Boekwinkel

Winterse patrouille werd John Kendzierski fataal

Door Jan Braakman

John Kendzierski was een gezonde jongen uit Rorketon, een plaatsje in de prairies van de Canadese provincie Manitoba. Zijn ouders waren Oekraïens van geboorte. Ze hadden hun bestaan opgebouwd in Rorketon. Het was een drukke huishouding. Kendzierski had zes broers en twee zussen. De twee oudste zussen waren getrouwd en inmiddels het huis uit; twee van zijn broers hadden ook dienst genomen in het leger.

John Kendzierski, geboren op 26 oktober 1924, was nog 19 toen hij de handtekening zette onder het aanmeldingsformulier voor het Canadese leger. Vlak voor zijn twintigste verjaardag, in september 1944, werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het front gebracht in Nederland. Hij was toen net een maand in Engeland geweest. Hij werd ingedeeld bij de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada.

Het was koud in de tweede week van januari 1945. Soldaten van de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada hulden zich in witte camouflagekleding als ze op patrouille gingen. Het regiment lag in de omgeving van Mook, ten zuiden van Nijmegen. Niet ver weg lag de Duitse vijand, die zich had ingegraven. Het Canadese regiment voerde regelmatig verkenningspatrouilles uit om te zien welke posities de Duitsers hadden ingenomen en wat de sterkte van de troepen was.

John Kendzierski. Bron Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

De nachtelijke verkenningen hadden ook tot doel Duitsers krijgsgevangen te maken, zodat via hen informatie kon worden ingewonnen. Bijna elke nacht waren er verkenningen, onder andere in de richting van de Noord-Brabantse buurtschap Middelaar vlakbij de plek waar de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg elkaar in een drieprovincies-punt raken.

Daar, in Middelaar, werd rond een groepje huizen steeds Duitse activiteit werd waargenomen.

In de nacht van 12 op 13 januari werd een patrouille van de Camerons op pad gestuurd met de opdracht een huis in te nemen of te vernietigen aan wat nu de Elzenstraat in Middelaar is. De patrouille keerde terug zonder die opdracht te hebben uitgevoerd, al was het wel tot een vuurgevecht gekomen. De Camerons werden beschoten met een Schmeisser, aldus een patrouille-rapport dat werd opgemaakt. Een van de Camerons raakte gewond aan de schouder. Later wierpen de Duitsers granaten om de Canadese troepen te verjagen.

De volgende nacht, van 13 op 14 januari, ging een patrouille naar wat op de Canadese stafkaarten werd aangeduid als Middelaarhuis. De patrouille bleef op ruime afstand, omdat rond de gebouwen mijnen lagen. In november 1944 waren daar drie mannen ernstig gewond geraakt, toen ze op een mijn liepen. Een andere patrouille ging opnieuw naar het groepje huizen rond wat nu de Elzenstraat is. Opnieuw kwam het tot schermutselingen bij het groepje huizen. De patrouilleleider Lt R.C. Ross maakte een Duitser krijgsgevangen op de Witteweg, die nu de Mookerplas in tweeën snijdt. Toen was de Mookerplas er nog niet, althans niet in de huidige omvang. Ross gooide een handgranaat in de loopgraaf waar vermoedelijk nog twee of drie Duitse soldaten zaten.

De Duitsers vuurden in de richting van de Canadese patrouille waarna een hevig vuurgevecht losbarstte. Lt Ross en zijn gevangene raakten in het tumult uit het oog en toen de rust was weergekeerd, bleek Ross onvindbaar. Er werd aangenomen dat hij door de vijand gevangen was genomen.

Kaart van de omgeving Middelaar, gemaakt door Sergeant Lessard van de Black Watch. Bron: Library and Archives of Canada; War Diaries – Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force

Een van de Canadese mannen, die Duits kon verstaan, hoorde de vijand roepen: “We hebben er hier een te pakken.” De vijand had zich goed gepositioneerd rond de dijkweg, waardoor er voor de Camerons geen doorkomen aan was. Ze konden hun patrouilleleider niet bereiken en trokken zijn achter hun eigen linies terug, met een gewonde.

De volgende nacht – van 14 op 15 januari – trok opnieuw een patrouille naar het groepje huizen rond de Elzenstraat. Nu was het de bedoeling om te zien met hoeveel de Duitsers dar zaten en welke posities ze innamen. De patrouille observeerde vooral. Ze zagen bij een van de huizen drie of vier Duitse soldaten gekleed in wette camouflagepakken. Ze hoorden dat er planken of ander zwaar materiaal van een huis naar een ander werd gesleept door twee of drie mannen. Voor een van de huizen stond een soldaat stampvoetend op wacht. Bij een ander huis werden meerdere stemmen gehoord en verderop hoorden ze een paard en wagen.

Toen een van de Canadezen een hoest niet meer kon onderdrukken, opende de vijand meteen het vuur. Maar de patrouille keerde ongehavend terug, waarna alsnog de posities van de vijand onder vuur werden genomen.

Op dinsdagavond 15 januari werd opnieuw besloten een observatie uit te voeren. De patrouille kwam terug en bevestigde wat de vorige dag was vastgesteld.

In de nacht van woensdag 17 op donderdag 18 januari was het opnieuw onaangenaam koud. De temperatuur lag rond het vriespunt, en de wind maakte het guur. De gevoelstemperatuur lag een paar graden lager.

Opnieuw ging een patrouille van de Camerons naar het groepje huizen rond de Elzenstraat. Opnieuw was het doel om de posities en de sterkte van de vijand vast te stellen en krijgsgevangenen te maken. John Kendzierski was een van de mannen die mee op patrouille ging. Nu probeerden ze de huizen vanuit het noorden te benaderen. Eerst observeerden ze vier huizen. Bij twee huizen werd geen activiteit waargenomen, een derde huis bleek leeg en bij het vierde huis hoorden ze stemmen van Duitsers.

Toen openden de Duitsers opeens het vuur. De patrouille werd hard getroffen. De patrouilleleider en twee anderen werden geraakt. Een van hen was dood: John Kendzierski. Hij bleef liggen op de plaats waar hij was getroffen.

De twee gewonde mannen kropen terug naar de rest van de eenheid. Ondertussen werden de vijandelijke posities met mortiervuur bestookt.

Een groot aantal huizen langs de Elzenstraat en de Eindweg was na de oorlog zodanig gehavend, dat ze moesten worden herbouwd.

Kendzierski werd vermist verklaard. Op 13 februari 1945 werd zijn stoffelijk overschot alsnog begraven. Padre Captain Tom Davies van de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada leidde de ceremonie. Zijn tijdelijke graf was gelegen ten noordwesten van Milsbeek langs wat nu de Rijksweg N271 is.

Na de bevrijding werd hij herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten: plot IV, rij H, graf 16. Waarom hij niet in Groesbeek is begraven, zoals de meeste van zijn maten die in de omgeving van Groesbeek omkwamen in de winter van 1944/1945, is niet bekend.

Bronnen:
* Library and Archives of Canada, War Diaries, Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada; RG24-C-3, Volume number: 15163, File number: 193
* Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26243
* Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

© 2022 Jan Braakman

Van Moerbeke naar Holten, Robert Sorenson en John Edmund Stennett

Door Jan Braakman

Sommige militaire acties zijn overzichtelijk en verlopen volgens plan. Andere keren reageert de vijand anders dan verwacht of voorspeld en wordt een minutieus voorbereid plan een chaotisch slagveld met louter verliezers.

Major General Harry Foster had duidelijk aangegeven wat er ging gebeuren. Op 13 september beschreef hij het plan. Het Algonquin Regiment zou om 22:00 uur die avond het Leopoldkanaal en het daarnaast gelegen Afleidingskanaal van de Leie oversteken en een bruggenhoofd vormen bij Moerkerke. Daarna zouden de engineers een brug over het kanaal bouwen, waarna de 4e Canadese Armoured Division richting Nederland zou kunnen doorstoten naar Fort Frederik Hendrik bij Breskens in Zeeuws-Vlaanderen.

Doel van de operatie was uiteindelijk de Westerschelde vrij te krijgen, zodat de haven van Antwerpen door de geallieerden kon worden gebruikt.

En, ook niet onbelangrijk, als de zuidoever van de Westerschelde in Canadese handen was gevallen, zaten Duitse troepen op de Zeeuwse eilanden (Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland) als ratten in de val. Ten oosten van de eilanden, in West-Brabant, was de route richting Duitsland al door de geallieerden afgesneden. Zo’n 100.000 Duitse soldaten op de eilanden zouden geen kant meer op kunnen. Nu konden ze de veerpont Vlissingen-Breskens nog gebruiken als vluchtroute – en daar maakten ze volgens de inlichtingenrapporten ook danig gebruik van.

Een kaart met daarop de eenvoudige weergave van de taak van de vier company’s (A,B,C,D) van het Algonquin Regiment. Bron: War Diary Algonquin Regiment, Library and Archives Canada; Ottawa, Canada

De inschatting van de Duitse tegenstand aan de noordzijde van het Leopoldkanaal bleek achteraf niet accuraat. De Canadese inlichtingenrapporten spraken over ongeorganiseerde, gedemoraliseerde en minimaal getrainde Duitse troepen, die in elk geval niet veel weerstand zouden bieden.

Lieutenant-Colonel Robert Bradburn van het Algonquin Regiment kreeg in de ochtend van 13 september de opdracht een bruggenhoofd te vormen. Toen de duisternis was ingevallen trok de eenheid naar Moerkerke, waar met aanvalsboten, verkenningsboten en nog een paar boten van burgers de oversteek over het Leopoldkanaal zou worden gemaakt. Onderwijl werden vijandelijke posities aan de overkant bestookt met mortier- en artillerievuur. Om half twaalf ’s avonds begonnen de Algonquins aan de oversteek, daarbij ondersteund door de Lincoln and Welland Regiment, die hielpen bij de overtocht en met de lege boot zouden teruggaan om de volgende groep over het kanaal te brengen.

De mannen droegen de boten door de smalle steegjes van Moerkerke naar de plaats waar ze de overssteek zouden maken. De vier company’s, ieder 90 man, hadden vier oversteekplaatsen aangewezen gekregen. De twee rechtercompany’s moesten het gehucht ’t Molentje innemen, dat bestond uit een groep van ongeveer 15 huizen.

Toen de eerste boten te water gingen, barstte Duits geweervuur los.

De twee kanalen werden door een kale dijk van elkaar gescheiden, waarover de boten moesten worden gesleept. Eenmaal aan de overkant bleek dat in sommige boten te weinig manschappen van het Lincoln en Welland Regiment zaten de terugtocht te maken, de boten waren te zwaar om met twee man over de dijk te slepen.

En lang niet alle boten haalden de overkant. Sommige bleven steken op de tussendijk, vanwege de sterke Duitse oppositie met een 20 mm machinegeweer. Verschillende boten werden lek geschoten en manschappen sneuvelden of raakten gewond. Sommigen wisten zwemmend te ontkomen.

John Edmund Stennett Bron: Veterans.gc.ca. Taken from Branch 185 Royal Canadian Legion 60th Anniversary Book published in 1990

John Edmund Stennett was een van de mannen die de overkant haalde. Hij had ruim een week geleden zijn 22e verjaardag gevierd, een moment om even terug te denken aan zijn broer Mac, en zijn zusters Marion en Dorothy, die hij nu al meer dan een jaar niet meer gezien had.

Stennett had zich begin 1943 gemeld bij het leger. Hij was in juli 1943 naar Engeland gebracht en in juli 1944 was hij met zijn regiment in Frankrijk aangekomen om te helpen West-Europa te bevrijden.

