Ticket to Hell: via Dieppe naar Holten

Paul Dumaine schilderde in gevangenschap een impressie van de slag bij Dieppe. Bron: thememoryproject.com Luister naar het verhaal van Paul Dumaine – overlevende van de Fusiliers Mont Royal.

Operation Jubilee werd één groot drama

Niet alles liep mis, maar veel wel

Dieppe, 19 augustus 1942, 04:50 uur

Bij de dageraad van 19 augustus 1942 ploegden merendeels Canadese jongens door het water van de Noordzee en over het strand voor de Noord-Franse kust bij Dieppe. Zij moesten samen met Britse en Franse commando’s en US Rangers bij verrassing Duitse stellingen onschadelijk maken, de luchthaven bij St Aubin vernietigen, olieopslagplaatsen in vlammen doen opgaan, een radiopeilstation onklaar maken, de haven- en spoor installaties vernietigen, een Duits hoofdkwartier vernietigen, documenten en Duitse schepen buit maken en Duitse militairen krijgsgevangenen nemen. De operatie, die minutieus was voorbereid en bijna tot op de minuut was uitgeschreven, zou hooguit vijftien uur duren. Dat was althans de opzet.

Troepen in Landing Craft Material (LCM) aan het moederschip. Vanaf het moederschip werd de carrier in een landingsvaartuig, LCM,gehesen. Deze LCM’s zetten de voertuigen en tanks af op het landingsstrand. Bron: Canada. Department of National Defence / Library and Archives Canada PA-183767

Het was een groots opgezet plan, waarbij luchtmacht, marine en landmacht samen en gecoördineerd optrokken. Met die drieslag zou de vijand bij verrassing worden overvallen. En voor de Duitsers het goed en wel in de gaten zouden hebben, waren de geallieerde troepen op de terugtocht – voorzien van de buit. Op papier was het een stevig en goed doordacht plan.

De landing bij Dieppe moest deel uit gaan maken van een serie landingen aan de Europese westkust, met het doel Duitse troepen weg te trekken van het Oostfront. De leider van de Sovjet-Unie, Jozef Stalin, had al verschillende keren de nadruk gelegd op het belang van een tweede, westelijk, front. Een succesvolle actie bij Dieppe zou daaraan kunnen bijdragen.

Hoewel de doelen voor de operatie vast stonden, werd de uitwerking ervan overgelaten aan de verschillende legeronderdelen luchtmacht, landmacht en marine. Daardoor werden het feitelijk drie aparte operaties. Het waren drie acteurs in hetzelfde toneelstuk, die geen rekening hielden met wat de ander op het toneel deed. Alleen was dit geen toneelspel. Dit was oorlogvoering.

De luchtmacht concentreerde zich op de confrontatie met de Luftwaffe, de landmacht plande een zorgvuldige aanval op de haven en de marine ondersteunde de aanvalsmacht gedurende de landing en de terugtrekking, maar verleende geen ondersteuning gedurende de operatie aan land. De landingstroepen wilden precies tegelijktijdig op verschillende plekken van boord gaan en de aanval inzetten, de tanks moesten op tijd volgen. Ondertussen moesten twee Duitse kustbatterijen uitgeschakeld worden terwijl toegangswegen vanuit het oosten en westen naar de stad moesten worden zeker gesteld.

Gewonde troepen keren terug in Engeland na de aanval op Dieppe. Bron Library and Archives Canada PA-183773

Het liep anders. Operation Jubilee, zoals de geallieerde slag bij Dieppe heette, werd een groot drama. Er was geen eenhoofdige leiding, de bevelhebbers hadden geen ervaring met het uitvoeren van een amfibische operatie en zij hadden verschillende motieven. De sterkte van de Duitse verdediging werd onderschat. En misschien wel de grootste misser: de locatie Dieppe was niet gelukkig gekozen vanwege de goed verdedigbare en lastig te overwinnen hoge kustwal.

Niet alles liep mis, maar veel wel. Het strakke strijdplan had weinig ruimte voor tegenvallers. En tegenvallers waren er. Commandotroepen stuitten bij toeval op een Duitse patrouille, waardoor de Duitse verdedigingslinies sneller dan verwacht alert werden op vijandelijke activiteiten. Landingstroepen arriveerden te laat, de communicatie verliep problematisch en er was sprake van pijnlijke misverstanden.

Overzicht van Operatie Jubilee zoals gepland (stippellijnen) en uitgevoerd (doorgetrokken pijlen). Duitse troepenbewegingen zijn blauw, geallieerde bewegingen rood. Bron: Official History of the Canadian Army in the Second World War.

Dat neemt niet weg dat de dapperheid en het doorzettingsvermogen van Canadese militairen en de Britse commando’s niet genoeg kan worden benadrukt. De les van Operation Jubilee was dat een toekomstige amfibische operatie in elk geval niet op deze manier moest worden uitgevoerd. Dieppe was een vermijdbare ramp.

De aanvallen op Green Beach en Blue Beach (zie bovenstaande kaart) zouden bij het eerste ochtendgloren plaatshebben, net voor vijf uur. Zij moesten ondersteunend zijn aan de hoofdlanding bij Dieppe zelf, die een half uur later was gepland.

Dieppe, 05:07 uur

De aanval bij Puys werd een compleet fiasco. Het Royal Regiment of Canada arriveerde ruim een kwartier te laat (om 05:07 uur in plaats van 04:50 uur) waardoor ze niet meer onder dekking van het donker konden landen op het strand. De vijand was ondertussen al gealarmeerd. Omdat er geen luchtsteun was bij Puys en evenmin vanaf schepen op de vijandelijke stellingen werd gevuurd, hadden de Duitsers een onbelaagde positie. Niet meer dan 21 leden van het regiment kwamen tegen de wal omhoog. Met hen liep het niet goed af. Ze werden gedood of gevangen genomen. Van het regiment keerden niet meer dan 65 van de 554 soldaten terug naar het Verenigd Koninkrijk; 200 waren gedood, de rest gevangen genomen.

De aanval bij Pourville (Green Beach) liep in eerste instantie beter en de South Saskatchewans wisten op tijd te landen en een bruggenhoofd te slaan. Bij het doorstoten naar hun einddoel liepen zij zich vast echter vast in de zeer geconcentreerde vuur van Duitse machinegeweren, mortieren en artillerie. De Camerons zouden 30 minuten na hen landen om hen te versterken. Zij kwamen echter 30 minuten later en werden verkeerd afgezet aan weerszijden van de rivier Scie. Zij wisten daardoor niet de versterking te leveren die gepland was. Om 09:00 uur werd het bevel gegeven om een anderhalf uur later (10:30 uur) de operatie te staken en zich terug te trekken in de landingsschepen. Dit gebeurde onder hevig vijandelijk vuur en door de dapperheid van de scheepsbemanningen werd uiteindelijk het merendeel van de regimenten teruggetrokken, maar wel met 138 doden, 269 gewonden en achterlating van 256 krijgsgevangenen. 

De hoofdaanval werd uitgevoerd bij Diepe op Red Beach en White Beach.  De Fusiliers Mont-Royal (FMR) waren bedoeld als een reserve-eenheid die achter de hand gehouden zou worden gehouden, als het Essex Scottish Regiment en het Royal Hamilton Light Infantry regiment (vaak kortweg aangeduid als Rileys) ondersteuning nodig hadden. Hun doel was de aanval via de haven van Dieppe uit te voeren. De belangrijkste taak van de Fusiliers Mont Royal zou zijn de terugtocht van de infanteristen en de engineers te dekken.

