De Eindjeshof,  februari 1945, op een geallieerde luchtfoto. Foto: Library and Archives Canada.

Het was koud en bewolkt, toen Sgt Albert Ernest MacDonald op 26 januari 1945 in de avond op patrouille ging. Hij had de leiding over een groepje van in totaal tien mannen.
MacDonald en zijn mannen (Canadian Scottish Regiment) moesten een operatie uitvoeren in de Erlecomsepolder, ten oosten van Nijmegen. De tien mannen moesten onder dekking van de bewolkte nacht naar de boerderij Eindjeshof, zich daar tenminste 24 uur verschansen en zo mogelijk terugkomen met een aantal krijgsgevangenen. Onderweg legden ze een telefoonlijn naar een verlaten ‘dug-out’.
Op vrijdagavond 26 januari om 7 uur vertrok de groep van MacDonald. De operatie kreeg de codenaam ‘Alfred’. De groep van tien zette eerst een telefoonlijn op vanuit een verlaten ‘dugout’. Daarna ging MacDonald, samen met de soldaten Ernest David Harrison, Dunn en Forsyth verder langs de Erlecomsedijk door vijandelijk gebied.
Om vijf voor een ’s nachts meldde ‘Alfred’ zich op de dijk ter hoogte van  de Eindjeshof (nu Erlecomseweg 80 in Erlecom). MacDonald zei tegen Dunn en Forsyth dat ze zich op die plek gedeisd moesten houden. Hij zou zelf met Harrison richting de hof gaan. Dunn en Forsyth zouden MacDonald en Harrison in de gaten houden.
Op weg naar de Eindjeshof zelf, die op zo’n honderd meter van de weg af lag, kwamen MacDonald en Harrison onder vuur te liggen. Dunn en Forsyth zagen geen kans hun twee maten te ontzetten.  Dunn verklaarde na terugkomst op het hoofdkwartier: “Soldaat Forsyth vroeg sergeant MacDonald of we achter hen aan moesten komen, maar hij zei nee, en dat hij over een uur terug zou zijn. Hij zei ook dat als er iets zou gebeuren, we zo snel mogelijk met informatie terug moesten keren naar ons hoofdkwartier. Waar we waren, hadden we geen dekking tegen vijandelijk vuur, behalve in een berm langs de weg, maar toen het vuur van de vijand begon, kwamen we in een kruisvuur terecht vanuit twee huizen, waardoor we vast kwamen te zitten. Omdat beide kanten van de weg onder vuur lagen, kropen we zo snel mogelijk naar een veilige plek.
Toen we de dekking bereikten, wachtten we even om te kijken of soldaat Harrison of sergeant MacDonald eraan kwamen. Omdat we geen teken van hen zagen, gingen we naar ons hoofdkwartier en vertelden we wat er gebeurd was.”

MacDonald: “Ik blijf een uur weg”

Soldaat Forsyth vertelde: “Ik vroeg sergeant MacDonald of hij wilde dat soldaat Dunn en ik hem zouden volgen.
Hij zei: ‘Nee, ik ben een uur weg en als we allemaal gaan, zouden we onszelf te veel blootstellen als er vijanden in de huizen zitten.’ Dus bleef ik waar ik was. Hij zei dat we, als er op ons geschoten werd, dekking moesten zoeken in een ‘dug-out’ of zo snel mogelijk moesten vluchten en ons hoofdkwartier moesten informeren.
Vanuit de positie waarin we ons bevonden, kregen we dekking tegen vuur vanuit een van de huizen. Toen ze vanuit het andere huis het vuur openden, hadden we geen dekking meer. We zaten recht in de vuurlinie van de vijand en werden vastgepind, maar we wisten weg te kruipen en dekking te zoeken. Daar keken we of we sergeant MacDonald of soldaat Harrison, of de vijand, konden zien, maar we zagen niets. We wachtten een paar minuten, terwijl we bleven kijken, er gebeurde niets.”

Het laatst gezien om half vier

MacDonald en Harrison waren op zondagochtend 28 januari om half vier het laatst gezien. Ze werden als vermist opgegeven.
Wat  er met MacDonald was gebeurd bleef lang onduidelijk. Zijn vrouw Gladys kreeg een op16 maart 1945 verzonden brief van Lt R.T.E Hicks-Lyne, die schreef: “Het is mogelijk dat uw echtgenoot krijgsgevangene is; dit kan echter niet als officieel worden beschouwd.
Het spijt ons dat er niets concreters te melden valt over de verblijfplaats van uw echtgenoot, maar u kunt er zeker van zijn dat u onmiddellijk op de hoogte zult worden gesteld zodra wij hierover officieel bericht ontvangen.”
Vijf dagen later kreeg Gladys per telegram de droevige tijding dat haar man krijgsgevangen was genomen en in krijgsgevangenschap was overleden op 6 februari 1945, om half twaalf ’s avonds.

Doodsoorzaak: hersenvliesontsteking

MacDonald, zo bleek, was gewond geraakt aan zijn ruggewervel en had, volgens de melding van de Chefarzt, hersenvliesontsteking opgelopen. MacDonald overleed in het Kriegslazarett in het klooster Haus Aspel, bij Rees. Hij werd door de Duitsers begraven in Haldern.
Het duurde enige tijd voordat het Canadese leger wist waar hij begraven lag. In 1948 is MacDonald herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot 12, rij H, graf 15.
Gladys MacDonald bleef in Canada achter met twee kinderen: hun driejarige zoon Ronald Jeffrey en vierjarige dochter Jacqueline Margaret.
Ernest David Harrison werd bij de actie dodelijk verwond. Zijn stoffelijk overschot is nooit teruggevonden. Een Duitse dominee had in 1947 in een brief aan de familie de plaats aangeduid, waar Harrison begraven zou zijn, maar onderzoek in 2012 op die plek leverde niets op. Er is in 2014 een monument geplaatst. Harrison is vermeld als ‘missing’ op paneel 11 op de Canadese begraafplaats in Groesbeek.

©2026 Jan Braakman

Bronnen
* Library and Archives Canada; War Diary Canadian Scottish Regiment; RG24-C-3, Volume number: 15040

* Library and Archives Canada; Second World War Service Files – War Dead, 1939 to 1947; RG 24, Volume 26435

Albert Ernest MacDonald. Foto Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten.