Frederick Parkinson, kleurenblind maar vol ambitie

Frederick Parkinson wilde graag een bijdrage leveren aan de strijd tegen de Duitsers. De geboren Brit woonde in Montreal (Quebec, Canada) met zijn vrouw en twee kinderen toen hij in april 1944 het leger in ging. Hij had toen al verschillende pogingen gedaan om bij de marine of de luchtmacht te worden aangenomen.

Parkinson als jonge jongen. Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij had zich gemeld bij de Royal Canadian Airforce, maar daar was hij geweigerd. De marine wilde hem niet aannemen omdat hij kleurenblind was. Hij deed een tweede poging bij de marine, om als stoker te worden aangenomen. Opnieuw werd hij afgewezen, omdat hij niet genoeg ervaring had.

Parkinson was als jongen door zijn vader naar het opleidingsschip Wellesley gebracht. Het schip was vooral bedoeld voor weesjongens. Parkinsons vader leefde nog, maar zijn moeder was overleden toen hij nog klein was. Zijnvader wist niet hoe hij het gezien draaiende moest houden en daarom besloot hij Frederick naar het opleidingsschip te sturen.

Na de opleiding was hij meer dan zeven jaar werkzaam in de koopvaardij. Toen hij in 1935 trouwde met Margaret Murphy ging hij aan land. Margaret en Frederick woonden in Rosemount (Quebec). Ze kregen twee kinderen: Margaret Joan (1935) en Barbara Ann (1937). Frederick werkte als machine monteur voordat hij in dienst kwam bij het oliebedrijf McColl Frontenac. Daar vervulde hij verschillende functies. Hij stapte over naar Canadian Vickers waar hij aanvankelijk schilder was, maar later als lader en losser in de haven werkte.

Bron: Canadian Virtual War Memorial

Hij was al 35 toen hij toch nog in dienst werd genomen. Niet bij de luchtmacht of de marine, maar bij de landmacht. Frederick maakte indruk. “Hij heeft de goede aanleg en de juiste instelling” schreef captain R.A. Wendt in een beoordeling. “Hij werkt hard en doet het goed bij de oefeningen.” Frederick wilde het liefst schutter zijn. “Hij is slim en heeft een militaire uitstraling”, oordeelde Wendt.

In oktober 1944 werd Parkinson verscheept vanuit Canada naar het Verenigd Koninkrijk. Het laatste oorlogsjaar was al begonnen toen Frederick op 6 januari werd overgebracht naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa. Eind februari werd hij ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Zijn regiment was betrokken bij zware gevechten in het Hochwald, begin maart, toen bij Rees (Duitsland) een bruggenhoofd over de Rijn werd gerealiseerd. Daarna kon het regiment in de omgeving van Nijmegen op adem komen. Eind maart, begin april begon het regiment de opmars naar het noorden, via Terborg, Doetinchem, Hummelo, richting Twentekanaal bij Almen. Nadat ze het kanaal waren overgestoken zou het Regiment de Maisonneuve het bruggenhoofd uitbreiden richting het Gelderse Laren, zodat het regiment van de Black Watch daarna de aanval op 5 april 1945 op Laren konden overnemen.

Bron: Virtual War Memorial

Het werd een onverwacht harde strijd, waarbij de Black Watch het zwaar te verduren kregen. En voor Parkinson sloeg het noodlot toe.

Parkinson werd geraakt. Hij raakte zwaar gewond aan zijn hoofd. Een kogel had hem precies op zijn kruin geraakt. Hij had een gapende wond bovenop zijn schedel. Maar hij leefde nog. Hospiks noteerden om zeven uur ’s avonds een polsslag van 42 slagen per minuut en een hoog ademhalingsritme van 28 ademhalingen per minuut. Hij was bewusteloos. Ze gaven hem een anti-tetanus-serum en lieten hem afvoeren naar het ziekenhuis in Nijmegen. Toen hij daar om elf uur ’s avonds aankwam was Parkinson overleden.

Frederick Parkinson werd tijdelijk begraven vlakbij het ziekenhuis in Nijmegen. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Groesbeek: plot V, rij E, graf 4.

Source: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26760

©2018 Jan Braakman

Arthur Jeffrey sneuvelde op Tweede Kerstdag

Op 5 maart 1945 doopte Eleanor Jeffrey de pen in de inkt. Het had nu lang genoeg geduurd, vond ze. Sinds Kerst 1944 had ze niets meer gehoord. Hoe zat het met al de spulletjes die zij en haar vijf jarige dochtertje nog tegoed hadden van haar man Arthur Francis Jeffrey?

Arthur Francis Jeffrey, tabakswerker uit Montreal, gehuwd met Eleanor en vader van Anne Carol, werd in september 1939 gerecruteerd voor het Canadese leger. Hij werd in 1940 opgenomen in de rangen van het Royal Highland Regiment of Canada (Black Watch).

Elanor herinnerde hoe haar man het leger in was gegaan, op de eerste dag van september 1939. En vanaf die dag was hij steeds in uniform geweest, schreef ze. Eerst was hij een paar maanden gelegerd geweest bij het

Armoury van de Black Watch in Montreal. Bron: Wikipedia

Soulanges Canal, in de buurt van Quebec (Canada). Daarna kwam hij terug naar zijn woonplaats Montreal, waar hij werd gelegerd in de Armoury van de Black Watch in Bleury Street. De dag na kerst 1939 vertrok hij naar Toronto. In mei van het volgende jaar verplaatste zijn bataljon naar Valcaltier, om vandaar met de boot naar New Foundland te gaan.

Na een paar maanden oefeningen in New Foundland kwam Arthur weer terug naar het Canadese vasteland, om in augustus van hetzelfde jaar verscheept te worden naar Schotland. Hij zou nooit meer thuis komen. Hij zou zijn dochter niet zien opgroeien.

Op 5 juli 1944 werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk verscheept naar het front in Frankrijk. Veertien dagen later liep hij zijn eerste verwonding op, bij de Franse plaats Ifs ten zuiden van Caen, waar zijn regiment onder zwaar granaat- en mortiervuur kwam te liggen. Hij werd teruggebracht naar Engeland waar hij in het ziekenhuis aan zijn verwondingen werd behandeld.

In november was hij zover opgeknapt dat hij weer kon deelnemen aan de gevechten. Hij ging terug naar zijn regiment, dat op dat moment in Walcheren verbleef. Het was een periode van betrekkelijke rust na de zware gevechten die in oktober hadden gewoed om de toegang tot de haven van Antwerpen en de Schelde. De soldij was uitbetaald en veel soldaten probeerden souvenirs te vinden voor hun geliefden thuis. De troepen kregen nieuwe uniformen. En Arthur Jeffrey werd gepromoveerd tot Corporal. 

Een paar weken later, op 16 december zat hij met zijn compagnie in een loopgraaf ten zuiden van Groesbeek en ten oosten van Mook bij het dorpje Riethorst, toen ze plotseling door Duits geschut onder vuur werden genomen. Aanvankelijk vreesden de troepen dat een gerichte aanval werd uitgevoerd, maar later bleek dat het ‘gelukstreffer’ van de Duitsers was geweest. Jeffrey raakte echter opnieuw gewond – al was het deze keer niet zo ernstig dat hij naar het ziekenhuis moest.

In de dagen daarna vierden de troepen de voorbereidingen op Kerst met de lokale bevolking. Er werden filmvoorstellingen voor de kinderen georganiseerd en voor de troepen werden kerkdiensten gehouden op Eerste Kerstdag – een voor de katholieken en een voor de protestanten.

Een dag later lag Jeffrey opnieuw onder vuur. En deze keer was hij op slag dood: gesneuveld op Tweede Kerstdag. “Zijn dood kwam als een verschrikkelijke schok en en nauwelijks te dragen”, schreef zijn vrouw een paar maanden later aan Lt-Col Knox. “Hij was zo vaak gewond geraakt in december en toen was hij bijna gedood op Eerste Kerstdag en vervolgens sneuvelde hij op Tweede Kerstdag.”

Brief van Eleonore aan Lt-Col Knox van de Black Watch. De brief werd pas na maanden bezorgd. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

“Hij was al verschillende keren gewond geraakt en zou eigenlijk al naar huis moeten komen – vijf jaar is te lang voor iemand om van huis te zijn.”

Eleanor schreef dat ze “zeer, zeer verbitterd was, dat hij nooit thuis was geweest voor verlof – zelfs niet voor alleen maar 30 dagen. Hij had het zeker verdiend. Hij laat een grote kleine dochter na, die nog maar vijf jaar oud is, die voortdurend praat over haar vader die thuis zal komen. Wat jammer, wat verdrietig voor een kind om vaderloos achter te blijven.”

De spulletjes die Jeffrey had gekocht, kwamen uiteindelijk toch op de bestemde plek terecht, al ging er driekwart jaar overheen. Hij had souvenirs gevonden en bewaard: een lepel en een vork.

Jeffrey (hij stierf op 31-jarige leeftijd) kreeg zijn laatste rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Groesbeek: 1 C 16.

©2018 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Michael Peter Brown hield van zingen

14040509_1451139938
Michael Peter Brown. Foto via Wouter van Dijken

Michael Peter Brown zong.  Als hij als houthakker aan het werk was kon Michael ongestoord de liedjes aanheffen die hij als kind had geleerd, of op de radio gehoord.

Toen hij in september 1942 als 28-jarige keuring deed voor het Canadese leger vertelde hij van zijn liefhebberij.  Hij had op de boerderij gewerkt, gevist en in de bossen bomen gehakt. Hij verdiende er 15 dollar per week mee.

Michael kwam uit een gezin met zeven broers en drie zusters. Hij was geboren op 4 januari 1914. Zijn vader was visser in Nova Scotia. Hij was niet heel erg slim, oordeelde Army Examiner captain L.E.A. Fraser. Hij had een beperkt mechanisch inzicht, kon geen auto rijden en zijn opleiding was ook niet je van het.  Hij was op zijn veertiende van school gegaan om te gaan werken.

Hij hield van het legerwerk,  zo bleek na enkele maanden toen hij nog eens werd beoordeeld.  Hij werd naar aanleiding van de tweede beoordeling overgeplaatst van de CFC (Canadian Forestry Corps) naar de RCE (Royal Canadian Engineers).

Hij werd in maart 1943 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 5 april aankwam. Daar kwam hij de liefde van zijn leven tegen:  de zeven jaar jongere Lilian May Smith uit Grimsby. Lilian en Michael trouwden op 29 juli 1944 in Grimsby, met toestemming.

Op 6 september 1944, vlak voor operatie Market Garden, maakte Michael de overtocht naar Frankrijk. Hij was toen al ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada. In oktober werd hij bevorderd van private tot lance corporal.

Hij overleefde de slag om de Schelde, die de geschiedenis is ingegaan als Black Friday voor de Black Watch.  Op vrijdag de 13e oktober lieten 90 van zijn maten het leven in de omgeving van Hoogerheide. Doel van de strijd om de Schelde was de haven van Antwerpen te kunnen inzetten als aanvoerroute.  De Duitse weermacht zette alle middelen in om dat te voorkomen. Aan het eind van de vijf weken durende strijd was het lot beslecht en gaven de Duitsers zich gewonnen. Maar de tol was hoog. De Canadezen hadden weliswaar meer dan 40.000 Duitsers krijgsgevangen genomen, maar aan geallieerde kant waren de verliezen enorm. Bijna 13.000 soldaten kwamen om, raakten gewond of vermist; ongeveer de helft van hen was Canadees.

42127_83024005507_0454-00248
Het bidprentje van Michael Brown. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

In de eerste week van januari 1945 was het – op wat kleine schermutselingen na – rustig aan het front.  De Canadese inlichtingendiensten zagen terugtrekkende bewegingen van Duitse legeronderdelen in het Land van Altena.  Michael Brown kreeg op vrijdag 5 januari een bidprentje met een beeltenis van Maria met het kindje Jezus en de tekst: “Maria, Koningin van den vrede, bid voor ons.” 

Brown schreef er met potlood bij: “Holland 1945; F32380 cpl Brown MP Junary 5nd 45“.

Dat prentje lag bij zijn spullen toen hij vier maanden later, op donderdag 5 april in het Gelderse Laren dodelijk getroffen werd, bij de actie van de Black Watch om het dorp op de vijand te veroveren.

1010587
Het graf van Michael Peter Brown op de Canadese Begraafplaats in Holten. Foto: Jan Braakman

Brown was een de vele mannen van de Black Watch die op die dag gewond raakten of sneuvelden. Hij werd tijdelijk begraven in een boomgaard langs de Zutphensweg aan de rand van het dorp samen met zijn maten Jean Baptiste Turcotte, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Gerald Paul MacKenzie, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later werd hij herbegraven in Holten:  Plot 1, rij E,  graf 12.

Lillian zou haar man nooit meer horen zingen. Weduwe Lillian May Smith hertrouwde later met Barry Haines. Ze overleed in 1989.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

 

 

 

 

 

Een gebroken spiegel voor moeder Mathilda MacKenzie

Volgens luitenant Maurice Rozand was Gerald Paul MacKenzie plezierig in de omgang, een volwassen vent met wie je een goed gesprek kon voeren. MacKenzie was een belezen man, hij wist wat er in de wereld gaande was, rapporteerde Rozand, de man die MacKenzie beoordeelde bij de keuring voor het Canadese leger.