Twaalf man van de Essex Scots slaagden er – ondanks de zware tegenstand – in door te breken tot in de stad. Zij meldden via de radio dat ze in de huizen waren. General Hamilton Roberts besloot op dat moment de Fusiliers Mont-Royal in te zetten om te helpen door te dringen in de stad. Daarmee veranderde de oorspronkelijke opdracht van de FMR van een landing in de haven naar een landing op het strand achter de ‘Rileys‘. Het regiment kwam terecht in een helse vuurkracht van Duitse kant. De helft van het bataljon werd al op het strand uitgeschakeld. De andere helft voegde zich bij de Essex Scots en de ‘Rileys’.

De landing verliep eigenlijk nog redelijk volgens plan. Infanterietroepen, ondersteund vanuit de lucht en vanaf zee konden het strand met hun landingsvoertuigen bereiken. Daarna moesten de tanks van het 14th Canadian Tank Regiment ondersteuning geven. Door een navigatiefout arriveerden de tanks echter te laat. Terwijl de luchtondersteuning volgens plan was weggevallen evenals het geschut van zee, bleef de tankondersteuning voor de infanteristen uit.

Het 14th Canadian Tank Regiment kwam weliswaar later op het strand bij Dieppe aan dan het draaiboek had aangegeven, maar het lukte 27 van de 30 tanks aan land te komen. In weerwil van de later ontstane mythe dat geen van de tanks van het strand af kwam, slaagden er 15 in de zeewering te bereiken tot op de boulevard. Maar geen van de tanks wist verder in de stad door te dringen – ze stuitten op tankblokkades.

Ondertussen waren de Duitse troepen in hoogste staat van paraatheid. Ze hadden al hun geschut in stelling gebracht. Pogingen van de infanteristen en engineers om de versperringen op het strand te verwijderen en door te breken naar de stad bleven vruchteloos. De vijandelijke verdediging vanuit de bunkers uitte zich in een dodelijke regen van kogels. Zonder de vuurkracht van de tanks waren de Canadese troepen machteloos. De vijand was op alle fronten in het voordeel. Terugtocht was de enige optie – en voor velen was dat zelfs geen mogelijkheid.

Dieppe, 09:30 uur

Om half tien in de ochtend werd duidelijk dat de operatie niet ging slagen. De terugtocht werd geblazen. Dat verliep niet overal even gesmeerd. Veel van de landingsvaartuigen van de Fusiliers Mont Royal waren gezonken. De meesten van de Rileys wisten heelhuids terug te komen tot het strand. Van het 14th Tank Regiment keerde maar één bemanningslid terug. Van de Essex Scots keerden ook maar enkelen terug.

Toen een dag later de balans werd opgemaakt, bleek hoe zwart de dag was geweest. Van de 179 landingsvaartuigen waren er 33 verloren gegaan; een van de acht torpedojagers was tot zinken gebracht; 106 van de 650 ingezette geallieerde vliegtuigen gingen verloren. Van de 4963 landingstroepen die in Engeland waren ingescheept werden 3374 gedood, gewond of gevangen genomen. Van hen werden 1838 geregistreerd als krijgsgevangene.

De hardst getroffen regimenten waren de Royal Hamilton Light Infantry (50% van de troepen verloren), Fusiliers Mont Royal (80%), Essex Scottish Regiment (90%) en de Royal Canadian Engineers (90%). Van het 14th Canadian Tank Regiment kwam bijna niemand terug.

Ronald Bruce was gewond achter gebleven op het slagveld in Dieppe

Private Ronald Bruce (Royal Hamilton Light Infantry) was een van de duizenden jongens die krijgsgevangen was gemaakt. Aanvankelijk werd hij als vermist opgegeven.

Ronald Bruce (geboren op 28 juni 1921) groeide op in Galt (Ontario) in een gezin met negen kinderen. Hij had vier broers en vier zussen. Toen hij zijn 19e verjaardag vierde, tekende hij voor het leger.

Bruce was gewond achter gebleven op het strand of op de boulevard in de Noord-Franse havenstad. Hij werd afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Stalag IX-C in Bad Sulza, tussen Erfurt en Leipzig in Duitsland, ruim 900 kilometer verwijderd van Dieppe. De reis met de gewondentrein van Dieppe naar het krijgsgevangenkamp nam een week in beslag.

Het krijgsgevangenkamp (in het Duits Mannschaftsstammlager für Kriegsgefange, meestal afgekort tot Stalag) in Bad Sulza was op dat moment al overbevolkt en met de komst bijna 2000 krijgsgevangenen uit Dieppe werd dat alleen maar erger. Het kamp omvatte een complex van verschillende Arbeitskommando’s waar gezonde krijgsgevangen werden tewerk gesteld. Dat kon gaan om werk zoals in de land- en tuinbouw of in zout- en kalimijnen.

Eenmaal in Bad Sulza aangekomen begon de schotwond aan Ronald Bruce’ rechterbovenbeen te ontsteken. Op 27 augustus werd hij naar het ziekenhuis (Reserve Lazarett für Kriegsgefangene Obermaßfeld) gebracht, waar hij werd behandeld door een geallieerde arts, major Hadley. Ondanks een operatie door een Britse chirurg op 27 augustus 1942 kwam er geen verbetering in zijn toestand. Hij overleed de volgende dag om 1 uur ‘s middags zonder dat hij na de operatie nog bij bewustzijn was geweest.

Hij kreeg een nette militaire begrafenis (“mit vollen militärischen Ehren“) in Meiningen, met drie saluutschoten van een Duitse erewacht en de last post geblazen door een Britse trompettist, zo kreeg de familie via het Zwitserse Rode Kruis te horen.

Later werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar de Britse begraafplaats aan de Heerstrasse in Berlijn. En na de oorlog (op 4 juni 1948) werd hij opnieuw verplaatst – nu naar zijn laatste rustplaats: de Canadese militaire begraafplaats in Holten, plot 4, rij D, graf 1.

Het was de inzet van de Canadese landmacht om de omgekomen soldaten niet op vijandelijk grondgebied te begraven. Daarom werden na de oorlog de stoffelijke resten van Canadese soldaten vanuit verschillende (Britse) militaire begraafplaatsen in Duitsland opgegraven en herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Volgens gegevens van de Common Wealth Graves Commission liggen nu nog 4 Canadese landmachtsoldaten begraven in Duitsland. Drie van hen (Allen G. Hunter, Chester Allen Joyes en James Sinclair) zijn in krijgsgevangenschap omgekomen en waren in Dieppe gevangen genomen. De vierde kwam in januari 1945 om bij een patrouille in de buurt van Groesbeek. In Duitsland liggen op verschillende begraafplaatsen 1 Canadese marineman en 3098 leden van de Royal Canadian Airforce begraven.

Voor Ronalds moeder was het verlies van haar zoon onverteerbaar. Te meer omdat de militaire autoriteiten niet hadden gezien dat Ronald zijn moeder als enig erfgenaam had aangewezen. En ondertussen was zijn nalatenschap verdeeld over zijn ouders en zijn broers en zussen. Moeder Lillian Bruce moest maar zien dat ze haar rechtmatig deel alsnog zou krijgen. Ze was geen geoefend schrijfster, ze schreef niet foutloos, maar ze wist wel duidelijk te maken wat haar dwars zat.