Nu leek het alsof hij in de hel was beland. Weliswaar lukte het om aan de overkant posities in te nemen, maar dat duurde niet lang. Tegen het ochtendgloren op 14 september zetten de Duitsers een tegenaanval in. De tegenstand van de vijand was sterker dan voorzien en de Algonquins zaten zonder voldoende munitie. Het lukte maar niet om nieuwe munitie aan te voeren. Lt-Col Bradburn vroeg om munitie per parachute te droppen, maar er waren geen vliegtuigen beschikbaar. Twee pogingen om ammunitie per boot aan te voeren mislukten. De boot haalde de overkant niet vanwege het hevige vijandelijke vuur. De bouw van een brug door de genietroepen moest worden gestaakt.

Na twaalf uur vechten besloot de divisiecommandant de aanval te beëindigen en terug te trekken onder dekking van een rookgordijn. Alle boten werden ingezet om de Canadese soldaten te ontzetten. Vier Duitse krijgsgevangenen hielpen de Canadezen daarbij.

De Canadezen hadden krijgsgevangenen gemaakt, maar de Duitsers ook. Toen de balans werd opgemaakt bleek dat er tientallen mannen vermist, gewond of gedood waren. Sommigen waren zwemmend teruggekeerd, met achterlating van al hun materieel.

John Edmund Stennett werd aanvankelijk als vermist opgegeven.

Het zou meer dan een maand duren voordat Canadese troepen Breskens bereikten. Op 6 oktober 1944 werd definitief een bruggenhoofd ten noorden van het Leopoldkanaal gevestigd, waarna de troepen richting Zeeuws-Vlaanderen konden optrekken.

Na enige tijd was duidelijk dat Stennett gevangen was genomen en afgevoerd naar het krijgsgevangenenkamp Stalag XIIA. Hij wist nog een bericht te sturen aan zijn moeder met een korte mededeling aan zijn moeder. “We have a Canadian Club formed now, and starting to form a library. I am fine.”

Dat was het laatste levensteken dat zijn moeder ontving, nadat ze had gehoord dat haar zoon vermist was en later dat hij in krijgsgevangenschap was.

In februari kwam het bericht dat John Edmund op 19 januari 1945 was overleden aan difterie en een ontstoken hartspier. Aandoeningen die regelmatig hand in hand gaan. Uit de dossiers blijkt dat hij ondertussen was overgeplaatst naar een ander krijgsgevangenenkamp: Stalag IVB. Hij werd begraven op de begraafplaats Neuburxdorf bij Mühlber a/d Elbe. Van de begrafenis zijn nog foto’s gemaakt, zo meldt een brief aan de Wehrmachtsauskunftstelle für Kriegsverluste und Kriegsgefangene van het Oberkommando der Wehrmacht in Saalfeld. Een kopie van de brief is bewaard gebleven, maar de foto’s zaten er niet meer bij.

John Edmund Stennett is na de oorlog herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot IV, rij D, graf 8.

Niet ver van hem ligt Robert Sorenson, een in Denemarken geboren Canadees, die ook deel uit maakte van het Algonquin Regiment. Sorensen werd niet krijgsgevangen gemaakt, maar hij sneuvelde bij de oversteek van het Leopoldkanaal bij Moerbeke. Zijn lichaam werd niet – zoals dat van de meeste bij Moerbeke gesneuvelde Canadezen – begraven op de Canadese begraafplaats in Adegem. Sorensons stoffelijke resten werden vanuit Vlaanderen overgebracht naar Holten, waar hij is begraven in plot 4, rij G, graf 3.

Bronnen:
* Mark Zuehlke, Terrible Victory, Madeira Park BC, 2007
* Service file John Edmund Stennett: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27116
* Service File Robert Sorenson: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27093
* War Diary Algonquin Regiment: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; RG24-C-3, Volume number: 15000, File number: 1052
* Gegevens begrafenis Stennet: ITS Bad-Arolsen; Lists of names pertaining to foreigners who were registered respectively employed on the former territory of the Reich

©2022 Jan Braakman

Richard Carignan, krijgsgevangen in Normandië, begraven in Holten

Door Jan Braakman

Richard Carignan was 23 toen hij zich op 27 januari 1943 meldde voor het Canadese leger. Hij wilde elektricien worden, vermeldde hij op de aanmeldingsformulieren. Voor hij zich meldde had hij al een paar maanden gewerkt als hulp bij Shawinigan Power Company in Drummondville, in de Canadese provincie Québec.

Hij woonde nog bij zijn ouders in Drummondville, net als zijn jongere broer Jacques en twee oudere zussen Yvette en Edna. Hij had geen vaste verkering, rookte en dronk weinig. Op de vraag of hij hobby’s had wist hij er geen te noemen. Hij las wel af en toe: kranten en tijdschriften, en hij hield van honkbal ijshockey en skiën.

Bij zijn keuring werden hem geen leiderschapskwaliteiten toegeschreven. Hij zou zich verdienstelijk kunnen maken in een ondersteunende administratieve rol.

De fysieke training leverde hem al snel een blessure op. Hij verrekte spieren in de rug, waarvoor hij twee dagen in het St. Jerome Militair Hospital terecht kwam.

In augustus 1943 werd hij met veel van de andere rekruten verscheept naar Engeland. Hij verbleef in de legerplaats Farnham.

Richard werd ingedeeld bij Les Fusiliers Mont Royal, die samen met The Queens Own Cameron Highlanders of Canada en de South Saskatchewan Regiment de 6e Infantry Brigade vormden.

Op 6 juni 1944 zetten geallieerde troepen in Normandie voet aan land. Een maand later werden Les Fusiliers Mont Royal per schip vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Frankrijk overgebracht. Vanuit Newhaven, voeren ze via de Thames over het Kanaal naar het Europese vasteland. Op 8 juli 1944 zette Richard voet op bevrijde Franse bodem. Nu kwam het erop aan. Er werd nog een zware slag gevoerd in Frankrijk, waar Duitse troepen nog hevig tegenstand boden.

De eerste weken was het nog betrekkelijk rustig voor Carignan en zijn maten. Ze kregen les over mijnen en andere wapens. Ze namen deel aan parades, hoorden bemoedigende woorden van Lieutenant-General Simonds, die met de troepen sprak en zich tevreden toonde over de komst van de Fusiliers MR.

Op 20 juli kwamen ze in een eerste gevecht met de Duitse vijand terecht. Hoewel de Fusiliers uiteindelijk als winnaar uit de strijd kwamen, met gevangenneming van 149 Duitse krijgsgevangenen, ging het allerminst zonder slag of stoot. Vooral de Duitse Panzer-tanks met hun enorme vuurkracht maakten het de Canadezen heel lastig. Verschillende Canadese voertuigen gingen verloren. De troepen kampten met een tekort aan munitie, door een falende aanvoer, zo staat in de war diary van Les Fusiliers Mont Royal te lezen.

Nadat het stof was neergedaald, werd Richard Carignan bevorderd van private (pte) tot corporal (cpl). Echt rustig werd het nooit. De vijand bleef de Canadezen bestoken met hevig artillerie- en mortiervuur, wat soms ook tot slachtoffers leidde.

De Duitse troepen raakten in augustus 1944 bij Falaise, ten zuiden van Caen, van drie kanten ingeklemd door Amerikaanse, Britse en Canadese troepen. De Canadezen moesten de druk vanuit het noorden opvoeren, de Britten vanuit het westen en de Amerikanen vanuit het zuiden. Op 14 augustus kwamen Richard Carignan en zijn maten weer in actie.

De Fusiliers Mont Royal (FMR) trokken samen met The Queens Own Camerons of Canada en het South Saskatchewan Regiment op. De opmars van de twee andere regimenten verliep voorspoedig, maar de voorste troepen van de FMR raakten geïsoleerd.

Ten zuiden van Tournebu zetten de FMR de aanval in, maar zonder succes. “We leden veel verliezen en sommige mannen werden krijgsgevangen gemaakt. Om 14.30 uur vielen RAF-bommenwerpers de vijandelijke posities aan met goed resultaat. De vijandelijjke artillerie en mortieren waren monddood gemaakt”, aldus de war diary van het regiment.

Het peloton waar Carignon deel vanuit maakte had de taak de voorste posities in te nemen, zodra de aanval was afgerond. Maar ze raakten ingesloten. De Duitsers boden stevig tegenstand met mortieren en machinegeweren. Het peloton van Carignon wist door de Duitse linies te breken, maar raakte daarna ingesloten. Het lukte niet het peloton te ontzetten.

Carignan was rond drie uur ’s middags het laatst gezien door private J.Y. Dube, die een bericht overbracht van de company commandant naar de pelotonscommandant.

Richard Carignan werd aanvankelijk als vermist werden genoteerd, en later als krijgsgevangene. Carignan werd afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Stalag VIIA in Moosburg.

Carignans ouders kregen daarvan bericht. Lange tijd hoorden ze niets, tot in februari het bericht kwam dat hun zoon was overleden. Carignan was, zo meldde het Rode Kruis op gezag van de Duitse autoriteiten, overleden aan een heupgewrichtsontsteking in combinatie met ‘uittering’. Dag van overlijden: 7 januari 1945. Twee dagen later was hij – met militair eerbetoon, zo meldde de dienstdoende Hauptmann – begraven op de Britse afdeling van het kerkhof Friesing-Neustift St. Peter und Paul in Thonstetten.

Toen de oorlog was beëindigd werd het graf van Carignan heropend. De stoffelijke resten zijn herbegraven op het Canadese ereveld in Holten. Emile Richard Carignan ligt in plot IV, rij E, graf 8.

Bronnen:
* Service file Richard Carignan: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25538
* War diary Fusiliers Mont Royal: RG24-C-3, Volume number: 15065, File number: 187
* Gegevens krijgsgevangenschap: Arolsen Archives https://collections.arolsen-archives.org/en/search/?s=carignan


© 2022 Jan Braakman

Een sportieve boerenzoon, gesneuveld tussen Wehl en Didam

Door Jan Braakman

Alexander James (kortweg Jim) Miller was een sportief type. Toen hij in maart 1943 op negentienjarige leeftijd werd gekeurd, noteerde Lieutenant W. M. Pecover, die de keuring deed, dat de fysieke fitheid van Miller in alle opzichten in orde was. Hij had een goede gezondheid, een goede lichaamsbouw, een perfecte lengte en gewicht. Die combinatie vormde, aldus Pecover “de belangrijkste troef van deze man als soldaat.” 

Jim Miller (rechts). Bron: privécollectie Janette Fehr.

Maar er zat ook een minpuntje aan Miller, aldus Pecover. “Hij heeft spierkracht te over, maar niet een erg groot mentaal vermogen.” Toch was Miller voldoende intelligent om een trainbaar soldaat te zijn. Al zou hij de top van zijn niveau wel bereiken bij het uitvoeren van “algemene routinetaken van manuele aard.” 

Miller was de oudste van drie kinderen. Hij was geboren op 8 januari 1924 in High River, in de Canadese provincie Alberta. Zijn ouders (Alexander en Mary Miller) hadden een boerderij, waar hij als oudste zoon hard meewerkte. Een acht jaar jongere zus (Jean) en een drie jaar jongere broer (Robert) werkten eveneens mee op het bedrijf van zijn vader, dat een omvang had van 320 acres (130 hectare). De boerderij was zoals de meeste bedrijven in Alberta gemengd: een groot deel was bestemd voor de teelt van granen, die deels werden gevoederd aan het vleesvee. Het bedrijf van de Millers was voor de provincie Alberta van gemiddelde omvang. Het bedrijf beschikte over een trekker, en er waren ook paarden en schapen. Twee van de paarden waren eigendom van zoon Jim Miller. Zijn vader had het bedrijf gekocht nadat hij ongeschonden terugkeerde van de Eerste Wereldoorlog,

De negentienjarige Miller wilde graag zijn vader opvolgen op het bedrijf. Dat hij zich in 1943 toch aanmeldde voor het Canadese leger verklaarde hij met de woorden dat hij ervan uitging dat hij sowieso wel opgeroepen zou worden.