Name:MacKENZIE, GERALD PAUL Initials: G P Nationality: Canadian Rank: Private Regiment/Service: Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada Age: 28 Date of Death: 05/04/1945 Service No: D/145446 Additional information: Son of Harry P. and Mathilda MacKenzie, of St. Sauveur des Montagnes, Terrebonne Co., Province of Quebec. Casualty Type: Commonwealth War Dead Grave/Memorial Reference: I. E. 11. Cemetery: HOLTEN CANADIAN WAR CEMETERY
Het graf van Gerald Paul MacKenzie op de begraafplaats in Holten. Bron: online-begraafplaatsen.nl

MacKenzie was tweetalig, Frans en Engels. Zijn moeder Mathilda MacKenzie-Langlais was Franstalig, zijn vader Harry P. MackKenzie Engelstalig. Gerald Paul was geboren op 27 januari 1917, als tweede in een gezin met drie kinderen. Hij had tot zijn zestiende op school gezeten. Toen moest hij aan het werk om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Die plicht vervulde hij met genoegen. Hij was een leergierige werknemer die zich opwerkte van hulpje in de bediening tot manager in een wegrestaurant.

Gerald Paul MacKenzie was een prima kok. Hij had vierenhalf jaar ervaring. Eerst werkte hij vier jaar als bediende in een restaurant, daarna vier jaar als bediende en kok en uiteindelijk was hij drie jaar de kok in de vestiging van de restaurantketen Childs’ in Montreal, waar hij mede de leiding had. Tot hij op 31 mei 1944 het leger inging.

Eigenlijk wilde MacKenzie bij de marine. Maar hij was bereid om andere klussen in het leger te doen, zolang er voor hem geen plek bij de marine was. En zo kwam hij bij de infanterie terecht.

De 27-jarige MacKenzie ontwikkelde zich als een snel lerende rekruut die doelmatig werkte en goed zijn best deed. Hij kon alle trainingen goed volgen. Hij liet merken dat hij graag de strijd overzee aan wilde gaan.

Uiteindelijk ging hij op transport in december 1944. Op eerste kerstdag kwam hij in Engeland aan. Het was zijn eerste kerst buiten Canada, en de laatste kerst van zijn leven.

In februari 1945 werd hij naar het Europese vasteland gebracht. Op dat moment wist hij nog steeds niet bij welk regiment zou worden ingedeeld. Dat gebeurde op 4 maart. Hij werd ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada. 

Amper een maand maakte hij deel uit van het regiment. Op 5 april 1945, bij het Gelderse Laren, sneuvelde hij toen zijn regiment bij een aanval op het dorp zwaar onder Duits vuur kwam te liggen.

MacKenzie werd tijdelijk begraven in een boomgaard aan de Zutphenseweg in Laren, samen met negen van zijn maten: Jean Baptiste Turcotte, Michael Peter Brown, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten: plot 1, rij E, graf 11.

Baby_Brownie_(5461271769)
Baby Brownie camera. Bron: wikipedia

Zijn persoonlijke spullen werden aan zijn moeder toegestuurd: een gebroken spiegel, een kruis en andere religieuze aandenkens, postzegels, een aantekeningenboekje, een leren portefeuille, een vulpen, een gouden armband, een aantal foto’s en een camera, de Baby Brownie.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jean Baptiste Turcotte droeg de foto van een onbekende vrouw bij zich

turcotte
De onbekende vrouw van wie de foto in de nalatenschap van Turcotte werd gevonden. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

Jean Baptiste Turcotte had geen vriendin toen hij in maart 1944 het Canadese leger inging. Maar toen hij ruim een jaar later sneuvelde lag er bij zijn persoonlijke bezittingen een fotootje van een jonge vrouw in militaire kleding.

Het was een bijzondere foto, niet zozeer vanwege de vrouw die er op stond, maar vanwege het feit dat het plaatje van de vrouw was afgesneden of geknipt van een als ansichtkaart gedrukte foto. De foto was verweerd en beschadigd. De vrouw staat vriendelijk lachend te poseren op de foto, een rond gezicht, golvend donkerblond haar. Zij stond voor een houten gebouw, mogelijk een militaire barak. Waarschijnlijk in Engeland, gezien een deel van een aantekening die nog zichtbaar is op de achterzijde. De persoon naast haar is zorgvuldig van het beeld geknipt of gesneden.

44485_83024005507_0676-00150
Voorzijde foto. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

44485_83024005507_0676-00151
Achterzijde foto. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

Wie de vrouw op de foto was, is tot op heden een raadsel. En waarom de negentienjarige Jean Turcotte de foto bij zich had toen hij op 5 april 1945 in Laren (Gld) sneuvelde, zal mogelijk altijd een vraag blijven.

Jean Turcotte was op 28 juni 1925 geboren in Regina (Saskatchewan, Canada) als negende kind in een gezin met twaalf kinderen. Hij woonde net als de meeste van zijn broers en zussen in de provincie Quebec, in de omgeving van Montreal. Zijn vader was weliswaar theologisch geschoold, maar werkte tot zijn dood in 1937 vooral als boer en als handelaar. Na het overlijden van zijn echtgenoot (1934) had hij nog weinig omgekeken naar zijn kinderen. Jean kreeg onderdak bij zijn zus.

Twee van Jeans broers waren ook in het leger, van wie één in Europa vocht in het regiment Fusiliers Mont Royal.

Jean werkte als jongen van vijftien al in de mijnen. De stap naar het leger was zijn mogelijkheid aan die zware arbeid te ontkomen.

Bij zijn eerste beoordeling na de aanmelding in het leger, schreef luitenant R. Chalifour dat Jean een energiek gezonde jonge vent was, met goede manieren, joviaal met een open blik en vol zelfvertrouwen. Enige minpuntje, zijn verschijning was niet al te netjes.

Jean werd beschreven als gevoelig, onbezorgd, maar zonder ambitie en met weinig idee over de toekomst. “He is light of character, and never has been interested in learning any trade. He appears nevertheless honest and sober”, oordeelde Chalifour.

In het leger bleek hij een snelle leerling. Hij volgde met succes de chauffeursopleiding. Hij had de kwaliteiten om de leiding te nemen. Toch had hij tegenslag. Hij raakte gewond aan een van zijn benen en moest daarvoor naar het ziekenhuis. Later had hij rugklachten en last van zijn longen. De fysieke ongemakken weerhielden hem en zijn meerderen er echter niet van om Jean geschikt te achten voor de strijd in Europa.

