leven was gekomen. In november van dat jaar schreef Margareth Thomas, de moeder van Jimmy, een brief aan het ministerie van defensie, waaruit blijkt dat zij wist dat Jimmy krijgsgevangen was gemaakt en werd vastgehouden in Stalag VIIA. Margareth vraagt in die brief hoe het staat met de nalatenschap van haar zoon, en ze wilde ook weten waar haar zoon was begraven.

In het dossier van Thomas bevindt zich een document (gedateerd 15 november 1945) waarin staat dat hij als gevolg van alcoholvergifiting in Nederland is overleden op 2 mei en dat hij in het Groningse Wirdum is begraven. Het is onduidelijk waarop dat document is gebaseerd. Mogelijk is Jimmy’s stoffelijk overschot vanuit Reutti overgebracht naar Wirdum.

In elk geval kreeg hij samen met Steve Motkaluk en vier anderen die ook door het giftige methyl-alcohol waren overleden, een laatste rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in Plot IV, rij E, graf 11. Daar is hij op 4 juni 1948 begraven.

©2017 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Steve Motkaluk raakte de weg kwijt

Steve Motkaluk. Bron: Veterans.gc.ca

De familie van Steve Motkaluk verkeerde lang in onzekerheid. Toen hij al lang dood was, kreeg de familie nog geruststellende signalen, dat alles goed met hem was.

Steve Motkaluk maakte deel uit van een groep krijgsgevangenen, die op 1 en 2 mei 1945 in Ettringen (Beieren) om het leven kwamen als gevolg van het drinken van methanol.

Motkaluk was samen met Jimmy Thomas, blijkt uit hun militaire dossiers, krijgsgevangene geweest in Stalag VIIA in Moosburg. Ze werden bij elkaar begraven in Reutti, vervolgens werden ze herbegraven op de Britse militaire begraafplaats in Durnbach. Motkaluk maakte deel uit van het regiment 48th Highlanders of Canada.

Op het lichaam van Steve Motkaluk werd autopsie verricht door majoor W.L. Vogt in het 132 Evacuation Hospital van het Amerikaanse leger in Thannhausen, zo’n 30 kilometer ten noordoosten van Ettringen in Beieren.

Motkaluk was op 2 mei ’s ochtends op de ziekenboeg afgeleverd. De man had ongeveer een halve liter alcohol gehad, “van hetzelfde soort waarvan we weten dat het de dood veroorzaakte in verschillende gevallen”, noteerde de patholoog. Het ging om methylalcohol, een giftige variant van gewone alcohol, die rijkelijk vloeide in Ettringen en waarvan Russische en Canadese krijgsgevangenen het slachtoffer werden.

De soldaat zei dat hij zich warm voelde, dorstig was, een lichte hoofdpijn had en dat hij zijn gezichtsvermogen was kwijtgeraakt. ’s Avonds om half negen begon hij over zijn lichaam ongecontroleerd te schudden.

De patholoog vond op 4 mei bij de autopsie niets bijzonders, behalve dan dat in de dunne darm een spoelworm werd aangetroffen. Niets wees op chronisch alcoholgebruik.

Steve Motkaluk was als zevenjarige met zijn ouders vanuit Polen (huidig Oekraïne) naar Canada geëmigreerd. Hij werd geboren op 15 augustus 1912 in Lwow (nu Lviv). Hij was 29 toen hij in mei 1942 tot de rangen van het Canadese leger toetrad. Toen gaf hij op vrijgezel te zijn. Hij zei dat hij ervaring had als verfspuiter in een houtbedrijf, hij was barman geweest en hij had gewerkt bij een bedrijf voor loodgietersbenodigheden. Hij hield van vissen, boxen, worstelen, voetbal en zwemmen. Hij werd beoordeeld als een stabiele persoonlijkheid, die goed dienst kon doen in het leger. Als paratroeper werd hij niet geschikt bevonden, onder andere vanwege zijn leeftijd.

Hij werd ingedeeld bij de 48th Highlanders of Canada. Een maand voordat hij naar Europa werd verscheept trad hij in het huwelijk met Adele George uit Oshawa, een voorstad ten oosten van Toronto. Op 11 november 1942 trouwden Adele en Steve, en op 12 december vertrok hij naar het Verenigd Koninkrijk.