In mei 1943, een paar maanden na zijn indiensttreding leek zijn gezondheid toch minder goed, dan bij de keuring was vastgesteld. Miller kreeg last van zijn longen en hij raakte bovendien besmet met de mazelen. Voor de dienstdoende legerarts reden om hem voor een periode van twee weken naar huis te sturen met ziekteverlof. 

Hij keerde terug in de gelederen en werd gezond bevonden. Hij volgde de trainingen en kreeg in november 1943 te horen dat hij zou worden verscheept naar Europa. Begin december kwam hij in het Verenigd Koninkrijk aan.

Jim Miller werd ingedeeld bij het Canadian Scottish Regiment, waarmee hij op 22 juli 1944 naar het slagveld in Frankrijk ging. Hij kwam de eerste maanden zonder vermeldenswaardige kleerscheuren door. Maar in november van 1944 kregen zijn ouders een verontrustend bericht. Hun zoon was gewond geraakt, meldde het telegram. Maar over de aard en de ernst van de verwondingen kon verder niets worden vermeld.

Jim was in zijn voet geschoten. Maar dat gebeurde niet op het slagveld. Het was een ongeluk. Miller was ingekwartierd in het Belgische Gent, samen met anderen, die hij niet persoonlijk kende. Hij was binnen het regiment net in een andere eenheid geplaatst. Een andere soldaat, van de C-company, was zijn wapen aan het schoonmaken en toen hij het magazijn in het wapen plaatste, ging het per ongeluk af. De kogel raakte zijn rechtervoet. Maar de verwonding was niet heel ernstig.

Vier weken later werd hij hersteld verklaard en kon hij zich weer aansluiten bij zijn regiment.

Op 2 april 1945 ging het alsnog mis, toen hij met het Canadian Scottish Regiment de opmars door de Gelderse Achterhoek maakte.

De C-company van het Canadian Scottish Regiment nam het voortouw, toen ze rond de middag de opdracht kregen om vanuit Wehl westwaarts te trekken naar Didam. De war diary van het regiment meldt dat de C-company op de eerste Duitse tegenstand stootte in de bossen halverwege Didam. Ook de D-company kwam onder vuur. “Na een kort hard gevecht waarin de vijand vier slachtoffers maakte”, zo meldt de war diary, maakten de CanScots 20 Duitse krijgsgevangenen. Een van die vier slachtoffers was waarschijnlijk Jim Miller.

Kaart (detail) gebruikt door Canadian Scottish Regiment. Bron: Library and Archives of Canada

Twee dagen later werd hij op het kerkhof van Kilder begraven. Zijn ouders kregen op 9 april per telegram bericht van de dood van hun zoon.

Het bedrijf van de Millers werd door Jims broer Robert overgenomen. Jims vader stierf in 1971, zijn moeder in 1988. Zijn broer Robert Miller en diens vrouw Isobel Mae Hardonk brachten zes kinderen groot op het boerenbedrijf. Tot vlak voor diens dood knutselde Robert aan een John Deere oldtimer trekker. Robert overleed in november 2021. Zus Jean overleed in juni 2006.

In 1946 werden werden de stoffelijke resten van Jim Miller herbegraven op het Canadese ereveld in Groesbeek. Alexander James Miller ligt in plot 19, rij C, graf 8. 

Bronnen:
* Service File Alexander James Miller: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26614
* War diary Canadian Scottish Regiment: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Reference:RG24-C-3. Volume/box number: 15042. File number: 734(400). The Canadian Scottish Regiment
* Obituary Robert Miller: https://necrocanada.com/obituaries-2021/robert-gray-miller-november-16-2021
* Foto Jim Miller: Janette Fehr via Edwin van der Wolf

© 2022 Jan Braakman

D-Day overleefd, omgekomen op zoek naar eieren

Alfred Page Darby in november 1944. Bron: Barbara Darby via Ancestry.ca

Door Jan Braakman

De oorlog liep praktisch op het einde. Alfred Page Darby had al een tijdje in de luwte van het front gewerkt. Hij had de frontoorlog in al zijn hevigheid ervaren als tankchauffeur in het 6 Canadian Armoured Regiment (1st Hussars), afgekort tot 6CAR. Op 6 juni 1944 werd hij met zijn troepen afgezet op Juno Beach, het Normandische strand waar de Canadese 3e Infanterie Divisie een doorbraak door de sterk verdedigde Duitse kustlinie forceerde.

Het 6CAR regiment was succesvol. De tanks ondersteunden de Canadese infanterietroepen (Regina Rifles, Canadian Scottish Regiment en Winnipeg Rifles) landinwaarts en van de geallieerde invasietroepen slaagden zij er als een van de weinigen in de vooraf gestelde doelen te bereiken.

Dat ging niet zonder slag of stoot. Sommige tanks bereikten niet eens het strand en gingen – met bemanning – verloren in de zee. Anderen liepen op een mijn en moesten terzijde geschoven worden. Het Duitse artilleriegeschut was fel en oorverdovend. Darby verkeerde voortdurend in spanning.

De oorlog kroop langzaam onder zijn huid. De geluiden bleven in zijn hoofd echoën. Aanvankelijk merkte niemand iets aan Darby, maar na een week of twee begonnen de zenuwen op te spelen.

Krantenbericht in Canadese krant over het overlijden van Darby. Zijn vrouw hertrouwde later. Bron:Veterans.gc.ca

Hij stond erop in de tank te slapen. Hij at niet of nauwelijks, hij raakte geïrriteerd en wilde alleen zijn. Hij was depressief door alle slachtoffers, die maten die hij verloor in de strijd. Twee keer ging zijn tank verloren – zonder dat hijzelf gewond raakte. Twee keer raakte zijn tank zo beschadigd dat hij niet verder kon.

In juli 1944 raakte hij licht gewond – niet door vijandelijk vuur, maar door een ongelukje. Hij kreeg een spierontsteking en kwam in het ziekenhuis terecht. Daar kon hij de slaap niet vatten. Drie dagen en nachten bleef hij wakker – hij kon pas weer slapen toen hij terug was bij de Canadian Base Reinforcement Group, en later bij het 25th Armoured Delivery Regiment (Elgin Regiment), waar hij werd ingezet om wapens te herstellen. Hij leek op te knappen. Maar terug aan de frontlinie kwamen de klachten terug. Als hij vijandelijk vuur hoorde kreeg hij fysieke verschijnselen: maagkrampen, gebrek aan eetlust en volgens zijn maten zag hij er slecht uit. Hij werd afgevoerd vanwege ‘battle exhaustion’ – oorlogsmoe.

Eenmaal ver achter de linies verdwenen de fysieke verschijnselen; hij at goed en hij kon de slaap goed vatten, maar hij had wel concentratieproblemen en leek de interesse in zijn omgeving te hebben verloren.

Een psychiatrisch onderzoek volgde. De conclusie was dat de beoordeling van de stabiliteit van Darby moest worden bijgesteld (‘downgraded‘) van S1 naar S3. En dat maakte hem ongeschikt voor het werk aan het front.

Daarmee leek de oorlog voor Darby ten einde. Zijn vrouw wachtte op hem in Toronto. Het zou een kwestie van tijd zijn voordat Darby weer thuis zou zijn om zijn baan als glasbewerker weer op te pakken.

Het liep anders.

Een situatieschets van de plaats van het ongeluk tussen Bad Salzuflen en Wüsten. Bron Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25699

Op 26 juni 1945 ging Darby met drie andere soldaten op pad om eieren te kopen in de omgeving van Bad Salzuflen. Drie verwschillende boerderijen werden bezocht – maar er waren geen eieren te koop. Onverrichterzake keerden de soldaten terug. Op de lokale weg van Wüsten naar Bad Salzuflen raakte de auto – een Chevrolet – van de weg en botste tegen een boom. Drie inzittenden raakten gewond. De vierde, Alfred Page Darby, overleed aan zijn verwondingen.

Darby werd tijdelijk begraven in Herford. Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats op het ereveld in Holten: Plot IV rij G, graf 4.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25699

©2021 Jan Braakman

Een kwast witkalk om verder onheil te voorkomen

Canadees krantenbericht over de dood van Doyle. Bron: Veterans.gc.ca

Een ambtenaar van gemeentewerken liep met een kwast en een pot witkalk langs de Hengeloschestraat in Enschede ter hoogte van textielfabriek Schuttersveld. De ambtenaar opende de pot met verf en doopte de kwast erin. Vervolgens zette hij de kwast tegen een boom die stond op de scheiding van het fietspad en de hoofdweg, waar het autoverkeer reed. Nadat hij de boom van een of meer witte stroken rondom had voorzien, hing hij een lamp op – een rode lamp om de boom in het donker te markeren.

Het was zaterdag 26 mei 1945. De Twentse textielstad was aan het bijkomen van vijf jaar bezetting. Enschede had veel geleden onder tientallen bombardementen van zowel de Duitsers als de geallieerden. Britse en Amerikaanse vliegers zagen de Twentse stad soms aan voor een Duitse plaats en vonden het goed hun bommen daar te laten vallen. De nabijheid van het vliegveld Twente maakte de stad ook tot een doelwit van de geallieerden. Toen na de oorlog de trieste balans werd opgemaakt, bleek dat er gedurende de bezetting meer dan 350 mensen in Enschede om het leven kwamen en tenminste zoveel mensen gewond raakten. Honderden woningen raakten beschadigd, in sommige gevallen onbewoonbaar en onherstelbaar.

Nu was de oorlog voorbij. In de stad was het druk met Canadese soldaten, die af en toe vertier zochten. De avond voordat de gemeenteambtenaar met de witkwast aan het werk was, hadden Canadese officieren een dansavond in het pand waar het 4 Coy Corps Military Police was gevestigd (nu Hengelosestraat 76-78).

Trouw, 28 mei 1945. Bron: Delpher.nl

Of het toeval was of een vooropgezet idee dat Warrant Officer Class 2 Walter Doyle en Sgt E.H Manion van het First Canadian Army Troops Workshop Royal Canadian Electrical and Mechanical Engineers op de dancing terecht kwamen wordt uit de bewaard gebleven stukken niet duidelijk. Zeker is dat Doyle en Manion op 25 mei 1945 om negen uur ’s avonds vanuit Hengelo naar Enschede reden. Doyle had, zo zei hij, een afspraak met een collega bij de ADOS Dump (Assistant Director of Ordnances Services), over een reparatie aan een drietonner (Dodge). Eerder die dag hadden Doyle en Manion een gerepareerde Jeep teruggebracht naar de ADOS Dump. Ze hadden gezegd later nog terug te komen.

Toen Doyle en Manion in Enschede aankwamen bleek dat er geen licht meer brandde bij de ADOS Dump. Op weg terug zagen ze dat een dancing gaande was bij het Corps Military Police. Manion herinnerde zich dat ze gestopt waren, hun Austin Utility – kortweg vaak een Tilly genoemd – hadden geparkeerd en met zijn tweeën naar de dancing waren gegaan. De twee vermaakten zich goed, ze haalden drankjes van de bar en bleven tot middernacht. Toen het was afgelopen. Doyle ging naar buiten naar hun voertuig, Manion was zijn baret kwijtgeraakt en zocht nog een half uur, zonder zijn hoofddeksel te vinden. “Ik had bijna de gehele avond gedanst, dus ik was behoorlijk moe”, zei hij. Toen Doyle de auto had gestart, was hij bijna meteen in slaap gevallen. “Het eerste wat ik daarna weet is dat ik in de gewondenopvang lag, de volgende ochtend om ongeveer 11 uur.”

Manion wist niet meer wat er in de tussentijd was gebeurd.

Dat wist soldaat H.B. Madge wel. Hij had het zien gebeuren. Madge liep die nacht langs de Hengelosestraat vanuit de richting Hengelo naar de stad. Hij zag een militair voertuig hem tegemoetkomen. Beide koplampen brandden en de auto reed naar schatting 50 tot 55 kilometer per uur, dacht Madge.

Madge zag de twee bomen en een stalen paal links van de straat, tussen het deel waar de auto’s reden en het deel voor de fietsers. De vrachtwagen reed recht op de boom af, zonder snelheid te minderen of te remmen.

Met een forse knal kwam het voertuig tot stilstand.

Het verwrongen staal van de auto kreunde nog even na.

De motor stokte, de boom kraakte.

Madge haastte zich naar de plek waar metaal en hout in elkaar vervlochten waren geraakt.

Hij zag twee mannen in de Tilly. De bestuurder leek op slag dood te zijn. Hij lag onderuit op de bestuurdersstoel met zijn hoofd achterover gebogen. Hij staarde naar boven. De bijrijder – ernstig gewond – leefde nog.

G. Heutink, die aan de Hengeloschestraat woonde, was wakker geschrokken van de klap. Vanuit het bovenraam riep hij naar Madge of hij hulp nodig had. “Ik vroeg hem een lantaarn te brengen. Uiteindelijk begreep hij me en kwam hij met een lamp”, zei Madge.

Heutink alarmeerde de politie. Niet de militaire politie, zoals Madge had gevraagd, maar de Enschedese gemeentepolitie.

Ondertussen hield Madge een Canadees militair voertuig aan, bestuurd door een Lieutenant. Madge vroeg hem een militaire ambulance te regelen. De Lieutenant gaf soldaat de opdracht de Canadese soldaten niet te laten beroeren door de Nederlandse politie.

Bijlage uit het proces-verbaal over het ongeluk met een schets van de situatie op de Hengeloschestraat. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

De Enschedese gemeentepolitie kwam met twee man ter plaatse, de agenten Van der Velde en Groenewoud. Een even later ook een civiele ambulance. Madge weigerde echter de gewonde soldaat met de ziekenwagen te laten vervoeren, in lijn met de opdracht die hij van de Lieutenant had gekregen. De Canadese militaire politie (MP) kwam als laatste bij het ongeluk, maar nam wel meteen de regie over.

Uiteindelijk kwam er ook een ambulance van het 9 Cdn Field Dressing Station. Waarmee Manion eerst naar het Field Dressing Station werd gebracht, om daar te worden doorverwezen naar het Sint Elisabethziekenhuis in Almelo (6 Canadian Casualty Clearing Station). Daar werd Manion de volgende ochtend wakker, zich niet bewust van wat er zich die nacht had afgespeeld. Het stoffelijk overschot van Doyle was later die nacht ook naar Almelo overgebracht, waar werd geconstateerd dat hij een gebroken nek had.

Doyle werd tijdelijk begraven op de algemene begraafplaats in Almelo. Later werd hij herbegraven in Holten: Plot VI, rij A, graf 9.

Fabriekscomplex van Schuttersveld (Van Heek) aan de Hengelosestraat (op de voorgrond van linksonder naar rechts) in Enschede. De Boddenkampstraat ligt buiten het beeld van de foto. Bron: Enschedeinansichten.nl

Voor Heutink was het ongeluk voor zijn huis reden om in actie te komen. Volgens hem was het al de zesde keer in korte tijd dat daar een ongeluk gebeurde. De politie meldde dat er drie eerdere ongelukken waren geweest. Na het vorige ongeluk had hij bij de gemeente geklaagd over de gevaarlijke situatie. Ze hadden hem bij de gemeente beloofd er iets aan te doen. Dat was echter nog niet gebeurd. Tot na dit ongeluk.

Op de ochtend van de zaterdag 26 mei 1945 werd alsnog een witte markering op de boom aangebracht, en een rode lamp.

  • Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

©2021 Jan Braakman

Dan Campbell haalde de overkant niet

Dan Campbell. Foto via Veterans.gc.ca

Door Jan Braakman

Dan Campbell hield van zwemmen. En hij spaarde ook postzegels, vertelde hij in maart 1942 toen zijn Soldiers Qualifications Card werd ingevuld.

Campbell was enig kind van Ila en Daniel Campbell die in Owen Sound (Ontario, Canada) woonden. Dan meldde zich in juni 1941 bij het leger. Een paar maand later, in oktober, werd hij al verscheept naar Glasgow (Schotland). Hij werd ingedeeld bij het 5th Anti Tank Regiment, letterlijk als waterdrager. Hij zorgde ervoor dat er voldoende drinkwater was in het hoofdkwartier. Hij had een speciale opleiding genoten om het water te winnen en te vervoeren.

In juli 1944 kwam hij op het oorlogstoneel in het Europese vasteland. Via Frankrijk, België, Nederland en Duitsland kwam hij in mei 1945 terecht bij de Duitse plaats Meppen, niet ver van de Nederlandse grens, zo’n dertig kilometer ten oosten van Emmen.

De oorlog was voorbij, de Duitsers hadden gecapituleerd, maar Daniel Campbell wilde zich nog wel blijven inzetten in het leger. Hij had zich al als vrijwilliger gemeld om de strijd in de ‘Pacific’ voort te zetten, waar Japan nog verslagen moest worden.

Zover kwam het niet.

Hij had op 31 mei in de vroege middag met zijn kompaan P.M. Corcoran (kortweg Cord voor zijn vrienden) water had gehaald uit de Eems bij Lathen (zo’n 20 kilometer ten noorden van Meppen). Tegen drieën keerden ze terug in Meppen. Corcoran en Campbell vulden de lege watercontainers. Daarna trok Corcoran zich terug naar de tent, die hij deelde met J.P. Cloney, G.E. Brooks en G.S Phillips.

Cloney, Brooks en Phillips verlieten de tent en liepen met Campbell naar de oever van de Eems, dichtbij het centrum van Meppen. Aan de overkant van de rivier, zo’n 60 meter verwijderd, stonden drie jonge vrouwen. Campbell aanschouwde het tafereel aan de overkant en nam een resoluut besluit. “Ik zwem naar de overkant”, zei hij. Hij trok zijn laarzen uit, leegde zijn zakken en sprong – gekleed in een shirt een broek en met sokken aan – het water van de Eems in. Zijn maten dachten dat hij een geintje maakte. Ze riepen naar hem dat hij terug moest komen. Maar Campbell zwom door.

Sergeant R.W. Cook maande Campbell terug te keren. Hij vertrouwde niet op de zwemvaardigheid van de soldaat. “Hij was nog niet halverwege de rivier en ik schreeuwde dat hij moest terugkeren, maar hij bleef zwemmen. Toen heb een enkele van mijn mannen opgedragen om de roeiboot te halen, die zo’n honderd meter verderop lag. We roeiden in de richting van Campbell, maar de stroming was behoorlijk sterk en de boot nogal zwaar, dus we kwamen maar langzaam vooruit.”

Toen zagen de mannen dat Campbell zich op zijn rug draaide. Hij bleef eerst nog zwemmen. Maar daarna verdween hij onder water. Hij kwam nog twee keer aan de oppervlakte, en toen zakte hij opnieuw de rivier in – zonder weer boven te komen.

Sgt Cook: “We gingen zo snel we konden naar de plek waar hij was verdwenen en deden al het mogelijke om hem te lokaliseren, maar de stroming had hem ongetwijfeld naar beneden getrokken.”

Ze keerden met de boot terug naar de oever en pikten iemand op die goed kon duiken. Maar het water was troebel en de poging de soldaat te vinden bleef vruchteloos.

Campbell haalde de overkant niet.

De Eems bij Meppen. Foto Jens Menke

Zijn lichaam werd de volgende dag teruggevonden. Campbell was verdronken.

Op 2 juni 1945 werd hij begraven bij de medische hulppost van het regiment in Meppen. Captain Peglar verzorgde de dienst.

Campbell is later herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot IX, rij D, graf 16.

  • Bronnen:
    Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25526

    Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; 6th Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery; RG24-C-3, Volume number: 14570, Microfilm reel number: T-16719–T-16720, File number: 814

©2021 Jan Braakman

Drie vrouwen claimden de erfenis van Paul Riopel

Door Jan Braakman

Er waren zes vrouwen belangrijk in het leven van Paul Riopel. Zijn moeder, drie zussen en twee vriendinnen. Drie van hen dachten aanspraak te maken op Pauls nalatenschap.

Dat bleek toen Paul – zeer onverwachts – op 29 mei 1945 overleed. Op dat moment verbleef zijn regiment (Seaforth Highlanders of Canada) in aan de Mauritskade in Amsterdam in het Koloniaal Instituut (later herdoopt tot Koninklijk Instituut voor de Tropen).

Er was die avond voor vertier gezorgd. ’s Ochtends werden de troepen geïnspecteerd, ’s middags kwam een aantal soldaten terug van verlof en ’s avonds was er film – georganiseerd door het Leger des Heils – in het theater van het instituut en tegelijkertijd was er ook een show in het City Theater. Voor de officieren was er een feest in de Louis Seize-zaal, zo vermeldt de War Diary van het regiment.

Wat de 25-jarige Paulus Riopel daarvan meekreeg is verdwenen in de vergetelheid. Riopel overleed die dag aan een hartaanval als gevolg van het dichtslibben van een kransslagader, zo vermeld zijn persoonlijk dossier. Kort voor zijn overlijden, op 21 januari 1945, had Pauls moeder nog een brief geschreven aan het ministerie van defensie in Ottawa, waarin ze ervoor pleitte haar zoon naar huis te sturen. Ze zou blij zijn als ze hem na vijf jaar weer zou zien en het leek haar meer dan redelijk dat haar zoon zijn welverdiende rust kreeg, want er waren, vond ze, genoeg anderen die hem konden vervangen.

Paul had drie zussen (Pauline, Therese en Jacqueline), van wie er een in het klooster was gegaan en een invalide was. Een jongere broer was in 1938 op 15-jarige leeftijd overleden.

De militaire carrière van Riopel was al begonnen in september 1939, toen hij zich meldde voor de marine. Hij stelde zich voor dat hij in de machinekamer van een schip zou gaan werken, maar daar werd letterlijk een streep doorgehaald. Hij werd ingeschreven als “ordinary seaman” , vergelijkbaar met een net gerekruteerd soldaat bij de landmacht.

Erg succesvol was Riopel niet bij de marine. Want nog voor het jaar verstreken was, kreeg hij ontslag bij de marine. Ongeschikt (‘unsuitable’) werd in zijn dossier vermeld. Riopel liet het er niet bij zitten. Hij meldde zich in januari 1940 bij de Canadese landmacht. Daar zou hij – bij verschillende regimenten – in dienst blijven tot zijn onverwachte dood op 29 mei 1945 in Amsterdam.

Nog geen maand nadat hij was gerekruteerd, ging hij per schip vanuit Halifax naar Europa. Hij kwam op 9 februari van dat jaar aan in het Schotse Glasgow. In het verenigd Koninkrijk volgde hij zijn opleiding. Aanvankelijk was hij ingedeeld bij een artillerie-eenheid. Maar toen hij in juni 1943 naar het Middellandse Zeegebied werd gebracht, maakte hij deel uit van het Canadian Public Relations Detachment. Hij komt zelf ook voor op een van de foto’s van het PR-detachment die bewaard zijn gebleven in het Canadese archief: rijdend op een motorfiets door het Zuid-Italiaanse landschap.