Op 14 oktober werd hij verscheept naar Engeland. Op 2 januari 1945 werd hij naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa gebracht, waar hij was ingedeeld bij het regiment van de Black Watch (Royal Highland Regiment of Canada). 

Vanaf begin april maakte Turcotte de opmars mee door Oost-Nederland. Via Terborg, Doetinchem, Hummelo trok zijn regiment op naar het Twentekanaal bij Almen, waar ze op 3 april overstaken. De 4e brigade had daar al een bruggenhoofd gevormd.

De taak van de Black Watch was om samen met het Regiment de Maisonneuve en de Calgary Highlanders het bruggenhoofd uit te breiden in noordoostelijke richting en het dorp Laren (Gld) te veroveren. De oversteek van het kanaal was beangstigend, vanwege onophoudelijk vijandelijk vuur. Maar de Black Watch leden er geen verliezen.

Schermafbeelding 2016-07-28 om 12.32.40
De bevrijding van Laren in kaart. Bron: REPORT NO. 32, HISTORICAL SECTION (G.S.) ARMY HEADQUARTERS, THE CONCLUDING PHASE OF OPERATIONS BY THE FIRST CDN ARMY

Dat was een dag later anders, toen Laren (Gld) moest worden genomen.

Het plan was dat de Black Watch samen met het tankregiment Fort Garry Horse vanuit het westen (vanaf de richting Zutphen) het dorp zouden benaderen. Het Franstalige Regiment de Maisonneuve zou het dorp aan de noordzijde afsnijden, terwijl de Calgary Highlanders aan de zuidkant langs het Twentekanaal dekking zouden geven. Op die manier zou de Black Watch een ferme basis hebben om het dorp aan te vallen.

De Black Watch en de tanks van Fort Gary Horse waren nog maar nauwelijks begonnen met de opmars, of ze kwamen onder zwaar anti-tankgeschut. Het vuur kwam van een plek, die al door het Regiment de Maisonneuve zou zijn ingenomen en vanuit het dorp zelf. De mannen die op en achter de tanks zaten, moesten dekking zoeken in de sloot. De Black Watch leden zware verliezen en een van de tanks werd uitgeschakeld.

Waarschijnlijk heeft Jean Turcotte bij die actie het leven verloren. De weerstand van de Duitse troepen was te sterk. Het oorspronkelijke veroveringsplan werd afgeblazen. Eerst moest de weerstand van de Duitsers worden gebroken, met zware artilleriebeschietingen op het dorp. Die actie was succesvol. Zonder al te veel moeilijkheden konden de Black Watch alsnog het dorp innemen en om vier uur ’s middags had het Canadese leger de controle.

Jean Baptiste Turcotte werd na de strijd tijdelijk begraven in een boomgaard langs de Zutphenseweg in Laren (Gld), samen met zijn maten Michael Peter Brown, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Gerald Paul MacKenzie, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten: plot 1, rij E, graf 15.

De foto van de onbekende vrouw bleef in zijn dossier achter.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het slagveld.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

©2016 Jan Braakman

Sniper Dale Sharpe, de man met een stuursnor

George Dale Sharpe (1945). Bron: Ted Sharpe
George Dale Sharpe (1945). Bron: Teddy Sharpe

Op 5 april 1945 zou het dorp Laren (Gld) door Canadezen worden bevrijd. Het was een onverwachts harde strijd, waarbij tientallen Canadese en Duitse soldaten omkwamen. Onder hen was de Canadese sluipschutter Dale Sharpe.

George Dale Sharpe zag het levenslicht op 22 oktober 1917. Hij was al 25 toen hij in maart 1943 dienst nam in het Canadese leger. Hij was getrouwd met Zelma June. Ze woonden in Belleville, Ontario, Canada. Dale en Zelma hadden twee kinderen, zoon Teddy en dochter Dale. In december 1943 werd Dale verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij twee dagen voor kerst aankwam. Zijn vrouw was toen vijf maanden zwanger van hun derde kind. Glen werd op 28 maart 1944 geboren. Hij zou zijn vader nooit zien.

Dale Sharpe had verschillende baantjes gehad, voordat hij in 1943 het leger inging:  als knecht op een boerderij, als vrachtwagenchauffeur en zijn laatste baan was winkelbediende bij de Canadese spoorwegen Canadian National Railway. Dale was een sportieve jonge vent, fors gebouwd: met een lengte van 1,78 meter en een gewicht van 93 kilo.

Bij zijn keuring werd over hem opgemerkt dat hij een rustige man was, maar niet erg agressief. Hij kon goed uit zijn woorden komen en gaf blijk van een bovengemiddelde intelligentie. Hij had in zijn werkzame leven nooit leiding gegeven en zich ook niet echt gespecialiseerd. Dale Sharpe kreeg een opleiding als sluipschutter in het scout platoon van de Black Watch.

Hij werkte onder anderen met Russell Sandy Sanderson. De scouts slopen in de Duitse linies om de vijand bij verrassing te treffen en chaos en wanorde te veroorzaken. Sanderson vertelde erover in het boek Canada and The Liberation of The Netherlands: “Onze taak was als sluipschutter de vijand neer te schieten. We deden ook patrouilles. We hadden een geweer met een telescoopvizier – we konden ons doel kiezen op een enorme afstand. Je lag daar, met je scout naast je die de verrekijker had. Het was een vak. Geen verdriet, geen zorgen. Ik geloof dat ik er goed in was. We hielden niet bij hoeveel mensen we doodden. Het was een mooie baan en ik genoot ervan, en ik werkte met fantastische mensen.”

Op 27 december 1944 moest Dale Sharpe een taak uitvoeren met Jim Wilkinson, ook een lid van het scout platoon van de Black Watch. “We dachten dat we slim waren”, vertelde Wilkinson jaren later. “We troffen twee Duitsers en gingen er achteraan. Maar zij waren slimmer dan wij. Zij hadden twee maten, die achter ons lagen. En juist op het moment dat ik een van die Duitsers te pakken wilde nemen, werd ik geraakt. Twee keer, in mijn rechterbeen. En daarna werd ik nog getroffen door een handgranaat, die zijn maat onze richting op gooide. Dale Sharpe, een grote zware man, kon ze van ons afschudden en hij hielp me terug te komen achter onze linies.”

