Begraven in de boomgaard

Bron: Service Files of the Second World War - War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa
Bron: Service Files of the Second World War – War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa

In de boomgaard, aan de westkant van de weg ten zuiden van Laren. Dat was de plek waar Howard Muirhead zijn voorlaatste rustplaats kreeg.  De nog maar 20 jaar jonge soldaat van het Royal Highland Regiment of Canada (Black Watch) had het leven gelaten tijdens de bevrijding van het Achterhoekse dorpje.  Dertien jongens van zijn regiment kwamen daarbij om. Het was er onverwachts hard aan toe gegaan.

Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten
Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Howard was op 20 november 1943 in dienst gegaan. Hij woonde in Little Harbour en was al jong aan het werk te gaan;  thuis op de boerderij (vier jaar) en als houthakker bij een bowbouwbedrijf (twee jaar).  Hij wist hoe hij een boom moest vellen en hij had met enige regelmaat een vrachtwagen bestuurd. Hij hield ervan aan auto’s te sleutelen.

In zijn vrije tijd ging hij jagen en schaatsen.

Thuis had hij twee jongere broers, twee jongere zussen en een oudere zus. Zijn vader en moeder, John en Mary Muirhead bestierden een boerderij in Little Harbour. Hij was de enige uit het gezin die dienst deed in het Canadese leger.

Bij zijn indiensttreding werd hij beschreven als nogal stil, maar wel serieus en betrouwwaar. Hij had een sterke belangstelling voor motortechniek.  “Kan zich goed aanpassen en zal een goede soldaat worden”, aldus de observatie van luitenant V.A. Fisher, die hem beoordeelde.

In juli 1944 werd hij verscheept naar Engeland en nog geen drie weken later (17 augustus 1944) kwam hij met het regiment Black Watch terecht in Frankrijk – een dag na zijn 20e verjaardag. Hij raakte gewond aan beide handen, maar niet zo ernstig dat hij niet weer terug kon naar het slagveld. Op 2 september kwam hij weer terug bij zijn eenheid.

De winter verliep betrekkelijk langdradig voor Howard, op een verveldende longontsteking na, waar hij ook weer van herstelde.

In het voorjaar van 1945 moest hij weer aan de slag.  Begin april stak hij via een bruggenhoofd bij Almen het Twentekanaal over, richting het noorden.  Hij kwam niet verder dan Laren,  waar hij tijdelijk werd begraven onder de peren- en appelbomen langs de Zutphenseweg, net buiten het dorp.

Later werd hij herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten, waar hij ligt in plot II, rij E, grafnummer 1.

©2016 Jan Braakman

Een testament, drie dagen voor zijn dood

Bron: Service Files of the Second World War - War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa
Bron: Service Files of the Second World War – War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa

Op 2 april 1945 moet Fernand Baril uit Montreal (Canada) een slecht voorgevoel hebben gehad.  Hij maakte in zijn Soldier’s Service and Pay Book zijn testament op.  Mocht hij komen te overlijden, schreef hij met zijn Parker vulpen, dan liet hij al zijn bezittingen na aan zijn vader Emilius Baril. Mocht die niet meer leven, dan aan zijn zus Emiliette of zijn zus Aurore. Drie dagen later was Fernand dood.

Fernand was geboren op 12 januari 1925.  Toen hij in november 1943 het Canadese leger inging was zijn moeder al overleden. 

Fernand Baril maakte uiteindelijk deel uit van het Regiment de Maisonneuve, een Canadees regiment dat hard meevocht bij de bevrijding van West-Europa. Hij was  in januari 1945 naar Engeland verscheept en pas in maart 1945 bij het Regiment de Maisonneuve gekomen, nadat hij vanuit Engeland naar het Europese vasteland was gebracht.

Op 2 april 1945 was hij gelegerd in de bossen tussen Zutphen en Lochem.  Daar schreef hij zijn testament. Hij voorvoelde wellicht dat zijn regiment in de komende dagen ingezet zou worden bij de oversteek over het Twentekanaal en de bevrijding van het gebied ten noorden daarvan in Oost-Nederland.

In de nacht van 4 op 5 april kwam hij terecht in hevige gevechten bij de bevrijding van Laren.  Hij was een van de jongens van zijn regiment die het niet overleefden. Samen met zijn maten werd hij begraven bij Almen, aan de Scheggertdijk.

Naast hem lagen Pilon, Ross, Letourneau, Bertrand, Dufort en Gionet.  Jean Paul Belanger, van hetzelfde regiment en op dezelfde dag omgekomen, kreeg een tijdelijk graf aan de andere kant van het Twentekanaal.

Zijn Parker vulpen, een metalen sigarettendoos en twee crucifixen liet hij na aan zijn vader en zijn twee zussen.

Baril is met zijn maten herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot II, rij E, grafnummer 12.

©2016 Jan Braakman

Gesneuveld op zijn verjaardag

Newspaper Clipping, The Dauphin Herald, Dauphin, Manitoba
Newspaper Clipping, The Dauphin Herald, Dauphin, Manitoba

John Slyzuk behoorde tot de moedige mannen die op 11 april 1945 als eersten de IJssel bij Gorssel overstaken. Slyzuk maakte deel uit van het regiment met de welluidende naam Princes Patricia’s Canadian Light Infantry, meestal kortweg aangeduid als PPCLI.

De blauwgeoogde blonde boerenzoon uit Ashville, Manitoba (Canada) was in 1943 in dienst gekomen. Nadat hij zijn militaire opleiding had gehad, kreeg hij een paar maanden verlof om zijn vader Nykolas te helpen op de boerderij. John, geboren op 11 april 1915, wilde graag boer worden. Hij was de derde in een gezin met vijf kinderen. Vader Nykolas (die zich Nick noemde) was getrouwd met Paraska Negrycs. Paraska noemde zich Pearl. Nykolas en Paraska waren van Oostenrijkse komaf en hadden Oekraïense wortels. Hun zoon John kon in woord en geschrift uit de voeten in het Oekraïens en het Engels.

In augustus 1944 werd John verscheept naar Groot-Brittannië, en vandaar werd hij overgebracht naar Italië, waar hij voor het eerst in oorlogsomstandigheden terechtkwam. In maart 1945 ging hij per boot van Italië naar Frankrijk, om vervolgens over land richting Nederland te worden verplaatst. Eind maart was hij in Nederland. 

Op 11 april 1945 moest John onder hevige Duitse tegenstand samen met zijn maten het bruggehoofd slaan over de IJssel. Het werd John fataal. Hij sneuvelde op de dag dat hij 30 werd.

John werd eerst begraven langs de IJsseldijk in Wilp, vlakbij de plek waar nu museum De Kribbe is gevestigd. Hij is later herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot 1, rij D, nummer 8.

©2016 Jan Braakman

Een knappe goedgebouwde soldaat

Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten
Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Op zaterdagmiddag 27 november 1943 reed Jack Ewart Hollingshead paard op de boerderij van zijn vader.  Hij viel eraf en bezeerde zijn linker knie. De volgende maandag meldde hij zich bij de legerarts. De knie was gezwollen en deed pijn. De arts schreef Jack Ewart tweeënhalve dag rust voor.

Hollingshead was net een maand in dienst. 

Jack Ewart was boerenzoon, geboren op 24 januari 1925 in Ingersoll, Ontario, Canada.  Met zijn drie zussen en twee broers hielp hij zijn vader op het gepachte boerenbedrijf.  Op zijn zeventiende begon hij als melkrijder. Hij reed zo’n zestig kilometer per dag om de melk van verschillende bedrijven in te zamelen en naar de melkfabriek te brengen.

Toen hij voor het leger gekeurd werd, noteerde army examiner J. Ralph Knox dat Hollingshead hecht aan het onafhankelijke boerenwerk. Het is een knappe goedgebouwde jongeman met een gebronsd gelaat, de met iedereen vrienden kan maken. Een man die betrouwbaar is, standvastig, verantwoordelijkheid kan dragen en er op getraind is zijn eigen beslissingen te nemen.

Een half jaar later beoordeelde een meerdere hem toch iets minder. Hollingshead mocht er dan goed uit zien, alert en snel zijn in zijn reacties, in zijn training was hij niet meer dan redelijk.  Hij maakte de indruk, aldus zijn meerdere, dat het hem niet zoveel uitmaakte. Toch liet hij weten graag een tank te willen besturen. Daar kwalificeerde hij zich in augustus 1944 voor en in oktober van dat jaar werd hij ingedeeld bij de ‘Glens’, het Dundas and Glengarry Highlanders regiment van het Royal Canadian Infantry Corps.

Hollingshead sneuvelde op 12 april 1945 ergens in Salland. Hij kreeg een tijdelijk graf in het Overijsselse Heino. Nu ligt hij op de Canadese begraafplaats in Holten in plot III, rij D, nummer 16.

©2016 Jan Braakman

Drie keer genezen, toch gesneuveld

Bron: Service Files of the Second World War - War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa
Bron: Service Files of the Second World War – War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa

Kenneth Ward had een paar nare littekens aan zijn hoofd en zijn onderarmen. De littekens waren het gevolg van een ongeluk in de garage van zijn vader Harrie Ward in Glen Allen, niet ver van Toronto in Canada.

Ken had ernstige brandwonden opgelopen toen benzine vlam vatte. Hij lag twee weken in het ziekenhuis.

Maar hij genas.

Ken had er geen last meer van toen hij in november 1942 als negentienjarige werd gekeurd voor het Canadese leger.

De jonge Ward had blauwgroene ogen en donkergrijs haar, op het zwarte af. Hij woog bij zijn keuring ruim 71 kilo en had een lenge van 1,74 meter: een klein gedrongen postuur.

Ken Ward ging niet in het leger vanwege de carrièrekansen. Hij wilde het liefst bij zijn vader in de zaak – garagehouder worden, liet hij weten. Zijn beroep: monteur.