In juni 1943 moest hij naar Italië. De opmars begon voor hem in Pachino, Sicilië, op 10 juli 1943. Van daaruit trokken de 48th Highlanders of Canada noordwaarts. Motkaluk werd ingezet bij de oversteek van de rivier de Lamone in Toscane. Het werd een zware strijd, waarbij enkele tientallen soldaten van Lanark and Renfrew Scottish Regiment en de 4e Princess Louise Dragoon Guards sneuvelden. Motkaluk overleefde de strijd, maar hij haalde wel een nat pak in het koude rivierwater in de nacht van 10 op 11 december.

Een paar dagen later, op 14 december, raakte hij in grote verwarring de weg kwijt en belandde hij in handen van de Duitse tegenstanders. Dat was voor de achterblijvers op dat moment verre van duidelijk. Captain G.W. Beal vertelde naderhand dat hij rond de middag een lang gesprek met Steve Motkaluk had gehad. Motkaluk was erg zenuwachtig en Beal maakte zich zorgen om hem. Maar Motakaluk verzekerde hem dat hij in orde was en dat hij zijn best zou doen.

Motkaluk meldde zich bij V.G. Jackson. Jackson vertelde hem dat hij zich moest aansluiten bij de A-compagnie, die op dat moment in een voorwaartse positie aan de linkerflank bevond. Jackson vond het beter dat Motkaluk met een gids zou meegaan om bij zijn compagnie te kunnen komen. “Private Motkaluk leek erg zenuwachtig te zijn en hij weigerde de maaltijd die hem werd aangeboden.”

Twee uur later kreeg Jackson bericht dat een eigen soldaat de voorste posities was voorbij gelopen en recht op de vijandige linies af ging. Toen de man de bocht om was gegaan, was een hevig vijandig machinegeweer-vuur uitgebroken. Motkaluk was vanaf dat moment niet meer gezien.

Private J.S. Williams had het zien gebeuren. Hij zat in de voorste posities van zijn compagnie en zag rond half drie in de middag een militair voorbij lopen, die net als hijzelf gekleed was, in de richting van de vijandige linies. “Mijn post was achter een raam in een bovenverdieping, waar ik goed zicht had op de weg. Hij liep en rende afwisselend, en toen hij op een punt, ongeveer 200 meter van me verwijderd was, hoorde ik een uitbarsting van vijandelijk geweervuur. Hij bleef doorlopen. Een eindje verder maakte de weg een bocht, waarna ik geen zicht meer op hem had. Dat was het laatste wat ik van hem heb gezien.”

Williams had Motkaluk niet gewaarschuwd, omdat hij veronderstelde dat Motkaluk een speciale opdracht had.

Nadat de omstandigheden waren uitgezocht, en er geen lichaam van Motkaluk was gevonden, werd hij officieel vermist verklaard. Een officieel ingesteld veldgericht verklaarde hem niet schuldig aan ‘improper conduct’.

In februari 1945 kwam er via het Zwitserse Rode Kruis bericht over Motkaluk. In een telegram aan Adele Motkaluk werd vermeld dat Steve gevangen werd gehouden in het krijgsgevangenkamp Stalag VIIA. 

Vader Philip Motkaluk ontving nog een kaart van zijn zoon, gedateerd 15 januari 1945.

In juli meldde het leger nog dat het logisch was aan te nemen dat Steve in goede gezondheid verkeerde . . .

Het volgende telegram voor Adele kwam op 7 juni 1945, met de verheugende mededeling dat Steve nu “veilig in geallieerde handen was.” Dat bleek een tragische vergissing. Kennelijk was de dood van Motkaluk niet goed met de Canadese legerautoriteiten gecorrespondeerd.

Op 18 juni 1945, meer dan anderhalve maand na het overlijden van Steve, schreef vader Philip Motkaluk een brief aan het leger om te horen of er al iets meer over Steve bekend was. Een maand later kwam er een nieuw telegram bij Adele, met de vraag of zij iets had gehoord van haar man, omdat het leger zelf niet in staat was Motkaluk te lokaliseren.

Op 28 juli 1945 kreeg het Rode Kruis in Ottawa op aanvullende vragen een geruststellende brief van het leger. “Volgens onze gegevens is de de soldaat nog in het Verenigd Koninkrijk, en omdat ons kantoor geen bericht heeft dat hij ernstig ziek is, is het logisch aan te nemen dat hij in goede gezondheid is.”

De brief meldde dat het heel wel mogelijk was, dat Motkaluk in september weer in Canada zou terugkeren.