Russell Sandy Sanderson liet zijn leven lang een stuursnor staan, ter ere van Dale Sharpe. Hier tijdens de herdenking in Holten, mei 2015. Bron: Globe and Mail

Sanderson vertelde in 2010 in een interview met de Canadese immigrantenkrant De Nederlandse Courant dat hij aan Sharpe werd gekoppeld. “Een korporaal met een ‘handlebar moustache’, een stuursnor. Mijn sergeant Tommy Garvin zei: ‘Doe alles wat Sharpe je zegt. Hij zal je leren sluipschutter te worden.’ We oefenden wekenlang, gebruikten verrekijkers om de horizon af te zoeken naar doelen. We konden de vijand raken op 1100 meter en ik heb er veel te pakken genomen. Die arme moffen hadden geen idee wat hen trof. Dale Sharpe lette op me, hij hield me in leven.” Sanderson liet uit eerbetoon aan zijn maat na de oorlog zelf een imposante stuursnor staan, die hij tot zijn dood in ere hield.

Sanderson was erbij toen Sharpe dodelijk gewond raakte. De war diary van de Black Watch meldt dat Dale Sharpe zich op het erf bevond waar het tactisch hoofdkwartier van de Black Watch (het Royal Highland Regiment of Canada) was gevestigd. Dat was de boerderij Koeslag ten westen van Laren (Gld) (nu Lindenbergsdijk 1). De boerderij werd getroffen door hevig Duits artillerievuur.

Boerderij Koeslag in april 1945, waar Sharpe werd getroffen door Duits granaatvuur; inzet: de boerderij voor de verwoesting. Bron: Gebeurtenissen uit Laren tijdens den oorlog, Joh. E. Koeslag

Sharpe werd door verschillende granaatscherven geraakt, vertelde Sanderson. Het was op 5 april 1945, rond acht uur ’s morgens. Sanderson was aangedaan. “To me Dale was one step below God.” 

Het ging er op dat moment heftig aan toe. Duitse troepen waren niet van zins om het op het oog onbeduidende dorp zonder slag of stoot over te geven. Met zwaar granaatvuur werden de Canadese troepen bestookt. Sanderson zag dat Sharpe getroffen werd door scherven van een granaat die was afgeschoten met een Moaning Minnie, een Duitse granaatwerper die zijn sporen al had verdiend en die zijn naam dankte aan het huilende geluid van de afgevuurde granaten.

Pte Mike Brunner vertelde in de documentaire Black Watch Snipers: “De deuren sloegen open en daar kwamen een paar jongens met een gewonde binnen, en dat bleek Dale Sharpe te zijn. Een hospik vroeg me iets vast te houden en en zijn ingewanden terug te duwen, die kwamen min of meer uit zijn buik. Ik wist niet of hij het zou overleven.”

Sanderson kon zijn tranen niet verbergen: “Hij was een goede man, een goede man. Veel goede mannen bleven achter, maar Dale was een uitzondering.  Ik schaam me niet voor mijn tranen. Ik heb hem geïdealiseerd.  Daarom draag ik nu deze snor.”

Een andere scout van de Black Watch, Jimmy Bennett raakte in Laren ernstig gewond. Hij kwam een dag samen met zijn maat Mike Brunner in een hinderlaag terecht.  Jim werd in de borst geraakt. Hij viel en werd opnieuw geraakt, nu aan het hoofd.  Wilkinson voelde het bloed door zijn mond en neus lopen. “Ik wist dat ik dood zou gaan.” Mike wilde zijn maat niet zo in het bos laten liggen en hield een passerende jeep aan met twee hospiks. Hij dwong de jongens Wilkinson mee te nemen, ook al meenden zij dat hij overleden was. “Ik hoopte alleen maar dat hij levend bij de medische post zou komen”, aldus Brunner. “Die twee dagen waren de slechtste van mijn leven. Ik heb de hele nacht gehuild.  Het was de eerste keer dat ik ergens om huilde.”

Op dezelfde dag verloren de platoon scouts ook Ed “Blondie” Barker. Hij raakte ernstig gewond door een vlammenwerper van de Canadezen zelf, die hem aanzagen voor een Duitse soldaat.  Barker werd door Brunner over de grond gerold om de vlammen te doven.  Barkers verwondingen herstelden en hij kon later terugkeren in de rangen van de Black Watch.

DaleSharpe
Medische kaart van Dale Sharpe: “Died of wounds 1145 hrs”. Bron Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

De verliezen aan Canadese kant waren fors. Alleen al bij het granaatvuur op de boerderij van Koeslag raakten majoor E. Motzfeldt, luitenant A.G. Guam, luitenant J.G. Roberts en korporaal Sharpe gewond. En daar bleef het niet bij. De troepen die met de tanks van de Fort Garry Horse via de Zutphenseweg oostwaarts richting het dorp Laren trokken, kwamen ook onder zwaar vuur te liggen. Twee Canadese tanks werden buiten gevecht gesteld, tankmachinist George Halasz raakte zwaar gewond.

Sharpe had een ernstige buikwond. Hij kreeg meteen morfine toegediend van de hospik en ging met de legerambulance linea recta naar het Canadese hospitaal (2nd Canadian Casualty Clearing Station) in het Patersklooster in ‘s-Heerenberg. Hij overleed om kwart voor twaalf diezelfde ochtend, ‘Died of wounds, 1145 hrs‘ staat op zijn medische kaart.

DaleSharpe
Het graf van Dale Sharpe in Groesbeek. Bron: findagrave.com

Het bericht over zijn dood  kwam vanzelfsprekend hard aan bij het thuisfront. Dale’s zoon Ted herinnerde zich dat zijn moeder heel verdrietig was en veel huilde. “Ik had een leeg gevoel, nadat ik begreep wat er was gebeurd. Maar mijn vader blijft mijn held. Ik heb altijd geprobeerd het goede te doen, voor hem.”

Dale Sharpe is tijdelijk begraven op een begraafplaats bij Emmerich. Daarna kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Groesbeek: plot 17, rij F, grafnummer 5. “Always remembered by wife and three children Dale, Teddy and Glen.”

De vriendschap tussen de scouts van de Black Watch bleef onverbrekelijk. Sandy Sanderson overleed op 9 november 2016 op 90-jarige leeftijd in zijn woonplaats Hamilton (ON, Canada).

Onverbrekelijke vriendschap . . . (Still uit documentaire Black Watch Snipers)

©2016 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

To Ralph, Love Lorraine

RalphSummer42
Ralph Piercey op bezoek bij familie in Ramseyville, Ontario, zomer 1942. Photo credit: Deb Piercey

Ralph Piercey, geboren 4 juli 1927, was de vijfde in een rij van dertien kinderen in het gezin van Jacob en Clara Piercey. Jacob was visser in de toen nog Britse kolonie New-Foundland. Nadat Jacob en Clara in 1920 trouwden, verhuisden ze naar Verdun, niet ver van Montreal (Quebec), waar Jacob timmerman werd – een vak dat hij ook al uitoefende toen hij nog visser was.

Later was hij werkzaam in de metaalindustrie. Jacob en Clara kregen vijftien kinderen, maar veel van de kinderen was een kort leven beschoren. De oudste zoon John, geboren in juni 1921, overleed binnen enkele dagen na zijn geboorte.