Maar het was oorlog, het Canadese leger recruteerde jonge mannen om mee te vechten in de strijd in West-Europa. Dus Ken ging ook in het leger. Lange tijd verbleef hij in Canada, niet ver van zijn woonplaats Glen Allen in Ontario. Hij raakte al in het ziekenhuis, voordat hij in een gevechtshandeling terecht was gekomen. In oktober 1943 werd hij geplaagd door ernstige buikpijn. Blindedarmontsteking, oordeelde de dokter. Hij moest naar het ziekenhuis – drie weken.

Maar hij genas.

Driekwart jaar later ging het toch echt beginnen. Hij werd op 27 juni 1944 verscheept naar Engeland. Een paar maand later, op 9 september, werd hij, ingedeeld bij the Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, overgebracht naar het Noordwest-Europese strijdtoneel – in Frankrijk. Bij gevechten in België raakte Ken gewond. Hij was getroffen aan zijn rug: een lelijke vleeswond, die behandeling in het ziekenhuis vereiste.

Maar hij genas.

De Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada leverden een fikse bijdrage aan de bevrijding van België, Oost- en Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland. Op 23 april stond Ken met zijn maten voor de taak op te rukken naar het Duitse Delmenhorst.

Het werd hem fataal.

Ken sneuvelde op 24 april 1945. Twee dagen later werd hij tijdelijk begraven in het dorpje Kirchhatten, ten zuidwesten van Delmenhorst. Zijn vader en moeder, Harrie en Kathleen en zijn zusjes Dorothy en Betty kregen op 2 mei bericht van zijn overlijden.

Later werd hij herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten, waar hij ligt in plot X, rij B, graf 14.

©2016 Jan Braakman

Een paardenbloem van Joseph Yurkiw

Bron: Service Files of the Second World War - War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa
Bron: Service Files of the Second World War – War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa

Van sommige gesneuvelde soldaten is weinig meer bekend dan hun naam, legernummer, rang, legeronderdeel, leeftijd en datum van overlijden. Het dossier van Joseph Yurkiw uit Dauphin, Manitoba, Canada is niet heel uitgebreid. Daarin staat hij diende van 9 juli 1944 tot 13 april 1945. Hij was op 29 november met een troepenschip vanuit Canada naar Groot-Brittannië verscheept, waar hij elf dagen later aankwam. Op 31 januari werd Joseph naar het Europese vasteland gebracht om deel te nemen aan de bevrijding van West-Europa. Op 13 april 1945 sneuvelde hij, als gevolg van een ernstige hoofdwond die hij in de strijd opliep. Hij werd begraven in het Drentse Spier – dat ergens in de correspondentie met zijn moeder werd verbasterd tot S Pier.

Yurkiws vader en moeder, Andrew en Tinnie, waren geboren in Rusland – om precies te zijn in de Oekraïne. Zij kwamen – nog als kind met hun ouders – aan het eind van de 19e eeuw naar Canada en settelden zich in Manitoba.

Joseph Yurkiw werd geboren op 25 januari 1924. Toen hij het leger in ging was zijn vader al overleden. Zijn moeder woonde met drie van zijn broers en een zus in Dauphin, Manitoba. Vier andere broers en twee andere zussen waren het huis al uit, evenals een halfzuster en twee halfbroers. Een van de halfbroers, de toen 40-jarige Paul Yurkiw was ook in het leger.

Toen Joseph op 20-jarige leeftijd in dienst ging, mat de legerarts dat hij 1,73 meter groot was, hij woog ruim 61 kilo, had zwart haar en bruine ogen.

Hij had gewerkt als ‘machine operator’ voordat hij het leger in ging bij het staatsbedrijf York Arsenals Ltd, dat werd opgericht om onderdelen te produceren voor het leger. Joseph was dol op sport, maar deed er niet veel aan. En een groot deel van zijn vrije tijd ging op aan een andere liefhebberij: dansen. In oktober 1944, toen Joseph zijn basisopleiding achter de rug had noteerde een van zijn meerderen dat hij een hardwerkende, geïnteresseerde, breed inzetbare en betrouwbare soldaat was.

Hij maakte in april, bij de bevrijding van Oost-Nederland, deel uit van het 1st Bn van het Royal Regiment of Canada. Op 13 april 1945 was hij betrokken bij gevechten in Drenthe, waar hij dodelijk werd getroffen. Nog dezelfde dag werd hij begraven bij het kruispunt in Spier, zoals zijn dossier vermeld. Later is hij herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten: plot IX, rij E, graf 8.

Het persoonlijk dossier van Joseph Yurkiw bevat allerlei papieren over zijn keuring, over zijn trainingen, verlof en over zijn bezittingen bij zijn overlijden. Zijn Soldier’s Service & Pay Book ligt helemaal uit elkaar.

Het meest opvallend in zijn dossier is een paardenbloem.

Die bloem kwam in april 1945 net tot bloei, maar net als het leven van Joseph Yurkiw, werd de bloem in de knop gebroken. Waarom is de geknakte bloem in het dossier van Joseph terecht is gekomen?

Willem Kloos (1859-1938) dichtte:

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Gij kwaamt, en ‘k wist — gij zijt weer heengegaan…
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos nà die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op éés ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, ’t is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer ’t zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door ’t sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

©2016 Jan Braakman