Het telegram waarin uiteindelijk het overllijden van Motkaluk werd bevestigd. Canada, WII Service Files of War dead, 1939-1947

Twee dagen later kwam echter een noodlottig bericht bij Adele. Het legertelegram vermelde dat Steven Motkaluk was overleden in een Amerikaans hospitaal op 2 mei tijdens de bevrijding. “Doodsoorzaak alcoholvergiftiging”.

Motkaluk is op 6 juni 1946 begraven op de Canadese begraafplaats in Holten in plot IV, rij E graf 14.

© 2017 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Zes mannen bleven in de roes van de bevrijding

De oorlogsvoering betekende niet alleen strijd aan het front. De geallieerden en de Duitsers maakten ook krijgsgevangenen, die werden getransporteerd en vastgezet. Een van de grote Duitse krijgsgevangenenkampen was Stalag VIIIB bij Lambsdorf (nu Łambinowice in Polen). Het kamp kreeg later een andere aanduiding: Stalag 344. Een ander kamp was Stalag VIIA in Moosburg.

In het krijgsgevangenenkamp werden aanvankelijk Poolse militairen vastgehouden na de Duitse inval in Polen in 1939. Later volgden krijgsgevangenen uit alle geallieerde landen.

Het leven in de krijgsgevangenkampen was over het algemeen dragelijker dan in concentratiekampen. Het Internationale Rode Kruis kon mondjesmaat toezicht houden in de krijgsgevangenenkampen en er was ook (beperkt) briefverkeer mogelijk tussen de gevangenen en het thuisfront.

Toen de Russen vanuit het Oosten in 1945 Duitsland binnentrokken en vanuit het westen de Amerikanen opmarcheerden, werden de kampen ontruimd en moesten krijgsgevangenen in groepen van twee- tot driehonderd man naar andere kampen marcheren. Het waren mensonterende tochten, waarbij veel mannen aan de ontberingen overleden. Maar velen smaakten toch het genoegen van de bevrijding.

Zo konden De Canadezen John Decoine, Robert Consterdine, Joe Giguire, Steven Motkaluk, James Thomas en de Australiër Joe Brydon hun geluk niet op toen ze eind april, begin mei 1945 door de Amerikanen bij Ettringen (Beieren) werden bevrijd.

De zes troffen een groep Russische krijgsgevangenen, die kennelijk de beschikking hadden over een fikse hoeveelheid drank. De Britse krijgsgevangene Tom Tate, die begin 1945 in Duitsland gevangen was genomen nadat zijn bommenwerper van de Royal Air Force was neergehaald, vertelde dat Russische krijgsgevangenen brandspiritus op het landgoed (Ostettringen) hadden gevonden, en zich daaraan tegoed deden. Hij herinnerde zich twee Russische krijgsgevangenen die eraan overleden en nog meer die ernstige vergiftigingsverschijnselen hadden.

Tate en andere krijgsgevangen werden door het Amerikaanse leger ingezet om Duitse troepen te ontwapenen. Tate zag dat de rollen van de ene dag op de andere waren omgedraaid. Was hij een dag eerder nog gevangene van de Duitsers, nu moest hij helpen om Duitsers krijgsgevangen te maken.

John Sharkey, die hoorde bij het regiment Prince Edward Island Highlanders, schreef na de oorlog over zijn belevenissen in het krijgsgevangenenkamp. Sharkey had net als veel van zijn lotgenoten in de omgeving van het kamp werk moeten verrichten. Hij had het geluk dat hij bij een boer aan het werk kon, waar hij af en toe iets voedzaams van het veld kon meepikken.

Toen de oorlog voorbij was en de krijgsgevangenen officieel waren bevrijd, was er onvoldoende capaciteit om de soldaten snel af te voeren. Sharkey werd ettelijke malen met een vrachtwagen naar het vliegveld gebracht, om aan het eind van de dag weer terug te keren naar zijn verblijfplaats omdat er geen vliegtuigen genoeg waren om de gevangenen te vervoeren. “De vliegtuigen waren zo druk, dat ze geen krijgsgevangenen konden meenemen”, schreef hij.

Tate vertelde dat de Dakota’s af en aan vlogen naar het vliegveld, dat door de Luftwaffe in de buurt was aangelegd. De geallieerde krijgsgevangenen werden naar Reims (Frankrijk) gevlogen, om vandaar de terugtocht naar Engeland te maken.

Sharkey zag ook de gevolgen van het drankgebruik: “In het dorp zag ik op een dag de lichamen van een aantal Canadezen die ik kende.”

Sharkey veronderstelde dat de slachtoffers hun drank – mogelijk antivries – in een hangar op het vliegveld hadden gevonden. “Ik denk dat ze de bevrijding wilden vieren en ze dachten dat het alcohol was. Ze brachten het spul mee naar het dorp en de volgende ochtend waren ze allemaal dood, behalve één Canadees, allemaal vergiftigd. De ene Canadees had nog een blikje vlees gegeten nadat hij in het dorp was teruggekomen, wat waarschijnlijk zijn leven heeft gered, doordat het vlees het gif absorbeerde.”

Captain C.T. Sutherland maakte voor het ministerie van defensie (Department of National Defence) verslag op van het incdent, waarbij de krijgsgevangenen Consterdine, Decoine en Giguire waren overleden.

Volgens hem hadden de Canadezen op 1 mei alcohol verkregen van een Russisch arbeidscommando op straat in Ettringen. (Het krijgsgevangenkamp kende tal van arbeidscommando’s bestaande uit krijgsgevangenen van verschillende nationaliteiten).

Soldaat Consterdine had van de alcohol gedronken en kwam ’s avonds om elf uur ziek binnen. Hij moest op bed geholpen worden.

Het was de Britse arts John ‘Sandy’ Rutherford, die de Consterdine en zijn maten had onderzocht. Rutherford, met een Military Cross onderscheiden voor heldhaftig optreden in Italië, was in 1944 krijgsgevangen gemaakt na de slag bij Arnhem.

Legerarts John ‘Sandy’ Rutherford. Bron pegasusarchive.org

Rutherford trof Consterdine aan in een toestand, die hij beschreef als “op sterven na dood”. Consterdine had een nauwelijks voelbare pols, en hij ademde zwaar. De normale oogreflexen waren afwezig

Soldaten Giguire en Decoine hadden ook van de alcohol gedronken. Giduire was op 1 mei al rond half twee bij de dokter geweest. “Hij kwam in een toestand, waarvan ik vaststelde dat het alcoholvergiftiginge was, omdat er een behoorlijk veel gedronken werd in de stad. Ik heb hem naar bed gestuurd om het uit te slapen.”

Later die avond kwam een Amerikaanse medisch officier bij Giguire, die vond dat de Canadese soldaat moest worden geëvacueerd naar de ziekenboeg. Er werd echter geen beschikbare plaats gevonden, zodat hij uiteindelijk terugkeerde naar zijn eigen bed. Toen Rutherford Giguire daar een tweede keer onderzocht om half elf ’s avonds, was hij overleden.

Decoine werd om kwart over tien door de dokter gezien. “Hij had volgens zijn kameraden gedronken”, beschreef Rutherford. “Hij was bewusteloos. Zijn pols was nauwelijks voelbaar, hij ademde zwaar en zijn reflexen bleven achterwege. De man was stervende en overleed om kwart over elf ’s avonds”, aldus het verslag van Rutherford.

Dokter Rutherford had een dag later ook de Australiër Joe Brydon onder ogen gehad. Op 2 mei werd hij bij Brydon geroepen, die ziek was. Rutherford stelde meteen vast dat de man stervende was, net zoals hij dat bij de drie anderen had geconstateerd.

“The deaths of these three soldiers are attributed to methyl alcohol poisonig, as there is no evidence of other cause and the had been known to have been drinking spirit” schreef Captain Sutherland in juni 1945 in zijn rapport voor het Canadese ministerie van defensie. Sutherland noemde de naam van Brydon niet, die bij hetzelfde incident was omgekomen.

Joe Brydon werd tezamen met de drie Canadezen Decoine, Consterdine en Giguire tijdelijk begraven ten noorden van Ettringen, aan de weg naar Siebnach, vlakbij de spoorwegovergang, naast het monument voor de gevallenden in de Eerste Wereldoorlog. Later werden ze vandaar overgebracht naar de Britse begraafplaats in Durnbach. De spoorlijn is in 1982 opgeheven.

In het rapport van Sutherland komen niet de namen voor van Steve Motkaluk en James Thomas, die op 2 mei 1945 ook aan de gevolgen van alcoholvergiftiging in Ettringen overleden.