Brief van Lillian Bruce

“It seems to me that there is always someting wrong when it concerns my son just the same time they could not find his will they shared his money among his sisters and brothers and what did I get only $13 and a few cents and when they finely fund the will they told me to get the money from my family but I never got a copper back and I think that [..onleesbaar..] should to strenghten things out. I gave my son and what have I got in return nothing now I heave to wright to yu fo his medals after he has been dead 6 years and 7 months boys that were killed long after my son was they have received there sons’s medels long age you were not long letting me know that he was killed at Dieppe something that hurt me more than anything in the world I lost a wonderfull son and a good boy but what do you men care noting after you have all a mother holds [..onleesbaar..] so please return his medels as that is all I have and a memory of one I loved very much his name re Ronald Bruce RHLI Hamilton Ont
Mrs L Bruce
RR1 Galt Ont.”
John Alfred Carltons linkerbeen moest worden geamputeerd

John Alfred Carlton was ook in Dieppe gewond geraakt. Carlton was op 30 januari 1921 geboren als de derde van vier zoons van Joseph en Sarah Carlton uit Grimsby in Ontario, Canada. Zijn vader had zijn moeder verlaten. Zij woonde nog met haar jongste zoon Norman op de boerderij. Twee andere zoons, James en Joseph, waren ook in het Canadese leger.

Net als Bruce maakte Carlton deel uit van de Royal Hamilton Light Infantry. Hij was in Dieppe getroffen aan zijn linkerbeen. Aanvankelijk werd hij nog als vermist geregistreerd, maar na enige tijd werd duidelijk dat hij krijgsgevangen was gemaakt.

Zijn moeder kreeg nog drie brieven van hem nadat hij in Duits gevangenschap was, waarin hij meldde dat zijn been moest worden geamputeerd. Bovendien werd Carlton nog getroffen door een longontsteking die hem uiteindelijk noodlottig werd. Hij overleed op 23 november 1942, 21 jaar oud.

De Britse medisch officier major G.M. Hadley rapporteerde over Carltons laatste uren en zijn begrafenis op de begraafplaats in Meiningen.

Rapport van major G.M. Hadley

“You will understand, I know, even from this short account that Carltons’s illness was a long and trying one. His family would perhaps be glad to know that throughout it his courage never at any time failed even when he must have realised that his condition was critical. Pain was always controlled and the last hours were peaceful. I feel it would not be out of place to mention the Wardmaster who throughout Carlton’s illness attended to him personally with great skill and untiring devotion. This was Sergt R. Burburough RAMC.
Private Carlton was buried at Meiningen Cemetery, full military honours being accorded by a detachment of German infantry. The gravesite service as conducted by the Rev. D.G. Smith (CF) and wreaths were laid on behalf of the Hospital Staff, the patients and the German Wehrmacht. The coffin was covered with the Union Jack. A guard of honour composed of 6 officers an 21 other ranks was present.”

Carltons stoffelijk overschot werd later overgebracht naar de Britse begraafplaats in Berlijn. In juni 1948 werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten: plot IV, rij D, graf 3.

Carltons broer Joseph sneuvelde op 5 augustus 1944 bij Tilly La Campagne (Frankrijk). Hij werd begraven op de Canadese begraafplaats Bretteville sur la Laize: plot III, rij A, graf 8. Hun moeder overleed een jaar na het einde van de oorlog.

Het Rolex polshorloge van Roy Clausen was verdwenen

Corporal Roy Clausen van de Royal Hamilton Light Infantry was ook een van de gewonde krijgsgevangen genomen Canadese soldaten. Hij was als beroepsmilitair al langer in dienst, sinds 1932. De in 1914 geboren Clausen behoorde tot de veteranen.

Hij viel op vanwege bijzondere spullen die hij altijd bij zich droeg: een Rolex polshorloge, een gouden onyx ring met initialen, een Ronson aansteker en een leren tabakszak + pijp. Toen zijn vrouw Margaret Clausen te horen kreeg dat haar man was overleden in het krijgsgevangenkamp, deed ze navraag naar die spullen. Lt col J.J. Hurley bevestigde dat. Hij zag Clausen zelden zonder deze artikelen. Hij ging ervan uit dat Clausen die spullen bij zich had toen hij Operation Jubilee inging. De spullen stonden echter niet op de inventarislijst van nagelaten eigendommen die de Canadese autoriteiten opmaakten. De inventarislijst bestond waarschijnlijk uit spullen die Clausen had achtergelaten in het Verenigd Koninkrijk.

Margaret kreeg wel te horen dat haar man op 19 augustus gewond was geraakt tijdens de gevechten bij Dieppe. En de verwondingen waren van dien aard dat hij terecht kwam in het krijgsgevangenen-ziekenhuis in Frankenberg/Eder (Kriegsgefanangen Lazaret Haine, Kreis Frankenberg/Eder). Daar overleed hij op 26 augustus 1942, een week na de mislukte operatie bij Dieppe.

Clausen was zwaar gewond geraakt waardoor hij deels verlamd was geraakt. Zijn situatie was eigenlijk hopeloos, rapporteerde de Britse dokter major D.L. Charters.

Major D.L. Charters

“Received every possible treatment, but was too severely wounded to offer a reasonable prospect of survival. Everything possible was done to minimize suffering.”

Op 27 augustus om 2 uur ‘s nachts overleed hij. Op 29 augustus werd hij met militaire eer begraven op de Gemeindefriedhof zu Haina. Vandaar werd hij na de oorlog overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats in Limmer/Hannover. De stoffelijke resten werden in 1948 uit Hannover opgehaald en herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten: plot IV, rij F, graf 4. Zijn vrouw en zijn zoontje Carl Roy Clausen bleven achter.

Desautels was niet het schoolvoorbeeld van een gezagsgetrouwe soldaat
Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Paul Emile Desautels was een oudere rekruut. Geboren op 29 oktober 1914 in het Franstalige Montreal, besloot hij op 26-jarige leeftijd te tekenen voor het leger. Hij werd ingedeeld bij de Fusiliers Mont Royal.

In juni 1940 vertrok Desautels vanuit Halifax naar Europa. Het troepenschip zette hem af in Reykjavik (IJsland). IJsland was onder Brits beheer sinds de Britten het op 10 mei 1940 hadden bezet. De Canadezen vormden een tijdelijke bezettingsmacht namens de Britten tot de Canadese troepen nodig waren om Groot-Brittannië te verdedigen. In oktober werd Desautels ingescheept naar Engeland.

Desautels was niet het schoolvoorbeeld van een gezagsgetrouwe soldaat. Hij trok de bevelen van zijn meerderen verscheidene keren in twijfel, wat hem steevast op een straf kwam te staan. Soms weigerde hij gewoon de orders op te volgen. Ondermijning van het gezag, afwezig zonder verlof, ongeschoren op de parade verschijnen, schelden tegen zijn meerderen – het waren vergrijpen die Desautels elke keer weer op een straf kwamen te staan.

Ondertussen trainde hij om ingezet te worden voor de eerste serieuze poging een landing vanuit zee uit te voeren vanaf Britse grond naar het Europese vasteland. Vol goede moed vertrok hij met zijn maten in de nacht van 17 op 18 augustus richting Frankrijk.

Desautels eenheid, de Fusiliers Mont-Royal, was bedoeld als een eenheid die achter de hand gehouden werd. General Hamilton Roberts besloot de eenheid in te zetten om de Essex Scots te ondersteunen en door te dringen in de stad. Het regiment kwam terecht in een helse vuurkracht van Duitse kant.

Aanvankelijk werd Paul Desautels als vermist opgegeven, maar in november 1942 werd duidelijk dat hij krijgsgevangen was gemaakt. Desautels behoorde tot de grote groep van krijgsgevangenen die nog wel in staat was op eigen benen te staan. Hij werd door de Duitsers afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp.

De krijgsgevangen werden afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Stalag IX-C. In het kamp zaten ook al krijgsgevangen die in Duinkerken waren achter gebleven en mannen die in Griekenland of Kreta gevangen waren genomen. Het kamp had diverse Arbeitskommando’s, subkampen waar krijgsgevangen te werk werden gesteld.

Bij het kamp was een als ziekenhuis ingericht voormalig jeugdherberg. De medische staf bestond uit geallieerde dokters die ook in krijgsgevangenschap waren beland.

Paul Desautels werd door de Duitsers aan het werk gezet bij een kalkoven in een werkkamp bij Bad Bibra. Dat hij ongeschonden uit de strijd bij Dieppe was gekomen, was geen garantie voor een fleurige toekomst. Het werk als krijgsgevangene was niet zonder gevaar, zo bleek.

Het was Desautels’ taak om kalksteen in een oven te storten vanuit de kiepwagen. Hij stond daar alleen. Op 31 mei 1943 merkte een Duitse arbeider dat Desautels niet meer aan het werk was. Hij trof de Canadees bewusteloos aan bij de kiepwagen. Een dokter probeerde hem met kamfer-injecties tot leven te brengen, maar die poging was zonder succes. Paul Desautels overleed ‘s avonds om half tien.

De veronderstelling was dat de soldaat de kalkoven had geopend en door koolmonoxidevergiftiging buiten bewustzijn was geraakt. De Duitse autoriteiten maakten een overlijdensverklaring op van het ongeluk en gaven dat door aan het Zwitserse Rode Kruis. Desautels moeder en zijn tien broers en zussen kregen een maand later, op 25 juni 1943 bericht van de ongelukkige dood van Paul Emile Desautels. Ze kregen ook de foto’s die gemaakt waren van de begrafenis. De begrafenis had op 4 juni “auf dem Friedhof in Bad Bibra (Kreis Eckartsberga) mit militärishen Ehren stattgefunden. Die Grabstätte liegt in der fünften Reihe der Parzelle & des Friedhofs und trägt die Nummer 1.”

Later werd Desautels herbegraven op de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Pas na de oorlog kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaatsen Holten: plot 4, rij D, graf 2.

Dwight Welch was een kantoortype, niet gemaakt voor de tank
Dwight Earl (Johnny) Welch. Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

In een van de tanks van het 14th Canadian Tank Regiment zat Dwight Welch. De 23-jarige kantoorbediende, die vaardig was met de typemachine, die stenografie kende en mogelijk hoopte op een journalistieke carrière, was helemaal niet het type om in een tank te zitten. Bij zijn regiment had hij dan ook een administratieve functie op het bataljonskantoor, zo weet zijn familie.

Welch had twee broers en een nog levende zus. Twee ouder zussen waren overleden. Hij had vaste verkering met verpleegster Dorothy, die hij ook opnam in zijn testament. Zij zou alle brieven krijgen die hij in bezit had.

Toen de voorbereidingen voor de aanval op Dieppe begonnen stond Welch erop dat hij met zijn maten mee zou gaan. Zo niet, dan zou hij overplaatsing aanvragen naar een ander regiment, meldt zijn neef Doug Welch, die dat verhaal uit de familieoverlevering heeft opgetekend.

Dwight Welch met zijn verloofde. Bron: Terry Welch/Doug Welch via ancestry.ca.

Eenmaal geland op het strand bij Dieppe fungeerde Welch als runner, een koerier, die rennend berichten overbracht van een naar de commandant van zijn bataljon. Bij de gevechten raakte hij gewond aan zijn linkerdij en zijn linkerknie. Hij bleef in Dieppe achter, net als praktisch zijn gehele regiment. Hij stond te boek als vermist.

Net als veel van zijn gewonde kameraden kwam hij uiteindelijk in de ziekenboeg terecht in het Reserve Lazarett für Kriegsgefangene Obermaßfeld in Thüringen. Daar bezweek hij uiteindelijk aan bloedvergiftiging als gevolg van de verwondingen. Hij overleed op 31 augustus. Zijn stoffelijk overschot werd eerst in Meiningen begraven, later herbegraven in Berlijn. Uiteindelijk kreeg hij zijn laatste rustplaats op het ereveld in Holten. Plot IV, rij D, graf 10.

Als het ongeluk van Charles Thomas Elliot slechter was afgelopen, was hij niet geschikt geweest voor Operation Jubilee

Captain Charles Thomas Elliot van het Essex Scottish Regiment had op 19 juli 1942 geluk dat de aanrijding tussen de truck waarin hij zat en de Churchill tank niet slechter afliep. Hij had een gekneusde rib en een stijve schouder. Maar volgens de dochter zou hij daarvan geen blijvende hinder ondervinden.

Was het ongeluk maar slechter afgelopen. Als hij een arm of een rib had gebroken, was hij ongetwijfeld niet geschikt bevonden om een maand later met het Essex Scottish Regiment ingezet te worden in Operation Jubilee.

Elliot was musicus van beroep. Hij was getrouwd met Kathleen Magladery Elliot en woonden in de plaats waar hij op 13 april 1913 was geboren: Parkhill, Ontario, Canada.

Eind 1940 voer hij uit vanuit Halifax naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 25 december van dat jaar aankwam. Hij had voor 1935 al in het leger gediend en als lieutenant had hij de dienst verlaten. Hij kreeg dezelfde rang, toen hij in 1940 weer terug kwam en in maart 1942 werd hij bevorderd tot acting captain.

Op 18 augustus 1942 voer hij met zijn troepen richting Dieppe. In vier regels in zijn dossier staat beschreven wat er met hem gebeurde: “Embarked in UK for France” staat er bij 18 augustus. Hij keerde niet terug. “Failed to return from France”, vermeldt zijn dossier. Een regel lager staat “missing” met daarachter de datum van 20 augustus 1942 en weer een regel lager is het lot bezegeld: “died of wounds”. De datum van zijn dood werd aanvankelijk op 28 augustus gezet, maar dat werd doorgehaald en gecorrigeerd in 2 september 1942.

Hij overleed in krijgsgevangenschap aan buikvliesontsteking als gevolg van een schotwond. Hij werd tijdelijk begraven in het Duitse Dieburg, waar na de oorlog vooral Sovjet-Russische krijgsgevangenen lagen. Volgens gegevens van de begraafplaats in het Duitse Dieburg was Elliot overleden in het Res. Lazarett Abteilung A Convikt Bbg en was hij gevangen in Stalag IXB. Elliot werd in 1947 overgebracht naar de militaire begraafplaats in Dürnbach en vandaar werd hij in 1948 overgebracht naar de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in Plot IV, rij D, graf 14.

Youell werd met twee gewonde knieën krijgsgevangen gemaakt

Stephen James Youell uit Humber Bay, (Ontario, Canada) was schoenmaker van beroep. Hij had in de jaren dertig al vijfenhalf jaar dienst gedaan bij de Royal Regiment of Canada, toen hij zich op 11 september 1939 opnieuw meldde voor de dienst. Hij was toen getrouwd met Georgie May Youell-Brown

Youell werd opnieuw ingedeeld bij het Royal Regiment of Canada. De taak van zijn regiment was om een flankaanval aan de oostkant van de stad uit te voeren bij Puys, met de codenaam Blue Beach. Aan de westkant van de stad hadden het South Saskatchewan Regiment en de Queen’s Own Cameron Highlanders een soortgelijke taak bij Pourville (Green Beach).

De actie van het Royal Regiment werd een mislukking, ook omdat ze te laat arriveerden waardoor ze niet meer onder dekking van de duisternis de Duitsers konden verrassen.