Paul Riopel (links) in juli 1943 op de motorfiets, samen met Bill Stemmler, en FA Davies. Foto: Lieut. Terry F. Rowe / Canada. Dept. of National Defence / Library and Archives Canada

Zijn verblijf in Italië zou duren tot het vroege voorjaar van 1945. In januari 1945 werd hij toegevoegd aan de gelederen van de Seaforth Highlanders of Canada en met dat regiment werd hij op 12 maart 1945 verscheept naar Frankrijk.

In de tussentijd was hij een paar keer in het ziekenhuis geweest, zo blijkt uit zijn dossier. Niet omdat hij gewond raakte, maar vanwege aandoeningen die hij had opgelopen. Hij verbleef vijf keer in het ziekenhuis, vier keer vanwege een ontstoken plasbuis. Drie keer werd dat in verband gebracht met een druiper (gonorroe). Begin 1945 lag hij in het ziekenhuis vanwege een huidinfectie aan zijn gezicht, waarschijnlijk als het gevolg van het gebruik van vuile scheermesjes.

Testament van Paul Riopel, waarin hij Francis Arnold als enig erfgename vermeldt. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25567

Toen Paul in Engeland verbleef kwam hij in contact met Francis Arnold. Hij wees haar aan als enig erfgenaam, zo blijkt uit een briefje dat hij op 18 april 1943 opmaakte.

Maar toen Riopel in Amsterdam was overleden was er nog een vrouw die aanspraak maakte op de erfenis. Marion Naylor stond op het punt in het huwelijk te treden met de militair. Hij had nota bene toestemming van het leger het huwelijk met haar aan te gaan. Volgens het aanvraagformulier waarin Riopel om toestemming vroeg voor het huwelijk, kende hij Marion al sinds eind 1941. Het plan was om in juni 1945 in het huwelijk te treden.

Marions moeder vond het onbegrijpelijk dat een vrouw die inmiddels helemaal uit beeld was, toch in aanmerking kwam voor de erfenis van de aanstaande echtgenoot van haar dochter. Volgens haar had Paul Riopel in juni 1944 een nieuw testament gemaakt, waarin haar dochter als erfgenaam werd aangewezen. Dat stuk werd echter niet in het dossier van Riopel aangetroffen.

De moeder van Paul Riopel vond het buitengewoon pijnlijk. Zij vocht de geldigheid van het testament uit april 1943 aan.

Ondertussen roerde ook de rechtmatig erfgename, Francis Arnold, zich. Ze was inmiddels getrouwd en ging als mevrouw Foster door het leven. Desalniettemin wilde ze graag weten wat er precies met Paul was gebeurd. “Het laatste dat ik van hem hoorde, was dat hij in Engeland was om te repatriëren naar Canada, ongeveer een maand geleden.” Ze schreef dat in juli 1945, toen was Paul al meer dan een maand overleden. En Paul was niet in Engeland teruggekeerd. Hij was in Amsterdam overleden.

Pauls moeder begreep niet dat Francis Foster de erfenis opeiste. “Ze is nooit de vriend van onze zoon geweest. En nu krijgt ze ook nog zijn oorlogsuitkering.” Pauls moeder vond dat die uitkering haar en haar familie toekwam.

De moeder van Marion Naylor schreef in december 1945 een brief en voegde daar twee kopieën van brieven aan toe, die Paul aan haar dochter had geschreven. In een van de brieven meldde Paul dat hij een Victory Loan Bond had gekocht op naam van zijn aanstaande echtgenote. In een andere brief (15 juni 1944) schreef hij volgens de kopie: “Darling, today I made out a new will. It is made out to you. Now don’t fret about it. But it is just in case anything should happen. You see, we can’t never tell how things will turn out.”

Nu Paul was overleden begon Marion zich echter wel zorgen te maken. En terecht – het door Paul beschreven testament werd nergens gevonden.

Toen meer dan drie jaar later de medailles van Paul niet op het juiste adres bezorgd konden worden, besloot het departement van defensie de onderscheidingen op te sturen aan Pauls moeder. Zo kreeg ze toch nog iets. In juli had Pauls moeder nog een brief geschreven aan de afdeling onderscheidingen van het ministerie van defensie in Ottawa met de vraag of zij de onderscheidingen van haar zoon kon krijgen. “Ik heb geen aandenken aan hem en hij was mijn enige zoon. Hij is vaak geëerd in de kranten door Mr Maurice Desjardins. Hij werkte samen met Mr Marcel Ouimet en Mr Ross Munro. Allen gaven aan dat hij een geweldig soldaat was.”

Paul werd aanvankelijk begraven in Hilversum. Later is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot IX., rij F, graf 10.

Bronnen:
Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25567
Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; The Seaforth Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force; RG24-C-3, Volume number: 15257, File number: 3

© 2021 Jan Braakman

Een dodelijk schot in de villa Sweelinck-laan 9, Hilversum

Sweelincklaan 9. Bron: J. Quak

Door Jan Braakman

De 30-jarige Thomas Edward Bates had al aardig wat van Europa gezien voordat hij in het voorjaar van 1945 in Nederland terecht kwam. Het 7th Anti Tank Regiment waartoe Bates behoorde, was in mei 1945 gelegerd in Bussum. Eind februari was het regiment nog in de Franse havenstad Marseille. En daarvoor had het regiment ondersteuning gegeven in Italië, waar de Canadese troepen al vanaf november 1943 aan een opmars bezig waren.

De mannen van het antitank-regiment maakten met enige regelmaat uitstapjes naar Hilversum. Daar was gelegenheid om te douchen bij voorbeeld. Maar soms werden daar ook de bloemetjes buiten gezet.

Wat precies de aanleiding was voor het incident waarbij Bates op 28 mei 1945 om het leven kwam, wordt niet helemaal duidelijk uit de verslagen die daarvan bewaard zijn gebleven. Feit is dat Bates werd doodgeschoten in een Hilversumse villa, Sweelincklaan 9. Het pand werd bewoond door Duitse krijgsgevangenen. Om het pand stonden twee hekken, die moesten voorkomen dat de krijgsgevangenen ontsnapten, maar ook om ervoor te zorgen dat er niet ongemerkt mensen naar binnen gingen.

Het verhaal dat uit het onderzoeksverslag naar voren komt kent twee versies. De Duitse en de Canadese.

Eerst de Duitse versie, die door Oberstabsrichter Hegemann en Oberst Ritter opgetekend uit de mond van Oberwachtmeister Karl Bengsen, Wachtmeister Walter Kollander, Gefreiter Franz Kerschberger, Gefreiter Günther Helbig en Gefreiter Konstantin Liss. Volgens de Duitse lezing kwamen tussen negen uur en half tien ’s avonds op maandag 28 mei 1945 tussen de zes en acht Canadese soldaten de villa aan der Sweelincklaan binnen.

“De Canadese soldaten waren duidelijk onder invloed van alcohol”, aldus de samenvatting. De soldaten eisten drank, sigaretten, chocola en andere spullen van de Duitse militairen, die daarbij bedreigd werden met wat zij een ‘Tommy-gun’ noemden. Het bleef niet bij dreigen. Sommige Duitsers kregen klappen met de kolf van een geweer – ze moesten waardevolle spullen – horloges, zakmessen, aanstekers afgeven. Ondertussen haalden de Canadese soldaten de kasten in het huis overhoop, kennelijk op zoek naar waardevolle spullen en drank.

Twee Canadezen – een private en een sergeant, volgens de Duitsers – probeerden in een kamer op de begane grond spullen van hun gading te vinden. De soldaat (private) was daarbij uitermate hardhandig en hij bedreigde – nog steeds volgens de Duitse lezing – voortdurend vier ongewapende Duitse krijgsgevangenen. De Canadese sergeant vond dat kennelijk te ver gaan. Hij sprak de soldaat aan op zijn overmatig gewelddadige gedrag, pakte hem bij de revers en duwde hem op een bed achter hem. De soldaat wankelde achteruit en kwam daarbij op de grond terecht. Terwijl hij nog op de grond zat, ging het wapen af. De sergeant werd dodelijk getroffen en viel meteen op de grond.

De conclusie van Hegemann en Ritter was dat de Duitse soldaten zonder enige schuld waren. Tijdens het incident namen de Duitse soldaten een uiterst passiever rol op zich, aldus het verslag.

De Canadese versie was enigszins afwijkend. Lieutenant Verne Atrill was de eerste die werd gealarmeerd door de betrokken militairen. Volgens de Canadese lezing was er een melding geweest van verboden damesbezoek aan de villa waar de Duitse krijgsgevangenen waren gevestigd. Wie er precies naar binnen waren gegaan, werd niet helemaal duidelijk. Maar zeker was dat Sgt Bates en private Russell McLellan door de omheining en het hekwerk waren gegaan om in het huis poolshoogte te nemen in de villa. Verder zeiden ook Sgt Crabtree, Sgt Young en Sgt Neil dat ze in het huis waren geweest. Sgt Hodgson had buiten het gebouw gestaan.

Gunner Russell McLellan was degene die (per ongeluk) de trekker had overgehaald. Ook hij zei dat er een melding was binnengekomen van een Canadese militair dat er burgers het Duitse kamp waren ingegaan. Aanvankelijk was niet duidelijk wie de bron was van dat bericht. Later meldde Lance Bombardier Duggan zich als degene die had gezien dat er vrouwen de villa waren binnen gegaan.

McLellan werd aan een verhoor onderworpen.

Hij verklaarde dat hij had geprobeerd om de Duitsers in een kamer bijeen te krijgen. Sgt Bates was er bij gekomen en “op de een of andere manier stootte hij me aan waardoor ik mijn evenwicht verloor en achterover viel op de bank. De kolf van de sten gun moet iets hebben geraakt, want hij ging af. Toen ik zag wat er was gebeurd riep ik Sgt Neil. Die kwam naar de kamer en daarna hebben we gerapporteerd aan onze officieren.”

“Had u gedronken?
McLellan: Nee, ik had ’s ochtends een glas gedronken en verder niet die dag.

Weet u wie de soldaat was die meldde dat er burgers in het kamp waren?
Nee, meneer.

Waar waren de Duitsers op het moment van het incident en hoeveel waren er in de kamer?
Er waren er vier. Drie van hen zaten op een stoel en de andere probeerde de deur naar een andere kamer door te gaan.

Heb je op enig moment een burger gezien in het Duitse huis?
Er was een meisje, maar ik weet niet waar ze bleef.

Wanneer zag je het meisje?
Toen we het huis ingingen.

Waarom probeerde je alle Duitsers bij elkaar te krijgen?
Ik probeerde ze bij elkaar te houden zodat ze zich niet over het huis zouden verspreiden.

Waarom wilde je niet dat ze zich in het huis verspreidden?
Ik weet het niet, ik dacht dat ze het best bij elkaar konden blijven.

Wat was je plan te gaan doen toen je met Sgt Neil op weg ging naar het Duitse huis?
Ik had opdracht om met Sgt Neil onderzoek te doen naar de burgers daar.

Waarom deed je niet meteen onderzoek naar het burgermeisje, toen je haar zag?
Toen we binnenkwamen ging het burgermeisje door een andere deur. Sgt Bates ging naar buiten achter haar aan. Hij kwam terug en zei dat hij haar niet kon vinden en dat ze nergens te zien was.

Heeft Sgt Bates je opzettelijk geduwd of ging het per ongeluk?
Het ging per ongeluk.