Zus Dorothy werd op 20 mei 1922 geboren. Broer Ken zag het levenslicht op 24 februari 1924. Ken had als kind een ongeluk gehad, waarbij zijn arm gekwetst raakte. Daar bleef hij zijn leven last van houden, mogelijk omdat een breuk niet goed gezet was. Die handicap zorgde er voor dat hij in het leger niet bij de actieve troepen werd ingedeeld, toen de Tweede Wereldoorlog zich aandiende. Hij diende als ondersteunend legerpersoneel in Canada.

Zus Marjory werd geboren op 20 mei 1925. De twee zussen die drie jaar verschilden in leeftijd, vierden hun verjaardagen op dezelfde dag.

Ralph was geboren op 4 juli 1927. Hij werd net als zijn broers en zussen gedoopt in de Verdun United Church.

Na hem volgend nog een doodgeboren jongetje (augustus 1929), zijn broer Bill (1932), zijn zus Ethel Bernice (1935), zijn broer Allen Stanley (11 september 1939), zijn broer Brian (1942), zijn broer Donald Bradley (1944), die op éénjarige leeftijd overleed. Zus Rosemary werd geboren op 25 maart 1946. Zij had ernstige hartproblemen, waaraan ze vlak na haar geboorte overleed.

De Tweede Wereldoorlog had zijn aanvang genomen, toen Ralph nog naar school ging. Toen Ralph 16 werd, was het tijd om werk te zoeken. Hoewel zijn vader een baan als timmerman had en zijn moeder met een scherpzinnige financiële discipline de touwtjes aan elkaar knoopte, konden de Pierceys het zich niet veroorloven de kinderen verder te laten leren op de High School. Ralph moest gaan werken.

Ralphge16a
Ralph Piercey. Photo credit: Deb Piercey

Maar gewoon gaan werken, was voor Ralph niet genoeg. Hoewel hij nog jong was, voelde hij een zekere verantwoordelijkheid naar de grote familie waaruit hij voortkwam en waar de geldzorgen van alle dag waren. Ralph was onder de indruk van wat er ‘overseas‘ gebeurde en een zekere hang naar avontuur was hem als tiener klaarblijkelijk niet vreemd. Hij besloot zich te melden bij de Royal Canadian Air Force. Daarvoor moest hij liegen over zijn leeftijd. Hij was niet de enige die dat deed, ook een vriend van hem slaagde er op dezelfde manier aansluiting te vinden bij het leger.

Ze werden in de rangen opgenomen en niemand vroeg ooit nog naar hun leeftijd. Na een paar maanden, toen hij me zijn vrienden op verlof was, gedroeg hij zich onvoorzichtig of onverantwoord. Dat was ernstig genoeg voor de Canadese luchtmacht om hem te ontslaan. Maar Ralph liet het er niet bij zitten. Hij meldde zich opnieuw aan en werd alsnog opgenomen in de gelederen van de Black Watch (Royal Highland Regiment of Canada).

RalphAge17
De zeventienjarige Ralph Piercey, rustend, na zijn basisopleiding. Photo credit: Deb Piercey

Hij deed zijn basis-opleiding in oktober 1944. Na de opleiding kwam hij nog een keer terug. Zijn kleine broertje Alan kon zich die gelegenheid ver na de oorlog nog levendig herinneren. Ralph bracht voor alle broers en zussen een ‘nickel‘ mee, waarvoor ze ieder een eigen zak chips konden kopen.

 

 

LorraineAug9
To Ralph, Love Lorraine; Photo credit: Deb Piercey

Ralph had vaste verkering, met Lorraine. Hij droeg de foto van haar altijd bij zich, ook toen hij aan het eind van het jaar naar Europa werd verscheept. De kerst bracht Ralph door in België. Hij stuurde een kaart met de tekst “Love Ralph XXOO Belgium Christmas 1944”.

Het was het laatste bewaard gebleven bericht aan zijn ouders en broers en zussen. Toen de oorlog officieel ten einde was, begin mei 1945, waren Ralphs ouders opgelucht. Hun zoon was nu veilig, veronderstelden ze.

Ze waren nog onwetend van wat Ralph op 5 april 1945 in Laren was overkomen. Daar kwam hij bij zware gevechten om. Hij werd tijdelijk begraven in het dorp. In januari 1946 kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Holten, op plot 2, rij E grafnummer 5.

De tijdelijke begraafplaats van Ralph Piercey in Laren (Gld)

Het bericht dat hij was gesneuveld kwam hard aan bij Ralphs ouders. Vooral zijn moeder had het er moeilijk mee. Een van Ralphs vrienden kwam later op bezoek. Hij bracht Ralphs persoonlijke spullen mee, inclusief een foto van Lorraine, met op de achterkant geschreven: “To Ralph, Love Lorraine, Aug. 9, 1944.”

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24

Met dank aan Deb Piercey.

 

Twee broers Forbes

Fred Forbes. Source: Larry Forbes

Emily Taylor was niet voor het geluk geboren. Ze was moeder van vijf kinderen, misschien wel zes – daarover zijn de archieven niet helemaal duidelijk. Na de Tweede Wereldoorlog was haar gezin gedecimeerd. Haar man was weggelopen,  twee zoons waren gesneuveld in het leger, een zoon en en dochter leefden nog en van twee andere kinderen is het lot tot op heden onzeker.

Emily Taylor trouwde in september 1910 op 21-jarige leeftijd met de drie jaar oudere William Gray Forbes. William en Emily kregen vijf kinderen, misschien wel zes.

Er zijn aanwijzingen dat Emily al een dochtertje van een paar maanden had, voordat ze met William in het huwelijk trad.  Na hun huwelijk kregen ze zeker nog drie zoons (Arthur, William en Fred) en een dochter (Dorothy) – volgens één bron was er nog een vierde zoontje (James), dat op jonge leeftijd in 1916 overleed.

Het huwelijk van Emily met William hield twintig jaar stand. Maar in 1930 verliet William haar en zij bleef achter met de toen 19-jarige Arthur, zijn twee jaar jongere broer Fred, de 14-jarige William en de 11-jarige dochter Dorothy.

Arthur ging meer en meer de rol van zijn vader vervullen in het gezin. Zijn moeder was weliswaar geen weduwe, schreef Arthur, maar was wel financieel afhankelijk van hem – ook toen Arthur het leger in ging.

Arthur  George Forbes was in maart 1941 in dienst gekomen bij het Canadese leger. Hij had daarvoor in de kolenmijnen in Alberta gewerkt, net als zijn broer Fred. In oktober 1941 werd hij al overgeplaatst naar het Verenigd Koninkrijk waar hij was ingedeeld bij de Canadese aan- en afvoertroepen (Royal Canadian Ordnance Corps).