Youell raakte gewond aan beide knieën. Hij ging met de gewondentrein richting Duitsland. Hij kwam terecht in het ziekenhuis voor krijgsgevangenen in Obermaßfeld Grimmenthal. Het ziekenhuis was een voormalige landbouwschool in het dorp Obermaßfeld/Grimmenthal.

Ondertussen kreeg zijn vrouw Georgie May bericht van de vermissing van haar man. Op 20 september kreeg ze een telegram met het droeve bericht dat haar mans was overleden als gevolg van de verwondingen die hij in Dieppe had opgelopen. Sterfdatum: 5 september 1942. Groot was dan ook de verbazing dat Georgie Youell op 20 oktober 1942 post kreeg van haar man uit het krijgsgevangenkamp Stalag IX C, Arbeits Commando 1249. De kaart was gedateerd 3 september – het poststempel van 5 september, de dag waarop haar man was overleden. Het Canadese Rode Kruis ging nog op onderzoek uit, maar het droeve nieuws werd er niet anders van. James Youell was overleden.

Hij werd tijdelijk begraven in Meiningen vanwaar hij na de oorlog werd overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats Berlijn. In 1948 werd zijn stoffelijk overschot herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten: Plot IV, rij D, graf 11.

Francis Gatacre kreeg zijn zoontje nooit meer te zien
Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

De 30-jarige Francis Constant Gatacre was in een ander ziekenhuis opgenomen: het Reserve Lazaret van het krijgsgevangenenkamp Stadtroda. Hij had een buikwond die hem uiteindelijk noodlottig werd. Hij overleed aan buikvliesontsteking op 17 september 1942. Hij werd met militaire eer begraven. Foto’s van de plechtigheid werden aan zijn vrouw gestuurd.

Gatacre was in januari 1941 getrouwd met Dorothy Jennie, vlak voordat hij met zijn eenheid (Essex Scottish Regiment) richting Europa vertrok. Zijn zoon James Francis werd op 25 oktober 1941 geboren.

Medegevangene Major Leslie Wallace Lauste schreef een brief aan Dorothy, waarin hij vertelde onder welke omstandigheden haar man was overleden. De brief werd onderschept door de Canadese censuur die er een verslag van maakte voor het dossier. Leslie meldde dat Gatacre aan zijn dij gewond was geraakt in Dieppe. Gatacre was met een gewondentrein naar het krijgsgevangenziekenhuis gebracht. Een lange reis die meer dan een week duurde. In het ziekenhuis werd hij door Britse dokters behandeld, maar zij konden Gatacre niet redden. Als gevolg van bloedvergiftiging overleed Gatacre, aldus Lauste. De lezing van Lauste week af van de officiële Duitse melding over de dood van Gatacre.

De teraardebestelling van Francis Gatacre op 17 september 1942. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volumes: 25936

Gatacre werd door chaplain D.G Smith begraven in St. Jacobsfriedhof in Stadtroda volgens de rites van de Church of England in het bijzijn van Britse en Canadese officieren en soldaten. Een Duits vuurpeloton loste een eresaluut met drie salvo’s. Hij werd later herbegraven op de Britse begraafplaats in Berlijn voordat hij zijn laatste en definitieve rustplaats keer op het Canadese ereveld in Holten: plot IV, rij D, graf 5.

Ronald Haines trouwde in Engeland met Beatrice
Graf met metalen kruis op de Canadese Begraafplaats in Holten (rond 1948). Bron: Library and Archives Canada

Ronald Thomas Haines raakte aan zijn hoofd gewond toen hij met zijn regiment, Essex Scottish Regiment, oprukte vanuit de landingsvoertuigen over het strand voor de haven van Dieppe. Ronald was op oudjaarsdag 1919 geboren. Zijn moeder was een paar jaar na zijn geboorte overleden en hij woonde samen met zijn broer en zijn zus bij zijn vader in Windsor (Ontario, Canada).

Toen hij Canada verliet maakte hij een testament op waarin hij zijn vader en een vriendin, (Miss Julienn Gravel) aanwees als erfgenamen. Maar nadat hij eenmaal de oversteek naar Engeland had gemaakt, raakte de vriendschap met Julienn op de achtergrond en kreeg hij kennis aan een andere vrouw, die in de legerplaats Aldershot woonde: Beatrice Minnie Pither. Hij trouwde met haar op 17 december 1941.

Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

Wat er precies met hem in Dieppe gebeurde is lastig te reconstrueren aan de hand van zijn persoonlijke dossier. Net als dat van andere in Dieppe gewond geraakte krijgsgevangenen vermeldt de service file niet veel meer dan: aan boord gegaan voor vertrek naar Frankrijk, als vermist gerapporteerd, krijgsgevangen gemaakt (met nummer 42948), overleden aan wonden gedurende krijgsgevangenschap.

Net als veel andere gewonde krijgsgevangenen kwam hij op 27 augustus aan in het ziekenhuis van het krijgsgevangenenkamp. Na zijn dood is een rapport opgemaakt waaruit blijkt dat hij nog een operatie heeft ondergaan. Aanvankelijk leek het beter te gaan, maar er ontstond een abces aan de hersenen in combinatie met hersenvliesontsteking. Op 19 september 1942 overleed Ronald Haines, om tien over half vier in de middag.

Rapport over de dood van Haines

“Er litt an einer Gewehrschussverletzung des Kopfes. Eine Operation wurde ausgeführt und einige Metallstücken wurden aus dem Gehirn entfernt. Zuerst war gute Besserung festzustellen, aber dann entwickelte sich ein Gehirnabszeß mit Meningitis; Pat. war einige Tage vor seinem Tode bewusstlos. Das Begräbnis fand mit allen militärischen Ehren auf dem Friedhof in Meiningen statt. Ein deutsches Ehrengeleit wurde gestellt, ein Kranz der deutschen Wehrmacht wurde niedergelegt.”

Net als andere krijgsgevangen werd Haines vanuit Meiningen overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Daarna werd hij andermaal overgeplaatst, nu naar het ereveld in Holten. Plot IV, rij D, graf 4.

Weduwe Beatrice kreeg de gehele nalatenschap van $529,02; het laatste soldij over de maand september 1942 ($266) kwam haar ook toe en ook een maandelijks weduwenpensioen van $35,00. Vriendin Julienn en Haines’ vader deelden niet mee. De treurende weduwe vond later een andere liefde, met wie ze nog tijdens de oorlog trouwde. Ze ging verder door het leven als mevrouw Cuddington.

William Neelands’ vrouw las in de krant dat haar man was ‘weggevaagd’
William Neelands. Bron: veterans.gc.ca

Net als Stepen James Youell maakte Lance-Sergeant William Neelands deel uit van het Royal Regiment of Canada dat een flankaanval ten oosten van Dieppe op Puys moest uitvoeren. Neelands was monteur en chauffeur voordat hij zich op 19 september 1939 meldde voor de actieve dienst. Toen was hij nog vrijgezel, maar korte tijd later zou hij in het huwelijk treden met Marjorie.

Neelands was op 11 mei 1908 in Vancouver (BC, Canada) geboren, maar hij woonde inmiddels net als zijn vader in Toronto (Ontario, Canada). Neelands was enig kind. Zijn moeder was al overleden, toen hij in dienst ging.

Hij werd al snel naar Reykjavik (IJsland) verscheept, waar de geallieerden een eigen trainingsfaciliteit hadden. Hij bleef tot half oktober 1940 op IJsland, waarna hij en zijn collega’s werden overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk.

Hij was er slecht aan toe na de aanval op Dieppe. Hij ging met de trein op transport naar het krijgsgevangenkamp.

Hoe dapper Neelands had gevochten tekende de in Londen gestationeerde verslaggever W.T. Cranfield voor de Toronto Telegram op.

W.T. Cranfield in de Toronto Telegram

Sgt W.F. Neelands is reported to have shown gallantry in getting his mortar set up in the face of withering fire. He had got off three or four bombs only when he and his crew were wiped out.
Krantenknipsel waarin Marjory Neelands las dat haar man en zijn manschappen ‘were wiped out’. Bron: Library and Archives Canada.

Marjory Neelands was onaangenaam verrast toen ze over haar man in de krant leest. De krant schreef dat Neelands zich naar verluidt dapper had getoond toen hij zijn mortiergeschut opzette in een vernietigend vijandelijk vuur. Hij had drie of vier mortieren afgevuurd toen hij en zijn manschappen werden weggevaagd.

Zij verwees naar het stukje in de krant in een brief aan de Kamer van Koophandel in Ottawa. Ze begon met een bedankje in de richting van de Kamer van Koophandel voor het medeleven dat ze had ontvangen bij het verlies van haar man. “Ik ben het natuurlijk met u eens dat woorden nu te kort schieten, en dat komt des te meer tot uiting nu de verschillende schilderingen van moed en dapperheid bij het treffen [in Dieppe] publiek gemaakt worden. De reden dat ik u nu om een gunst vraag komt voort uit een krantenartikel dat ik heb bijgevoegd, gedateerd op 3 september in Londen door verslaggever W.T. Cranfield. Het zou betreurenswaardig zijn als de actie van mijn man en zijn manschappen, plus het feit dat ze hun leven gaven, onopgemerkt zou moeten blijven.”

Maar dat hoefde van Marjory niet meteen in de krant, en zeker niet als de familie nog geen kennis had van de omstandigheden waaronder hun geliefde kennelijk getroffen was. “Toen dit stuk in de krant verscheen, en dat was het meest ontstellende en alarmerende, dat de enige informatie die ik had was dat mijn man vermist werd. Natuurlijk kan men hieruit opmaken dat mijn man was gesneuveld, terwijl ons was verzekerd dat niets in de pers zou verschijnen voordat de familie was geïnformeerd.”

Neelands was gewond afgevoerd en in de gevangentrein overleden. Volgens de Duitse kampleiding om precies te zijn “am 26 August um 17 uhr 30 Minuten im Lazarettzug nach Gemünden“.

Dokter D.L. Charters, die ook Pte Clausen had behandeld, kreeg ook Sgt Neelands te zien. Maar Neelands was al overleden voordat hij in het ziekenhuis werd gebracht.

Major D.L. Charters:

“Very severe wound of the left groin, with fractured femur. Extensive woud in Epigastric region. No other details available. Died 26th Aug. at about 1800hrs in a German Ambulance train, about one hour before his body was brought here. Buried 29th Aug. with British Military Honours.”

Neelands werd ter aarde besteld op de begraafplaats Waldfriedhof Haina/Kloster, net als zijn maat Clausen, die in het krijgsgevangenziekenhuis was overleden. Neelands werd later vanuit Haina overgebracht naar de Britse begraafplaats in Hannover (Dimmer).

In maart 1948 kreeg Marjory bericht dat het stoffelijk overschot van haar man was verplaatst naar Holten, waar hij rust in plot IV, rij F, graf 11.

Gerald Garth Sauve kneep er met enige regelmaat tussenuit
Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

Toen de lokale krant melding maakte van de vermissing van Gerald Garth Sauve na de aanval op Dieppe werd zijn achternaam gespeld als Sovie. De 34-jarige echtgenoot van Ona Nevedna Sauve liet zijn achternaam anders schrijven dan zijn ouders. Die stonden te boek als Sovie.

De soldaat uit Leamington (Ontario, Canada) was geboren op 20 juni 1907 en meldde zich bij het leger op 12 september 1939. Dat was vlak nadat de Britten de oorlog hadden verklaard met Duitsland, na de inval in Polen. Voor Gerald en veel andere soldaten was dat het moment zich te melden voor het leger. Gerald Garth werd ingedeeld bij het Essex Scottish Regiment.

Sauve was toen al vader van een zesjarige zoon, James Garfield Sauve. Mevrouw C.A. Ryall – mogelijk de moeder – had zich over hem ontfermd, zo valt op te maken uit de persoonlijke gegevens uit het dienstdossier van Gerald Garth.

Twee van Geralds vijf broers waren ook in het leger. Everette diende bij het Elgin Regiment en Clarence bij het 5th Field Engineers Rgt. Hij had drie zussen, van wie er een was overleden.

Ona Sauve, echtgenoot van Gerald Sauve, werkte als taxichauffeur. Bron: Ancestry.ca

Sauve had er geen moeite mee om af en toe zijn militaire plicht te verzaken. Hij wilde er nog wel eens een paar dagen tussenuit knijpen. Hij ging er ook wel eens met een militair voertuig vandoor, zonder toestemming. De ongeoorloofde afwezigheid leverde hem een lange lijst met straffen op, varierend van verplicht binnen blijven tot enkele dagen achter de tralies. Dat laatste overkwam hem toen hij tijdens een periode waarin hij verplicht op de kazerne moest blijven hem toch weer enkele dagen smeerde.

Sauve was vrachtwagenchauffeur van beroep. Zijn vrouw Ona Nevedna Manery, met wie hij op 8 januari 1940 in het huwelijk trad, was taxichauffeur. Ze kwam er nog mee in de krant, omdat een vrouwelijke taxichauffeur als een bijzonderheid werd beschouwd.

Het Essex Scottish Regiment had ondanks grote verliezen de stad Dieppe bereikt. Of Gerald Sauve tot de kleine groep hoorde die zo ver wist door te dringen, zal nooit aan de vergetelheid ontrukt worden. Hij werd in elk geval getroffen en daarna krijgsgevangen gemaakt. Zijn regiment noteerde hem als vermist, later als krijgsgevangene en vervolgens als overleden in krijgsgevangenschap. Hij overleed in de ziekenboeg op 2 oktober 1942, als gevolg van zijn verwondingen opgelopen in Dieppe. Waarschijnlijk werd ook hij eerst in Meiningen begraven om later via Berlijn te worden overgebracht naar Holten. Toen een metalen kruis op zijn graf werd geplaatst ontving Ona Sauve daarvan een foto. Zij merkte op dat de verkeerde initialen op het kruis stonden. Haar mans voorletters waren niet G.A., maar G.G. De correctie werd aangepast toen Gerald zijn definitieve grafsteen kreeg.

Hij ligt in Holten in plot IV, rij D, graf 4.

Thomas Gage was een goede soldaat, ondanks een paar vlekjes op zijn blazoen

Een erg goede soldaat, ondanks een paar vlekjes op zijn strafblad. Zo beoordeelde Lt K.D Paris de soldaat Thomas Gage op 16 juli 1942. Een maand later zou Gage op de boot gaan voor een ongewis avontuur.

Thomas Richard Gage. Bron: veterans.gc.ca

Thomas was drukker geweest bij Atlas Press in Toronto waar hij $38,80 per week verdiende. Hij was vader van drie kinderen. En hij was al 37 toen hij het leger inging. Hij behoorde qua leeftijd tot de veteranen. Twee van zijn drie zoons, gingen ook het leger in: de in 1923 geboren William en de in 1925 geboren Albert. De laatste zou later in de oorlog zijn vader volgen en ook het strijdtoneel in Europa opzoeken.

Omdat hij als smid was opgeleid en ook gewerkt had als smid kwam Thomas terecht bij de 2nd Canadian Field Company van de Royal Canadian Engineers.