Was Sgt Bates dronken?
Nee.

Weet je hoe het kwam dat Sgt Bates je per ongeluk duwde?
Nee.”

Volgens het verslag van het verhoor werden er geen vragen gesteld over de spullen die de Duitse militairen hadden moeten afgeven, geen vragen over het geweld dat daarbij was gebruikt.

De onderzoeksrechters kwamen tot het oordeel dat de andere Canadese militairen zonder toestemming en zonder reden naar huis van de krijgsgevangen waren gegaan. McLellan had net als Sgt Neil wel de bevoegdheid op te treden. Neil werd nagedragen dat hij zijn autoriteit niet had gebruikt om de soldaten tegen te houden, toen ze het huis binnen wilden gaan. De krijgsraad te velde oordeelde uiteindelijk dat McLellan niet schuldig was.

Verne Atrill op latere leeftijd. Bron: Toronto Public Library

Verne Atrill, de Lieutenant wiens manschappen betrokken waren bij het incident, zou in december 1945 met een Nederlandse trouwen. De liefde tussen Verne Atrill en Anneke Lykles uit Haarlem is beschreven door de schrijver P.F. Thomése in het boek Vaderliefde. Thomése beschrijft Atrill als een oorlogsheld. Atrill werd op 6 januari 1945 eervol vermeld (Mention in Despatches).

Een passage uit het boek van Thomése (pagina 130-131) lijkt te verwijzen naar het incident met Sgt Bates, hoewel de werkelijkheid anders is dan de bloemrijke lezing van Thomése:

“De op Clark Gable gelijkende Verne had mijn oma ervan weten te overtuigen dat de officiersfeesten keurige bijeenkomsten waren waar Hollandse meisjes door de aanwezige gentlemen werden gerespecteerd alsof ze hun eigen zusters waren terwijl de soldaten er als gevolg van hun lage rang een alcoholisch-erotische zwijnenbende van maakten. Het kwam voor dat dergelijke lichtzinnige en onervaren jongens pas tijdens de bevrijdingsfeesten hun eerste schot losten, met alle gevolgen van dien. Hijzelf had althans een keer zo’n pas gearriveerde feestsoldaat op het formulier moeten noteren als Killed in Action, terwijl de enige strijd die zo’n jongen had geleverd was om tijdens het zuipen op zijn eigen benen te blijven staan. Het zwaarst viel Verne de verantwoordelijkheid de ouders in het onwetende thuisland te moeten berichten op welk een lullige wijze hun zoon zijn eigen leven had verspeeld en het hunne had verwoest.”

Sgt Thomas Edward Bates werd op 30 mei in Hilversum begraven. Later werd zijn stoffelijk overschot herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Daar ligt hij in plot IX rij F graf 3.

Bronnen: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25399;

7th Anti Tank Regiment – War diary, RG24-C-3, Volume number: 14571, Microfilm reel number: T-16720–T-16723, File number: 506

P.F. Thomése, Vaderliefde; Prometheus Amsterdam (2019)

© 2021 Jan Braakman

Een fatale val bij de Maagdenbrug in Groningen

Door Jan Braakman

James Austin (kortweg Jim) Fraser van de Royal Canadian Electrical and Mechanical Engineershad een leuke avond gehad, toen hij in de nacht van zondag 20 op maandag 21 mei 1945 langs de gracht in Groningen wandelde. Het was geen nacht om romantisch door de Groningse straten te slenteren – het was koud, nat en donker.

Jim Fraser in beter tijden. Foto: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Die nacht kwam er een abrupt eind aan de militaire carrière van Craftsman Jim Fraser die op 21 september 1941 was begonnen.

Fraser was de oudste van twaalf kinderen. Hij had vier zussen en zeven broers. Hij was een bedeesde kantoorbediende, meldt een van de aantekeningen in zijn persoonlijke dossier. Hij had een opleiding gevolgd en daarbij geleerd steno te schrijven en te typen.

HIj volgde zijn militaire opleiding in Canada, werd in 1942 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk en landde in 1943 met Canadese troepen in Italië. Hij zou van november 1943 tot februari 1945 in Italië blijven. Daarna werd hij verscheept naar Frankrijk. Via België kwam hij in Nederland terecht en in mei 1945 verbleef hij in Groningen.

De Duitsers hadden inmiddels gecapituleerd en Canadese troepen sloegen hun kampen op in Nederland. Het leger stond niet meer in de vechtstand en dat betekende dat op heel veel plekken de knop om moest. Soldaten werden bezig gehouden met onderhoudswerkzaamheden. In de weekeinden werden feesten georganiseerd en de soldaten knoopten banden aan met de lokale bevolking.

Fraser had eerder die avond samen met zijn maat J.H. Kennedy en een paar Groningse burgers een bescheiden feestje gevierd.

De avond begon aan de Van Speykstraat in Groningen. Daar troffen beide soldaten het echtpaar Walstra-Sauer en twee vrouwen aan, met wie ze iets later op de avond naar de zus van een van de vrouwen gingen. “We aten wat en dronken twee of drie glazen wijn”, herinnerde Kennedy zich later.

Aan het eind van de avond ging het gezelschap lopend terug. Onderweg raakte Kennedy zijn maat kwijt, die samen liep met een van de vrouwen. Hij bleef nog een tijdje wachten in het huis aan de Van Speykstraat, maar besloot toen zonder Fraser terug te keren naar de eenheid , waar hij rond middernacht arriveerde.

Op dat moment liep Fraser nog met de 37-jarige Gertrud Walstra-Sauer over de Turfsingel langs de Groningse grachten. De uit Berlijn afkomstige Gertrud was in 1936 getrouwd met de Groninger Cornelis Walstra.

Volgens Gertrud waren zij en Fraser in de gracht gevallen in de buurt van de Maagdenbrug, precies tegenover het woonhuis van de architect Evert van Linge. Gertrud vertelde later dat Fraser nog vijf minuten in het water had gezwommen, voordat hij kopje onder was gegaan. Gertrud riep om hulp.

De hulpkreet uit het water wekte Evert van Linge’s echtgenote. Van Linge rende naar buiten met onder zijn armen een bundel touw dat hij voor noodgevallen altijd bij de hand had. Van Linge zag de vrouw in het water liggen. Hij wierp haar een touw toe met houten drijvers. Maar toen de vrouw het touw greep, schoot het uiteinde uit de handen van Van Linge.

Terwijl Gertrud drijvend op haar rug het hoofd van de bewusteloze Fraser boven water hield, haalde Van Linge een boothaak die hij in de kraag van de man haakte.

Ondertussen waren ook J. Oudman en zijn zus gealarmeerd door het hulpgeroep van de vrouw. Oudman had een ladder bij zich die hij in de gracht tegen de stenen kade plaatste.

Van Linge ging het water in via de ladder en knoopte het touw om de middel van de man. Inmiddels waren nog meer mensen ter plekke gekomen. Met vereende krachten kregen ze de bewusteloze Fraser op het droge.

Meteen kwam de zus van J. Oudman in actie. Zij was als verpleegster werkzaam in het Academisch Ziekenhuis. Zij probeerde met mond-op-mond-beademing en hartmassage de soldaat weer tot leven te wekken. Zij bleef daarmee doorgaan toen Fraser na twintig minuten in de ambulance op weg naar het ziekenhuis was. In het ziekenhuis waren dokters en verplegers nog twee uur met hem bezig, van half twee tot half vier. Fraser had bij aankomst in het ziekenhuis geen hartslag en hij ademde niet. De man kreeg verschillende injecties toegediend – maar tevergeefs. Om kwart over drie ’s nachts werd de man officieel dood verklaard door dokter Wehberg.

De volgende ochtend om een uur of zes meldde Cornelis Walstra zich bij Jim Frasers vriend Kennedy. Walstra – de echtnenoot van de vrouw met wie Fraser in het water was gevallen – vertelde dat Fraser was verdronken. Kennedy verklaarde: “Hij vertelde me dat mijn vriend Jim Fraser in de gracht was gevallen en dat hij naar het ziekenhuis was gegaan om hem te zien. Daar was hem verteld dat de Canadese soldaat dood was. Ik vroeg hem de naam van het ziekenhuis en lichtte de dienstdoende sergeant, Sgt Worrall in.”

Kennedy voegde daar desgevraagd nog aan toe dat Fraser niet dronken was geweest en dat de burgers waarmee ze op pad waren geweest, heel aardig waren. “We kenden ze al een tijdje.”

Kennedy wees er verder op dat Fraser die zondagmiddag nog had verteld dat hij zich niet helemaal lekker voelde en al sinds zijn verblijf in Italië last had van zijn hart.

Bij het onderzoek naar de toedracht van de dood van Fraser viel het oog van de patholoog op een onverklaarbare hoofdwond. De doodsoorzaak was volgens de patholoog een bloeding in de hersenen en een hersenschudding, als gevolg van een klap op het hoofd. Uit de getuigenverhoren werd niet duidelijk hoe de hoofdwond was ontstaan. “Het is mogelijk dat de verwonding is veroorzaakt toen hij in het water viel of toen hij werd gered, maar er is geen bewijs dat die theorie ondersteunt”, concludeerde een onderzoekscommissie

Evert van Linge sprak later nog wel eens over het voorval aan de Turfsingel. Zijn dochter Dodo Duit-Van Linge was zes toen het gebeurde. Dodo weet nog dat er destijds Canadezen ingekwartierd waren in hun huis aan de W.A. Scholtenstraat 1. Ze herinnert zich geen namen, maar weet nog wel dat het een major en een sergeant waren. “Ze zetten de jeep voor het huis en haalden de bougies eruit, zodat niemand ermee kon wegrijden.”

Van de nachtelijke gebeurtenis kreeg zij destijds helemaal niets mee. “Ik kan me herinneren dat mijn vader later zei dat hij de verkeerde had gered. Hij had niet die mof uit het water moeten halen.” ‘Die mof’ was de vrouw van Duitse oorsprong, met wie Fraser in het water was gevallen.

©2021 Jan Braakman

21 mei 1945 – Regen en ongelukken in Noord-Duitsland

Door Jan Braakman

Op 21 mei 1945 was het ’s ochtends nog mooi en helder, maar in de loop van de dag betrok het en kwam de regen met bakken uit de hemel. Het werd een gure regenachtige dag. Geen mooi voorjaarsweer. De temperaturen in Nederland en Noordwest-Duitsland bleven steken net boven de 10 graden. Geen weer om in een jeep een zonnig ritje te maken.

Victor Brunke. Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

Dat was ook niet de bedoeling van Victor Brunke en Harvey McCaffrey. Ze waren beiden op weg in dienst van het Canadese leger. McCaffrey als chauffeur van een ambulance. Brunke reed mee in een jeep om vertaalwerk te doen voor captain E.O Steeves. Steeves was officier in het 73 batallion van het 5th Canadian Field Regiment.

Brunke en Steeves zaten in een voertuig dat werd bestuurd door gunner E.W. Buchanan. Steeves lette erop dat Buchanan niet te hard reed, want het regende pijpenstelen en de weg was glad. Ze reden in de regen van Aurich naar Wittmund in Noord-Duitsland. Steeves zat naast chauffeur Buchanan voorin de jeep en gunner Brunke zat achterin.

De rit werd fataal voor Victor Herman Emil Brunke, die op 3 augustus 1911 was geboren en opgroeide op een boerderij. Brunkes vader was al overleden voordat hij zich in november 1942 meldde voor het leger. Brunke woonde samen met zijn moeder in Ottawa en moest zijn moeder onderhouden. Als kind had hij de school niet veel van binnen gezien, omdat hij zijn vader moest helpen op de boerderij. Zijn ouders waren van Duitse komaf, waardoor hij niet alleen Engels en Frans kon, maar ook Duits. Vandaar dat hij in Duitsland als tolk werd ingezet door officier Steeves.