Alcoholvergiftiging was niet alleen bij de bevrijding een probleem. In een rapport van de Canadese inlichtingendienst wordt melding gemaakt van eerdere gevallen van vergiftiging, doordat de vijand met opzet vergiftigde drank had achtergelaten. In Weissenfels (het rapport van de inlichtingendienst verbastert de naam tot Weissenpils) werden op 23 april 1945 vier militairen van de First US Army ziek, nadat ze vergiftigde drank hadden gevonden en gedronken. In dezelfde periode werden elders ook twee ‘drankdoden’ gemeld.

De inlichtingendienst wist de hand te leggen op een document uit oktober 1944 van het Kriminalteschnisches Institut der Sicherheitspolizei waar de verschillende mogelijkheden van opzettelijke vergifiting werden beschreven. Een daarvan was de toevoeging van methylalcohol (methanol) aan flessen drank. Het is denkbaar dat de krijgsgevangenen van deze praktijk het slachtoffer zijn geworden.

Thomas en Motkaluk waren beiden, blijkt uit hun militaire dossiers, krijgsgevangene geweest in Stalag VIIA in Moosburg. Ze werden bij elkaar begraven in Reutti, vervolgens werden ze herbegraven op de Britse militaire begraafplaats in Durnbach.

De zes slachtoffers van de alcoholvergiftiging kregen hun definitieve rustplaats in Holten op 4 juni 1946. Ze liggen alle zes vlak bij elkaar in plot IV. Brydon IV D 16, Consterdine IV E 7, Giguire IV E 10, Thomas IV E 11, Decoine IV E 12 en Motkaluk IV E 14.

© 2017 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Joe Brydon kon niet lang van de bevrijding genieten

James William Brydon. Op de achterkant van de foto staat: “To Kath,
With best love and wishes – Your loving brother Joe Brydon.” Bron: Australian War Memorial

Voor Joe (Joseph William) Brydon bestond de Tweede Wereldoorlog vooral uit krijgsgevangenschap. Hij werd in 1941  in Griekenland gevangen genomen.

Brydon maakte deel uit van een groep geallieerde en Russische krijgsgevangenen die na de bevrijding overleden als gevolg van het drinken van methanol.

In oktober 1939 meldde de toen 31-jarige Brydon zich aan bij het Australische leger. Brydon kwam uit New South Wales, waar hij geboren werd in de plaats Tenterfield, zo’n 700 kilometer ten noorden van Sydney. Hij was ongetrouwd. Uit de beperkte beschikbare gegevens wordt duidelijk dat hij nog een zus had (Kath) en dat hij als vrijgezel bij zijn vader inwoonde in North Bondi (New South Wales), aan de kust, 10 kilometer ten westen van Sydney. Joe Brydon gaf op dat hij drukker was.

Op 20 oktober 1939 legde hij de eed af.

De oath of Enlistment. Bron: National Archives of Australia

Joe volgde zijn opleiding in het Australische Liverpool. En op 9 januari ging hij in de haven van Pyrmont (bij Sydney) aan boord van een troepenschip om verscheept te worden naar het Midden-Oosten. Ruim een maand later, op 13 februari 1940, kwamen ze aan bij El Kantara (Tunesië). Hij maakte deel uit van de geallieerde troepen die het opnamen tegen de Duitse maarschalk Rommel. Brydon werd verscheept naar Griekenland – daarna raakte hij vermist. Op 12 juli 1941 werd hij officieel vermist verklaard. Een half jaar later, op 19 januari 1942 kwam er via het Rode Kruis bericht dat hij krijgsgevangen was gemaakt en dat hij werd vastgehouden in Stalag VIIIB. Brydon bleef in krijgsgevangenschap tot het eind van de oorlog.

Toen de geallieerde troepen naderden, werden de krijgsgevangenkampen ontruimd en moesten de krijgsgevangenen lopend naar een andere plek. Ze kregen te horen dat ze naar Zwitserland gingen. De uitgehongerde gevangenen, konden de zware tochten soms niet aan en vielen dood neer. Hun stoffelijke overschotten bleven achteloos langs de weg liggen. Brydon overleefde de tocht en beleefde in Ettringen (Beieren) de bevrijding. Hij mocht er echter niet lang van genieten.

Brydon maakte deel uit van een groep geallieerde en Russische krijgsgevangenen die overleden als gevolg van het drinken van methanol.

Brydon is begraven op de Canadese begraafplaats in Holten in plot IV, rij D, graf 16.

© 2017 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.