Bron: Margaret Rose Gaunt
Bron: Margaret Rose Gaunt

Op 13 augustus 1943 – of het zo moest zijn:  vrijdag de dertiende – hielp Arthur bij het laden van tanks op treinwagons op het rangeerterrein bij het station Brandon.  Op een rustig moment zocht hij samen met zijn maat V. Zaborowski een plek om te plassen. Ze gingen tussen twee vrachtwagons staan die ongeveer twee meter uit elkaar stonden. Opeens ging een van de wagons rijden.  Zaborowski kon zich in veiligheid brengen. Arthur Forbes was minder fortuinlijk. Hij raakte bekneld tussen de buffers van twee wagons.

Hij was nog bij kennis toen hij  naar het ziekenhuis werd gebracht, maar de dokters zagen al snel dat hij er zeer ernstig aan toe was. Hij had gebroken ribben, zijn long was doorboord, hij had interne bloedingen. Binnen vijf uur was Arthur overleden. “Deceased. Accidentally injured while on duty”, werd in zijn dossier genoteerd.

De dood van Arthur werd grondig onderzocht. Uiteindelijk kwamen de legerautoriteiten tot de slotsom dat het een ongeluk betrof en dat niemand echt iets te verwijten viel.

Emily Forbes kreeg als enige erfgenaam een uitkering van ongeveer 490 dollar.

Of de dood van zijn broer een rol speelde bij de beslissing van Fred Forbes om het leger in te gaan vertellen de archieven niet. Wel gaf Fred aan dat hij dezelfde weg op wilde als zijn overleden broer.

Fred Forbes, geboren op 27 juli 1913, was al meer dan zeven jaar getrouwd met Rita Corbitt toen hij in maart 1944 tekende voor het leger. Rita en Fred hadden drie kinderen, drie jongens. Kenneth was de oudste – geboren in 1937, de tweeling Larry en Barry vier jaar jonger.

Hoewel Fred zijn eigen gezin moest onderhouden, droeg hij net als zijn broer ook financieel bij aan het huishouden van zijn moeder met een maandelijkse bijdrage. Fred werd al snel naar Engeland verscheept en in september ging hij als gewoon soldaat bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada naar het front in West-Europa.

Hij moest hard vechten toen zijn regiment samen met het Regiment de Maisonneuve en de Calgary Highlanders via de Sloedam een doorbraak naar Walcheren probeerde te forceren. Het was een zware strijd ten koste van veel gewonden en doden. Alleen bij de Black Watch werden aan het eind van de dag 85 gewonden en doden geteld. Fred had verwondingen aan zijn voet opgelopen. In legertermen was hij licht gewond.

Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Na een maand kon hij terugkeren bij zijn regiment. In april 1945 raakte hij opnieuw betrokken bij zware gevechten, nu bij Laren (Gld). Opnieuw moesten de Black Watch en de Maisonneuves het zwaar ontgelden. Fred werd geraakt, dodelijk getroffen. Killed in action, vermeldt zijn dossier. Zijn drie kinderen zouden hem nooit meer zien. Zijn moeder moest een tweede volwassen zoon missen.

Misschien kwam het nog goed tussen moeder Emily en vader William. Zij liggen zij aan zij op de begraafplaats op Drumheller Cemetery in Alberta. William overleed in 1963, Emily  in 1973.

Fred’s vrouw Rita vond jaren later een tweede liefde, waar ze nog lang het leven mee deelde. In 2007 overleed zij.

Fred werd de dag nadat hij gesneuveld was tijdelijk begraven in Laren (Gld). Later werd hij herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot I, rij E, grafnummer 13.

Fred Forbes’ onderscheidingen. Bron: Larry Forbes

Zijn broer Arthur is begraven in Engeland, op de Canadese afdeling van de militaire begraafplaats in Brookwood. Hij ligt in plot 45, rij E, grafnummer 4.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

De vrouw in de boot – wie is zij?

Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947
Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Gordon Hume Hand had nog geen jaar gediend in het Canadese leger toen hij op 5 april 1945 in het Gelderse Laren aan zijn verwondingen bezweek. Hand had de overtocht vanuit Canada naar Engeland gemaakt in november 1944 en in februari werd hij verscheept naar het Europese vasteland om deel te nemen aan de strijd tegen Nazi-Duitsland. Hij was ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Toen hij was gesneuveld werden zijn spulletjes bij elkaar gezocht om op te sturen naar zijn nabestaanden. Hand liet een gouden ring na, een leren portemonnee, een sleutel, wat munten, een krantenknipsel, een dasspeld, een paar brieven, twee ingelijste foto’s en nog een paar losse kiekjes van een jonge vrouw.

De foto’s van de vrouw zitten nu, na zoveel jaren, nog steeds in zijn dossier. Waarschijnlijk gaat het om een vrouw van wie zijn familie ook niet wist wie het was.

Toen Gordon Hand het leger inging maakte hij niet de indruk een rokkenjager te zijn. Op luitenant Gaston Fateux maakte Gorden een wat verwijfde indruk. “Hand is een slimme jongeman, van gemiddelde lengte”, schreef Fateux na de eerste kennismaking. “Zijn manieren zijn een beetje verwijfd. Hij is beleefd en bereidwillig, hij is vrijgezel en de vijfde in een gezin met zes kinderen Hij heeft geen klachten.”

Of Gordon de vijfde of de vierde was in het gezin, was een beetje moeilijk te bepalen. Hij was een van een tweeling.  Hij werd in het Sherbrooke Ziekenhuis geboren, samen met zijn broer John Windsor.

Toen hij in mei 1944 het leger inging had hij een groep vrienden, maar hij ging met niemand intiem om, vertelde hij. Verkering had hij niet, en ook niet gehad. Hij hield niet van sport, niet om het te doen en ook niet om te kijken. Al zou hij nooit nee zeggen, als hem gevraagd werd mee te doen. Maar liever ging hij dansen of luisteren naar populaire muziek, of lezen.

Toen Gordon overleed had hij een paar kiekjes bij zich van een jonge vrouw. Ze had donker golvend haar en zag er volwassen uit. Een van de snapshots van haar toont de vrouw zittend in een bootje op een meer of een brede rivier – waarschijnlijk in Canada. Het is nog fris, de bomen zijn niet in het blad en de vrouw draagt een nette overjas over haar lichte jurk met een kanten kraag.