De jeep met Buchanan, Steeves en Brunke reed met een snelheid van ongeveer 55 kilometer per uur op de Duitse betonweg. Plotseling leek de achterkant van de jeep van de weg af te raken, herinnerden Buchanan en Steeves later. Buchanan probeerde de koers te herstellen door het stuurwiel naar links te draaien. Voordat ze het wisten zwenkte het voertuig de greppel in aan de linkerkant van de weg. De drie mannen werden uit de auto geslingerd. Steeves: “Het eerste wat ik me herinner is dat ik mezelf bijeen raapte en vroeg of iedereen in orde was”. Buchanan was al op de been. Maar Brunke lag voorover in de greppel en bleef roerloos liggen. Steeves hoorde hem kreunen.

Steeves droeg Buchanan op om Brunke uit de greppel te halen en aan de rand van de weg neer te leggen. Met de hulp van enkele toegeschoten Duitse burgers lukte dat. Omdat het hard regende werd Brunke op een geïmproviseerde draagbaar naar een huis in de buurt gebracht. waar hij zo’n 20 minuten later door een ambulance werd opgepikt. Bij aankomst in het hospitaal bleek Brunke overleden, mogelijk aan een gebroken ruggenwervel.

MacCaffrey werd korte tijd daarna bij het ziekenhuis afgeleverd. McCaffrey had eerder die dag nog patiënten bij het veldhospitaal in Wittmund afgeleverd. Hij reed achter Cpl C.W. Rottacker van het 11 Canadian Field Ambulance omdat een aantal officieren moesten worden opgepikt. Rottacker reed in een buitgemaakte Duitse stafauto. McCafrey volgde in zijn jeep.

Victor Brunke – overleden aan verwondingen, meldde een Canadese krant in mei 1945. Bron: veterans.gc.ca

Toen Rottacker op de plek van bestemming was, mistte hij McCafrey. “ Ik keek terug en zag ongeveer anderhalve kilometer turug veel auto’s.” Hij keerde terug en zag bij het oploopje de jeep van McCaffrey aan de linkerkant van de weg tegen een boom staan.

De chauffeur was er niet meer. Omstanders vertelden Rottacker dat de chauffeur door andere Canadezen was meegenomen. Volgens Rottacker was het glad op de weg door de regen. Hij zag aan strepen op de weg dat McCafrey geremd had en dat de auto zijwaarts tegen de boom was gekomen.

In het ziekenhuis bleek dat McCafrey ernstig verwond was. Hij had een gebroken borstbeen, gebroken ribben en een gebroken sleutelbeen. Zijn long was doorboord. Captain J.W. Weinstock stelde om kwart voor vier ’s middags de dood vast.

Harvey Douglas Meral McCaffrey (geboren op 23 september 1921 in Kitchener, Ontario) had een bewogen loopbaan in het leger achter de rug. Hij was ongeschonden de oorlog uitgekomen, uiteindelijk als chauffeur van een ambulance in het 11th Field Ambulance regiment. Maar zijn conduitestaat was niet om over naar huis te schrijven.

Al in 1943 werd McCaffrey beoordeel als “unsuitable for duty in the field.” Hij was ingedeeld geweest bij de genietroepen, maar er was nauwelijks een land met hem te bezeilen. Je kon hem moeilijk iets bijbrengen. Een van zijn meerderen oordeelde “This man is not a satisfactory sapper, he is lazy and incompetent.

De melding van de dood van McCaffrey in een Canadese krant (bron: veterans.gc.ca)

McCaffrey werd een paar keer bestraft omdat hij orders niet opvolgde.

Het aantal keren dat hij zonder verlof afwezig was, laat zich bijna niet tellen. Op 30 juli 1944 – hij verbleef toen nog in Engeland – kneep hij er tussenuit. Hij bleef wekenlang weg en werd als deserteur geregistreerd. Pas op 2 oktober 1944 oktober kwam hij weer te voorschijn. Zijn langdurige afwezigheid leverde hem een forse straf op, 120 dagen detentie en een half jaar inhouding van soldij.

Op 6 maart 1945 werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk dan toch naar het Europese vasteland overgebracht om zijn bijdrage te leveren aan de bevrijding van West-Europa. Hij kwam terecht bij het 11 Field Ambulance Regiment – maar ook op die functie rustte geen zegen.

Harvey McCaffrey en Victor Brunke werden tijdelijk begraven in Aurich in Noord-Duitsland. Later kregen ze een definitieve rustplaats op het Canadees militair ereveld in Holten.

Harvey Douglas Meral McCaffrey ligt in plot VIII, rij D, graf 14; Victor Herman Emil Brunke ligt in plot XII, rij A, graf 4.

©2021 Jan Braakman

Bestel hier je exemplaar van het boek Holtense Canadezen.

Fred Cheverie’s dood is beter geregistreerd dan zijn geboorte

Door Jan Braakman

Frederick Cheverie maakte al vlak na zijn geboorte een valse start. Zijn moeder kwam te overlijden toen hij twee was en zijn vader besloot hem toen naar een weeshuis te brengen. Zijn vader keerde terug naar de Verenigde Staten en hertrouwde daar.

In een krantenbericht werden de omstandigheden van de dood van Cheverie niet vermeld.

Wanneer Frederick Charles Cheverie precies ter wereld kwam is op basis van de archieven niet met zekerheid vast te stellen. Volgens de doopregisters werd hij op 28 september 1906 geboren. In de formulieren die Cheverie zelf indiende bij het leger, geeft hij 26 augustus 1907 als geboortedatum op en bij zijn overlijden meldde zijn weduwe dat hij op 26 augustus 1905 was geboren. Zijn overlijdensdatum is precies bekend: 19 mei 1945 in het Duitse Haselünne. En ook de omstandigheden van zijn dood zijn uitvoerig gedocumenteerd.

Na een paar jaar werd Frederick geadopteerd. Hij groeide op op een boerderij waar aardappelen werden verbouwd en pelsdieren werden gehouden. Hij voelde zich niet op zijn plek in het adoptiegezin. Toen jaren later een rapport over hem werd opgemaakt door het leger werd in zijn dossier vermeld dat hij was genegeerd door de adoptie-familie. Zijn broers (George en Victor) en zuster (Hilda) hadden het beter, vond hij.

Vlak nadat Groot-Brittannië in september 1939 de oorlog had verklaard aan Duitsland, werd de toen werkloze Cheverie gemobiliseerd. Hij meldde zich bij het 14 Field Ambulance Royal Canadian Army Medical Corps. Zijn beroep was geen reden hem bij de geneeskundige troepen in te zetten. Cheverie meldde timmerman als zijn vak. Hij had wel een paar medische afwijkingen. Zijn pink en ringvinger van de rechterhand was hij kwijtgeraakt; zijn tweede en derde teen van beide voeten waren aan elkaar gegroeid. En twee maand nadat hij in dienst kwam moest hij naar het ziekenhuis om zich te laten behandelen aan chronische geslachtsziekte gonorroe. Na 12 dagen kon hij het ziekenhuis verlaten – de druiper was genezen.

Zijn dienst bij de geneeskundige troepen was geen onverdeeld succes. Frederick weigerde orders uit te voeren, beledigde meerderen en was met enige regelmaat dronken. Meestal werd zijn gedrag afgedaan met inhouding van soldij en een detentie, maar na een derde keer kreeg hij 26 dagen detentie opgelegd – met aansluitend ontslag uit het leger. Hij was niet meer nodig – voorlopig althans.

In augustus 1941 meldde Frederick zich opnieuw voor de dienst. Zijn rumoerige verleden was geen reden hem niet aan te nemen. Nu hield hij het blazoen schoon. Niets in zijn dossier wijst op een herhaling van zijn eerdere misdragingen. Cheverie kreeg na twee jaar zijn ‘good conduct badge’. Hij toonde zich een harde werker en niets in hem vertoonde enige instabiliteit, zou een meerdere later over hem opmerken.

Hij volgde een loopbaan zoals veel Canadese soldaten die hadden. Hij werd in januari 1942 vanuit Halifax verscheept naar het Verenigd Koninkrijk. Hij kwam op 9 maart 1942 in het Schotse Glasgow aan.

Ruim een maand nadat geallieerde troepen Frankrijk waren binnen gevallen, was het ook de beurt aan Cheverie om naar het Europese vasteland gegaan. Op 22 juli 1944 ging hij met het 9 Field Squadron (genietroepen) aan land in Frankrijk. Tot begin maart 1945 kwam hij er ongeschonden door. Op 6 april raakte hij echter gewond aan zijn hoofd – niet ernstig, maar wel genoeg om even naar het ziekenhuis te moeten. De vijand was er niet aan te pas gekomen. Cheverie verklaarde hoe hij gewond was geraakt: “Ik was puin aan het ruimen en toen viel een losse baksteen op mijn hoofd.”

Het leek erop dat Cheverie ongeschonden het einde van de oorlog zou halen. En dat was ook zo. Toen de Duitsers op 8 mei 1945 zich totaal overgaven, was Cheverie gezond en wel. Maar op 19 mei 1945 was hij dood – niet door vijandelijk vuur, maar door een kogel uit het wapen van een Canadese militair.

Cheverie’s meerdere, Lieutenant W.D. Ramore, werd ’s ochtends vroeg op de 19e mei door de politie opgeroepen om naar Haselünne in Duitsland te komen, om daar het lichaam van Cheverie te identificeren. Sergeant H.M. Houlette ging met Ramore mee, evenals company sergeant-major R. Allan. Ze troffen in Haselünne het ontzielde lichaam van Cheverie aan, met een dodelijke wond in de borst.

Pas na verloop van tijd werd duidelijk wat er was gebeurd.

Cheverie was de avond ervoor met Sapper W.A. Tetreault op stap gegaan, met een fles sterke drank (Schnapps) bij zich. Tegen half negen was de fles leeg. Cheverie zei dat hij ergens een fles ging halen. Tetreault verklaarde later: “Hij zei dat hij in tien tot 15 minuten terug zou zijn. Hij had geen wapen bij zich en dus vroeg hij mijn wapen te leen – omdat hij niet in de stad opgepakt wilde worden zonder wapen.”

Het pistool was een Duitse Luger. “Ik gaf het wapen mee aan Cheverie en dat was het laatste wat ik van hem heb gezien”, aldus Tetreault, die nog een half uur op zijn maat wachtte, voordat hij terugkeerde naar zijn kamp rond kwart voor elf.

Wat Cheverie in de tussentijd precies deed, wordt uit het opgemaakt proces-verbaal niet duidelijk. Maar zeker is dat hij zich niet tijdig (om kwart voor elf) meldde bij zijn kamp. Na drie uur die nacht, had een Duitse vrouw zich gemeld bij een patrouille van Canadese militaire politie in Haselünne. De vrouw maakte duidelijk dat een soldaat met een wapen bij haar had ingebroken.

Maria Zuchgan en haar man Anton waren ruw gewekt in de vroege ochtend. Tussen drie en vier uur was er een soldaat aan de deur gekomen, die naar binnen wilde. Hij kreeg de deur niet open. Even later kwam hij terug – en nu kon hij de deur met geweld open krijgen. Hij ging de keuken in, waar Maria’s echtgenoot probeerde de soldaat tegen te houden. Hij sommeerde hem weg te gaan, omdat de kinderen sliepen. “Waar zijn de meisjes?”, had de soldaat gevraagd. Zuchgan zei dat er geen meisjes waren, “alleen mijn vrouw en kleine kinderen.”