Hij was een van de ongeveer honderd leden van zijn eenheid die waren verkozen om op het strand de versperringen en blokkades weg te nemen. De engineers moesten daarna ook vijandelijke installaties en materieel onklaar maken. Veel van die doelen bleken onhaalbaar. Van de ongeveer 350 Royal Canadian Engineers (RCE) kwam uiteindelijk maar 10% weer terug.

Een bewaard gebleven kaart die is gebruikt in Dieppe is gepubliceerd in het boek Atlas of World War II. De kaart laat de landingsplaats van de RCE zien, de plek waar ze zich zouden verzamelen (tobacco company) en dat de gasfabriek het doel was.

Verzamelpunt (RV) en het doel (objective) staan aangegeven op een kaart die is gepubliceerd in het boek Atlas of World War II. De kaart ligt in International Museum of World War II en behoort toe aan verzamelaar en museumdirecteur Kenneth W. Rendell.

Thomas Gage werd krijgsgevangen gemaakt zonder dat hij ernstig gewond was geraakt. Hij werd als vermist geregistreerd. Later bleek hij krijgsgevangen te zijn gemaakt. Hij verbleef lange tijd in het kamp Stalag IC\C.

Vanaf halverwege 1944 kwamen steeds vaker geallieerde bommenwerpers overvliegen, ook boven krijgsgevangenenkampen in Zuid-Duitsland. En niet zelden vielen bommen op de kampen. Dat de bommenwerpers verschenen was een voorbode van de onvermijdelijke bevrijding voor de krijgsgevangenen, maar tegelijkertijd was het ook een extra gevaar. De Nieuw-Zeelander Wynne Mason heeft becijferd dat zeker duizend krijgsgevangenen door ‘friendly fire’ op die manier om het leven kwamen.

De Canadese corporal Robert Prouse die in Dieppe gevangen was genomen schreef in 1982 in zijn boek Ticket to Hell Via Dieppe dat vanaf november 1944 er zelden een moment was dat de geallieerde zware bommenwerpers niet werden gezien boven het krijgsgevangenenkamp. Hij telde alleen in december 1944 al 115 luchtalarmen in het Stalag IX\C. De Duitse kampleiding verplichtte gevangenen bij een luchtaanval dekking te zoeken in de van vlooien vergeven kelders. Ze vreesden dat krijgsgevangenen een luchtaanval zouden aanwenden om een uitbraak uit het kamp te organiseren. Corporal Robert Prous probeerde aan de verplichting te ontsnappen door zich ergens boven de grond te verschuilen. Hij vreesde de vlooien. Tegelijkertijd waren de luchtaanvallen soms aangename pauzes tijdens het harde kampleven, omdat het werk werd stilgelegd, soms enkele uren achtereen.

Lange tijd kwam kreeg Thomas’ vrouw geen bericht over het wel en wee van haar man. Tot in april 1945 toen zij een telegram kreeg. Thomas Gage was – vlak voor het eind van de oorlog – alsnog omgekomen. Hij was gesneuveld bij een geallieerd bombardement.

Gage werd tijdelijk begraven op de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Van daar werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot IV, rij D, graf 6.

Op 1 September 1944 arriveerden het Essex Scottish Regiment samen met de Royal Hamilton Light Infantry en het Royal Regiment of Canada als eersten in Dieppe om de havenstad te bevrijden. Achter hen volgden de Canadese regimenten van de Camerons of Winnipeg, de South Saskatchewan Light Infantry, de Fusiliers Mont Royal, de Toronto Scottish en de Black Watch. Regimenten die betrokken waren bij de mislukte aanval op Dieppe in 1942 waren in 1944 de glorieuze overwinnaars.

Er liggen op andere begraafplaatsen in Nederland meer Canadese militairen die omkwamen bij Dieppe, of later aan hun verwondingen overleden. De meesten van hen spoelden aan op het strand aan de Noordzeekust.

Frederick Arthur Petherbridge († 19 augustus 1942, Royal Regiment of Canada) is begraven op de Noordelijke Begraafplaats in Vlissingen.

Richard Carswell († 19 augustus 1942, Queens Own Cameron Highlanders of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats op Ameland.

Rene Tetrault († 19 augustus 1942, Royal Regiment of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats op Terschelling.

George A. Scaife († 19 augustus 1942, Cameron Higlanders of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats in Bergen (N.H.).

Vendel Riedl († 19 augustus 1942, Essex Scottish Regiment) is begraven op de Canadese Begraafplaats in Bergen op Zoom.

William De Long Duckworth († 14 november 1942, Essex Scottish Regiment) is begraven op de Canadese begraafplaats in Groesbeek.

Bronnen:

Archieven

Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volumes: 25266 (Ronald Bruce), 25540 (John Alfred Carlton), 25598 (Roy Clausen), 26358 (Paul Emil Desautels), 30528 (Charles Thomas Elliot), 25919 (Thomas Richard Gage), 25936 (Francis Constant Gatacre), 26033 (Ronald Haines), 26987 (Gerald Garth Sauve), 27307 (Dwight Earl Welch) en 27392 (Stephen James Youell).

Arolsen Archives (Stadtarchiv Dieburg über Kreisarchiv des Landrats Darmstadt-Dieburg, Dieburg)

Boeken

Stacey, C.P., Official History of the Canadian Army in the Second World War, Vol I Six Years of War, Ottawa, 1955

Claudia Baldoli, Andrew Knapp en Richard Overy; Bombing, States and Peoples in Western Europe 1940-1945; Norfolk; 2011; ISBN 978144119254-7

Neil Kagan, Stephen G. Hyslop; Atlas of World War II; 2018; Washington US, ISBN9781426219719

Mark Zuehlke; Tragedy at Dieppe; 2012; Madeira Park, BC, Canada; ISBN9781771620161

Lieutenant-Colonel James Goodman; Canadian Military Engineers; Operation JUBILEE: The Allied Raid on Dieppe (1942): A Historical Analysis of a Planning Failure; 2008

Robert A. Prouse; Ticket to Hell Via Dieppe: From a Prisoner’s Wartime Log, 1942-1945; Exeter; 1982; ISBN 13 9780906671627

Websites

Canadian Military Headquarters (CMHQ) reports 1940 to 1948

Commonwealth Graves Commission: Casualties of the Dieppe raid; 11 facts about the Dieppe raid;

©2020 Jan Braakman, met medewerking van Hans Heyda (Informatiecentrum Canadese Begraafplaats)

Albert Bouma, meer Duits dan Fries

Krantenknipsel waarin de dood van Albert Bouma door zijn moeder wordt gemeld. Bron: veterans.gc.ca

Albert Bouma sneuvelde als Canadees soldaat op 23 april 1945 bij Groningen. Afgaande op de naam, gaat het om een Canadese jongen met Friese wortels. Maar niets is minder waar – zo blijkt.

Albert George Bouma heeft een gecompliceerde familiegeschiedenis. Hij werd in De Bilt (provincie Utrecht) geboren als zoon van Rosa Raab en Albert George Wittelsbach. Beide ouders waren van Duitse komaf. Zijn moeder was is Rosenbach (Beieren) geboren, en zijn vader kwam ook uit die regio. Hoewel zijn beide ouders Duits waren, kreeg Albert de Nederlandse nationaliteit.

Alberts biologische vader (Wittelsbach) overleed rond het geboortejaar van Albert (1923). De jonge weduwe Raab trad enkele jaren later in het huwelijk met de in het Friese Woudsend geboren Auke (August Johannes) Bouma. Hij gaf zijn achternaam aan zijn stiefzoon. Hoe Alberts moeder en stiefvader elkaar leerden kennen is een raadsel. De uit Friesland afkomstige Auke was al in 1921 naar Canada geëmigreerd. Zijn eerste contact in Canada was de familie Stavast in White Beach (Saskatchewan).

In 1926 was hij kennelijk naar de Verenigde Staten geweest en keerde hij terug in Vancouver (BC, Canada), waar hij opgaf dat zijn vrouw R. Bouma was. In 1929 keerde hij korte terug naar Nederland. In de korte tijdspanne dat Auke in Nederland was, trouwde hij met Rosa Raab. Zonder haar keerde hij terug in Canada. Toen hij voor de tweede keer in Canada arriveerde meldde hij dat hij van 1921 tot 1929 als boerenknecht aan het werk was geweest in Saskatchewan.

In januari 1930 vertrok Rosa met haar zesjarige zoontje Albert via Liverpool naar St John in New Brunswick. Zij monsterde aan op het schip de Minnedosa onder de naam Rosa Bouma en ze meldde bij aankomst aan de immigratiedienst dat ze op weg was naar haar man Auke Bouma, die in Columbia Gardens (British Columbia) woonde.

Nadat zijn moeder hertrouwd was met Auke Bouma kreeg Albert er drie halfzusjes bij: Augustina Rosa (1931), Mary Patricia (1935) en Gladyearle (1939).

Voor Albert was de lange zeereis op jonge leeftijd allerminst een traumatische ervaring geweest. Toen hij zelf begin jaren veertig als achttienjarige aan het werk ging kwam hij als ‘porter‘ (kruier) terecht op schepen die voeren tussen Victoria (British Columbia, Canada) en Seattle (Washington State, VS). Hij voer in augustus en september 1941 op de SS Princess Kathleen en de SS Princess Alice.

Het was dan ook niet onlogisch dat Albert zich in november 1941 aanmeldde om bij de marine te dienen, als lid van de Royal Canadian Naval Volunteer Reserve. De dienstdoende recruiting officer deed navraag bij de inlichtingendienst van de Royal Canadian Mounted Police over de betrouwbaarheid van Albert. Zijn vader en moeder waren immers van Duitse afkomst en er konden twijfels zijn over de betrouwbaarheid van Albert. De Division E van de RCMP in Vancouver schreef op basis van ingewonnen informatie dat Albert “is considered to be a reliable, loyal citizen with no record of subversive or radical tendencies“.

In 1942 maakte Albert zijn testament op, waarin hij zijn moeder als enige erfgename aanwees. Opmerkelijk op dat document is dat hij de naam van zijn moeder noteerde als Rosa von Lima Bouma. Haar beroep: ‘weduwe’. Zij was toen gescheiden van haar man Auke Bouma en inderdaad weduwe van haar eerste echtgenoot Albert George Wittelbach.

Albert meende dat hij recht had op een hoger soldij, omdat haar moeder en zijn drie stiefzussen van hem afhankelijk waren. Maar na enig onderzoek werd dat verzoek afgewezen. Zijn moeder was immers gescheiden. Er was dus nog een vader van de drie kinderen van zijn moeder.

Het marineleven ging niet over rozen. Twee keer werd Albert betrapt op diefstal. De eerste keer op 26 februari 1942 toen hij op het schip Naden werd betrapt op het stelen van 6 ozs (ongeveer 0,2 liter) gin. De straf was niet mild: 60 dagen detentie. Nog geen half jaar later werd hij weer betrapt, opnieuw op diefstal van sterke drank. Deze keer kreeg hij 30 dagen detentie en ontslag van ‘Her Majesty’s Service‘.

In mei 1943 werd hij overgeplaatst naar de infanterietroepen. En toen hij op 23 mei 1943 na een bootreis van tien dagen in het Verenigd Koninkrijk aankomt werd hij ingedeeld bij het Canadian Scottish Regiment.

Albert George Bouma sneuvelde in het land waar hij was geboren, in de strijd tegen het land waar zijn ouders waren geboren en opgegroeid en in dienst van het land waar hij het merendeel van zijn leven woonde.

Na zijn training in het Verenigd Koninkrijk moest hij op 3 juni 1944 inschepen om op 6 juni 1944 met het Canadian Scottish Regiment te worden ingezet op D-Day. Zijn persoonlijk dossier vermeldt weing wetenswaardigheden, behalve dan dat hij op 1 september 1944 vermist was. Die notitie werd twee dagen doorgehaald en vervangen door de vermelding dat hij afwezig was zonder verlof.

Met het Canadian Scottish Regiment vocht hij mee aan de bevrijding van delen van Frankrijk, België en Nederland. Op maandag 23 april 1945 streed Albert met de ‘A’ Company in Wagenborgen Groningen, waar hij door vijandelijk vuur sneuvelde. Albert George Bouma sneuvelde in het land waar hij was geboren, in de strijd tegen het land waar zijn ouders waren geboren en opgegroeid en in dienst van het land waar hij het merendeel van zijn leven woonde.

Alberts moeder, inmiddels verloofd met de vijftien jaar jongere Rudolph Dancsok, meldde aan de lokale krant dat haar zoon was omgekomen, een maand voor zijn 21e verjaardag aldus de krant. Maar dat was een vergissing. Het was een maand voor de 22e verjaardag van Albert. In zijn laatste brief aan zijn moeder schreef Albert Bouma: “Well, mom, I’ve come along so far without a scratch; maybe my luck will continue till it’s over.”

Rosa von Lima Bouma kwam nog wel met een verrassing. Uit de brieven van Albert had zij opgemaakt dat hij met een zekere Rita Griffith had willen trouwen in Engeland, toen Rita in verwachting raakte. Maar zij weigerde met hem in het huwelijk te treden, meldde Alberts moeder. “Ze gaf de baby aan vreemden, die het adopteerden.”

Graf van Albert Bouma op de Canadese Begraafplaats in Holten. Bron: veterans.gc.ca

Albert zou maandelijks $25 opzij zetten voor de moeder van zijn kind, nog steeds volgens Alberts moeder. En toen zij weigerde met hem tetrouwen, had hij besloten dat geld te laten overmaken aan zijn eigen moeder. Maar, zo meldde Alberts moeder, zij had dat geld nooit gehad.

Rudolph Dancsok en Rosa von Lima Bouma trouwden in juli 1945. Alberts stiefvader bleef gefrustreerd achter. Hij bleef als boer werkzaam in British Columbia, waar hij in 1979 overleed.

Alberts moeder Rosa overleed in 1975.

Albert werd direct nadat hij was gesneuveld tijdelijk begraven bij Siddeburen, met meer dan 20 gevallen kameraden. Later, op 15 februari 1946, kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Holten. Plot III, rij G, graf 9.

©2020 Jan Braakman

Bronnen

  • Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 29025
  • The National Archives at Washington, D.C.; Washington, D.C.; Manifests of Alien and Selected U.S. Citizen Arrivals at Anacortes, Danville, Ferry, Laurier, Lynden, Marcus, Metaline Falls, Northport, Oroville, Port Angeles, and Sumas, Washington, May 1917-Novembe; Record Group Title: Records of the Immigration and Naturalization Service, 1787 – 2004; Record Group Number: 85; Series Number: A3403; Roll Number: 007
  • Passenger Lists, 1865–1935. Microfilm Publications T-479 to T-520, T-4689 to T-4874, T-14700 to T-14938, C-4511 to C-4542. Library and Archives Canada, n.d. RG 76-C. Department of Employment and Immigration fonds. Library and Archives Canada Ottawa, Ontario, Canada. Series: RG 76-C; Roll: T-14855
  • Library and Archives Canada; 1908-1935 Border Entries; Roll: T-15350
  • Website Canadian Scottish Regiment