Achterop de foto staat een aanwijzing: Photo Club – Magog Que. Zou Hand met deze vrouw een boottochtje hebben gemaakt op Lake Magog, bij de plaats Magog in de Canadese provincie Quebec? Was zij de vrouw aan wie hij zijn hart had verpand? Magog was de plaats waar vader Urban Archibald Hand en moeder Kathleen Mary Josephine Dickson elkaar het jawoord hadden gegeven.

Wie de vrouw is vertelt het dossier niet. Was zij een van de vele ongenoemde ongetrouwde weduwen die hun geliefde niet zagen terugkomen?

Hand was 18 toen hij het leger inging. Hij was nog geen 20 toen hij op 5 april sneuvelde in Laren. Daar kreeg hij een tijdelijk graf. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar een definitieve rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Holten: plot I, rij E grafnummer 16.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

Spijt. Spijt, dat we zo lang wachtten

Foto: Privé collectie
Foto: Privé collectie

In 1994 maakten Riek de Greef-Koeslag en Henk de Greef een ritje vanuit hun woonplaats Ayton in de Canadese provincie Ontario. Hun doel was Paris, zo’n 130 kilometer ten zuiden van hun woonplaats en ongeveer 120 kilometer ten westen van Toronto.  Ze hadden een briefje bij zich met een naam: Todd, James George. Ze waren op zoek naar familie van deze Todd.

In Paris aangekomen stopten ze bij de eerste telefooncel en keken in het lokale telefoonboek. Ze pleegden een paar telefoontjes.  Een van de mensen die ze aan de lijn kregen vertelde dat ze in Brantford moesten zijn: een ritje van 15 kilometer. Daar aangekomen volgden ze dezelfde procedure:  de telefooncel in en het telefoonboek doorpluizen. Ze kregen via via het adres van Bertha Hawkins, een zuster van Todd. Zij woonde in Brantford.

Aanleiding voor de zoektocht was een brief die Riek en Henk hadden gekregen van Rieks broer in Nederland.  Of ze op zoek konden gaan naar familieleden van de jongens die gesneuveld waren bij de bevrijding van hun dorp Laren in Gelderland. Er zat een lijstje met twaalf namen bij, meer niet. Twaalf Canadese jongens waren omgekomen binnen een kilometer vanaf de plek waar Riek destijds woonde. Riek en Henk waren inmiddels naar Canada geëmigreerd. Haar broer en zijn familieleden wilden de gesneuvelde jongens in Nederland herdenken.

Riek en Henk namen contact op met de Commonwealth War Graves Commission. De CWGC kon alleen de woonplaatsen geven van de gesneuvelde jongens en daarmee waren ze op pad gegaan. Paris was het dichtst bij geweest. Al die andere jongens kwamen van plaatsen uit heel Canada, te ver om met een auto af te rijden.

James George Todd was op 8 december 1908 geboren in Paris, Ontario. Hij was bijna 35 jaar toen hij zich op 14 oktober 1943 inschreef bij het Canadese leger.

Tot zijn dertiende ging hij naar school. Daarna mocht hij  aan het werk, geld verdienen. Eerst thuis op de boerderij,  waar hij de oudste was in een gezin van vier jongens en twee meisjes – ze waren allemaal volwassen toen hij voor het leger koos. Zijn moeder was overleden toen hij zeventien was.

James werkte als boerenknecht, deed aan machineonderhoud, werkte bij het aanleggen van wegen en de laatste drie jaar voor hij het leger in ging was hij brandweerman.

Toen hij tekende voor het leger werd hij beschreven als een ‘ongetrouwde man met een gemiddelde bouw’. Hij was niet groot:  1,68 meter en woog 63 kilo.  Zijn intelligentiescore was lager dan gemiddeld, maar in de ogen van zijn beoordeler bevredigend. 

Todd was geen spraakzaam type.  Hij was geen sportman en besteedde veel van zijn tijd in boeken, vooral over bouwkunde.

Tien dagen na D-Day, op 17 juni 1944 werd hij met zijn kameraden verscheept naar Engeland om in Europa mee te vechten. Het werd voor hem serieus toen hij op 24 september  1944 naar Frankrijk werd overgebracht.  Hij maakte deel uit van de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.  Op 31 oktober van dat jaar,  rond drie uur in de middag werd zijn eenheid zwaar beschoten. Een paar meter van hem vandaan  sloeg  een 88-millimetergranaan in. Houtsplinters vlogen in het rond. James viel gewond neer en werd afgevoerd.  In zijn dossier kwam te staan dat hij was omgekomen. Dat werd de zelfde dag nog gecorrigeerd in:  vermist.

Maar hij was niet vermist.  Todd lag in het ziekenhuis. Hij had vleeswonden aan nek, oor, gezicht en zijn rechterhand. Zijn neus lag open, zijn oor was gerafeld, hij had een nekwond,  hij had een verwonding tussen de duim en de wijsvinger aan zijn rechterhand.  De dokter haalde twee behoorlijk grote houtsplinters uit zijn hand. James ging terug naar Engeland, waar hij kon herstellen van zijn verwondingen. Hoe vervelend de verwondingen ook waren, in legertermen was James lichtgewond. Na zijn herstel was hij weer inzetbaar.

En dat gebeurde op 18 maart 1945. James Todd  kwam terug bij de Black Watch en trok op naar het noorden van Nederland.  Begin april was hij betrokken bij de bevrijding van de Achterhoek.  Op 5 april kreeg hij in het Gelderse Laren te maken met zware tegenstand.  Hij werd getroffen – nu zwaarder dan de vorige keer.  Hij was op slag dood.

Op diezelfde dag, bij de bevrijding van Laren, zochten Riek Koeslag, haar broers en zussen en haar moeder samen met de buren een veilige plek in een stenen kelder bij de buren.  Toen de Canadezen kwamen dachten ze dat ze bevrijd waren. Maar toen ze de kelder uitkwamen begon het schieten opnieuw.  Rieks moeder werd daarbij dodelijk getroffen. Todd werd op 6 april 1945 begraven in een tijdelijk graf in een boomgaard in Laren, Rieks moeder werd bijgezet op de algemene begraafplaats in Laren. Op haar steen kwam later de vermelding dat haar man het leven had gelaten in een concentratiekamp in Duitsland – maar dat zou pas een paar maand later blijken.

Todd kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten:  plot I, rij E, graf 10.

Geëmigreerd naar  Canada, en bijna 50 jaar later ging Riek met haar man op zoek naar de nabestaanden van James Todd. Ze kwam uit bij Marilyn Purvis, een nichtje (oomzegger) van Todd.

Waarom? Waarom al deze moeite?, vroeg Marilyn Purvis.  “We did this because we are forever grateful to all the men and women who came  from overseas and paid the ultimate price to free us from the Nazi oppression so that we could once again live in freedom and peace. Our only regret is that we waited so long to do it.”

©2016 Jan Braakman