Zijn vrouw probeerde de politie erbij te roepen en een andere huisgenoot – mevrouw Windhausen – was al ongemerkt via het raam naar buiten gegaan om hulp te zoeken. Ondertussen hield de soldaat Zuchgan onder schot. De kinderen waren wakker geworden en huilden. De soldaat hield het wapen continu gericht op Zuchgan en sommeerde hem ondertussen de kinderen in het ene bed te leggen en met hem in het andere bed te gaan liggen. “Dat was het moment dat de politieman arriveerde en de zaak overnam”, vertelde Zuchgan.

Aanvankelijk leek het als of Lance Corporal J Roberts de soldaat het huis uit kon praten en hem kon begeleiden naar de kazerne. Roberts, die werd geassisteerd door Private J. Whitehead en Private T. Fisher, droeg de soldaat op het pand te verlaten. Hij weigerde aanvankelijk, maar na veel overreding wankelde hij door de deur. Terwijl de militairen het huis verlieten vroeg Roberts de naam en de eenheid van de soldaat. Het antwoord was duidelijk: “I ain’t telling you my fucking unit.” Roberts zei hem dat de soldaat mee moest naar het hoofdkwartier. Na een paar passen leek hij zich alsnog te willen identificeren, maar in plaats daarvan haalde hij een wapen tevoorschijn dat hij richtte op Roberts. Die had nauwelijks tijd om zijn eigen stengun te richten, voor hij schoot. Eén schot viel. De soldaat viel voorover in het zand, het wapen nog bij de hand. Het wapen bleek geladen en klaar om te vuren.

Later vond Roberts in het borstzakje van de soldaat de identiteitspapieren: het ging om Frederick Charles Cheverie, Sapper die was ingedeeld bij de 33 Field Company. Het wapen cat Cheverie had gebruikt bleek de Luger die Tetreault had uitgeleend.

Het gedrag van Cheverie kwam als een verrassing. Ja, vertelde Tetreault, als hij veel dronk was hij luidruchtig en praatte hij veel – net als iedereen. “Cheverie drinkt zoveel hij kan krijgen”, aldus Tetreault. Zijn meerdere Ramore beschouwde Cheverie als een heel goede werker, “en ik had persoonlijk geen reden aan te nemen dat hij geen evenwichtig karakter had.” Sergeant Houlette voegde daaraan toe dat Cheverie’s gedrag heel goed was.

Toch was de militair over de schreef gegaan, met fatale gevolgen. Cheverie werd tijdelijk begraven bij Meppen (Duitsland) voordat hij een definitief militair graf kreeg op het ereveld in Holten. Cheverie ligt in Plot X, rij D, graf 7.

©2021 Jan Braakman

Edgar Blaquieres einde lag op de weg naar Leer

Door Jan Braakman

De Franstalige Edgar Blaquiere uit Minto (Queens County, New Brunswick) ging net als zijn broer Edward al vroeg het leger in. Edgar was nog geen 20, toen hij zich in mei 1940 meldde bij het North Shore Regiment. Hij zou vijf jaar in dienst blijven. De Duitsers hadden al gecapituleerd toen hij op 14 mei 1945 omkwam.

Edgar Blaquiere. Source: veterans.gc.ca

Toen Edgar twaalf was overleed zijn vader – die al lang verlamd was. Zijn moeder worstelde ook met de gezondheid. Zij had keelproblemen en was haar stem kwijt. Moeder Anna Mary Blaquiere woonde samen met een jongere zus (Viola) in Minto. Edgar liet zijn soldij overmaken aan zijn moeder om haar en zijn zus in het levensonderhoud te voorzien.

Edgar had vier zussen (Elva, Doria, Teresa, Viola) en een broer (Edward). Twee zussen (Teresa en Doria) waren getrouwd en woonden elders.

Edgar was gehecht aan zijn moeder. Hij had in zijn linker onderarm het woord ‘mother‘ laten tatoeëren.

Na een jaar dienst in Canada, werd hij op 18 juli 1941 verscheept naar Engeland. Daar werd hij ingelijfd bij de Engineers Reinforcement Unit. Edgar volgde onder meer de opleiding voor chauffeur. Hij werd na de opleiding ingedeeld bij de 1Cdn Drilling Company van de Royal Canadian Engineers.

Hoewel hij niet betrokken was bij gevechten, raakte hij in februari 1943 wel gewond. Een balk viel uit zijn handen toen hij zich verstapte in de modder. Hij raakte aan zijn knie gewond en moest daarvoor naar het ziekenhuis. Desalniettemin kon hij een half jaar later, op 16 augustus 1943, wel naar het Europese vasteland. Hij ging met zijn eenheid naar Italië, waar hij anderhalf jaar zou blijven om de troepen te ondersteunen bij onder andere het bouwen van tijdelijke bruggen.

Half april 1945 werd hij vanuit Italië naar Frankrijk verscheept. Hij kwam via Brussel en Nijmegen in het noorden van het inmiddels bevrijde Nederland terecht. Op 14 mei 1945, een week na de Duitse capitulatie, kreeg hij van zijn commandant een bijzondere opdracht. De vaste despatch rider had verlof en Sgt F. M. Gronert vroeg Edgar Blaquiere om met de motorfiets ‘situation reports’ van verschillende pelotons op te halen en af te leveren bij het hoofdkwartier van de compagnie.

Blaquiere nam de opdracht aan. Onderweg ging het mis. De weg van Papenburg naar Leer, in het noordwesten van Duitsland, was niet overal even goed begaanbaar. Motorrijder Blaquiere moest gaten en bulten ontwijken.

Op een gegeven moment reed hij voor een colonne van het 4e Medium Regiment, een artillerie-eenheid, die ook onderweg was naar Leer. Gunner A. Levesque, bestuurder van het voorste voertuig, zag Blaquiere op zijn motor voor zich uit rijden met een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur. “De motorrijder slingerde naar het midden van de weg om de hobbel te ontwijken”, verklaarde hij. “Het leek alsof hij de macht over de motor verloor.”

Vanuit de tegenovergestelde richting kwam een Pools konvooi aanrijden met Duitse krijgsgevangenen. De chauffeur van het voorste Poolse voertuig zag de motorrijder op zich afkomen en probeerde hem te ontwijken. Hij rukte aan het stuur in de richting van de linkerhelft van de weg, maar hij kon de despatch rider niet ontwijken. De Poolse auto botste tegen de motorrijder en kwam daarna tot stilstand tegen de Canadese vrachtwagen, net als de Poolse vrachtwagen een drie tonner (60 cwt). Blaquiere lag onder het achterwiel van het Poolse voertuig.

De motorrijder werd door een Canadese aalmoezenier begeleid naar het ziekenhuis in Leer. Daar werd zijn dood vastgesteld. Blaquiere werd tijdelijk begraven in Winschoten.

Blaquiere behoorde bij de grote groep van Canadese militairen die de veldtocht hadden overleefd, maar alsnog om het leven kwamen in de nadagen van de oorlog. Op de Canadese begraafplaats in Holten, waar hij zijn laatste rustplaats kreeg (Plot XII, rij G, graf 3), liggen ongeveer 200 militaren die na de officiële Duitse capitulatie het leven lieten bij verkeersongelukken of andere incidenten zoals ongelukken met wapens of zelfmoord, door ziektes of door de gevolgen van opgelopen verwondingen.

Blaquieres moeder leefde nog vijftien jaar. Zij overleed op 13 mei 1960.

©2021 Jan Braakman

Bestel hier je exemplaar van het boek Holtense Canadezen

Boeken over Canadese soldaten, het dorp Laren (Gld) en een moedige verzetsstrijder

Fred Ludwig miste het huwelijk van zijn broer

Door Jan Braakman

De 23e oktober 1945 was voor de 33-jarige Fred Ludwig een bijzondere dag. Zijn 23-jarige broer Edward ging trouwen in Tilburg, met de Nederlandse Gerry Aarts, die een week eerder net 21 was geworden.

Fred Ludwig als jonge militair.

Fred Ludwig was net als zijn broer Edward en zijn andere broers Robert (Bob) en Leonard in dienst bij het Canadese leger. Twee van hen (Bob en Edward) waren ook in Europa gelegerd. Fred Ludwig maakte deel uit van het 7th Reconnaissance Regiment (17th Duke of York’s Royal Canadian Hussars) en was ingekwartierd in een pand aan de Neue Straße in het Noord-Duitse Weener. Hij deelde zijn kamer met corporal W. Horgus met wie hij volgens de laatste een goede verstandhouding had. Ze keken vanuit hun kamer uit over de Neue Straße.

Fred maakte het huwelijk van zijn broer Edward niet mee. Hij werd in de vroege ochtend van 23 oktober 1945 dood gevonden in zijn kamer.

“Ik vond hem een betrouwbare en standvastige officier die geen zorgen had”, zei Horgus. “Hij sprak nooit over zijn privé leven met me of als ik erbij was en ik was altijd op goede voet met hem.”

Twee dagen na zijn dood kreeg Freds moeder officieel bericht van het leger dat haar zoon was overleden. De omstandigheden die tot de dood hadden geleid waren nog onderweg van onderzoek, lieten de autoriteiten weten.

Hoewel de oorzaak van zijn overlijden op 23 oktober 1945 zonneklaar leek (zelfmoord), waren er omstandigheden die een nader onderzoek rechtvaardigden.

Het was Sgt E.K. Cochrane die het onderzoek leidde. Hij hoorde een aantal getuigen, onder wie kamergenoot Horgus en Ludwigs vriendin Helmi Lomp.

Het lichaam van Fred Ludwig was om half zes in de ochtend van de 23e oktober gevonden door kamergenoot. Horgus wilde zijn maat te wekken en zijn scheergerei pakken. “Toen ik de kamer binnenkwam viel me op dat het licht aan was en de radio aanstond. Ik zag dat corporal Ludwig op zijn bed lag met de rug naar het raam. Hij had een schotwond aan zijn linker oog en een grote plas bloed lag op de vloer. Ik zag ook een pistool liggen, onder zijn linker hand.”

Horgus meldde zijn vondst aan sergeant Miller, die op zijn beurt zijn meerdere lieutenant M.M. MacKenzie inlichtte. MacKenzie nam poolshoogte en stelde vast dat het stoffelijk overschot inderdaad het lichaam van Fred Ludwig was. “Ik ken Ludwig sinds 6 juli 1945 en vond hem een kalme evenwichtige officier. Hij praatte nooit met me over zijn privé-leven en voorzover ik weet had hij geen zorgen.”

Fred Ludwig (links) met zijn dienstmaat Innes. De student Donald George Innes sneuvelde op 21 april 1945 in de provincie Groningen.

Trooper P.G. Booth, die in het zelfde pand bivakkeerde, had toen hij net na middernacht thuiskwam niets opvallends gezien of gehoord. Hij had nog even in de kamer van Ludwig en Horgus gekeken. Er was geen licht aan geweest en ook geen radiogeluid. Hij had ook geen schot gehoord in de nacht. Pas toen corporal Horgus ’s ochtend bij hem op de kamer kwam, hoorde hij dat Ludwig zich om het leven had gebracht.

In de loop van het onderzoek bleek dat Ludwig een affaire had met Helmi Lomp, een 39-jarige vrouw uit Estland, die in Weener woonde bij de familie Bentien.

Ludwig was een geregelde gast van de familie Bentien, zo bleek. Daar had Helmi Lomp hem leren kennen in juli 1945. In september, ruim een maand voor zijn dood, had Ludwig de vrouw gevraagd of ze met hem wilde trouwen. Ze sloeg het aanzoek af. Ze kon dat niet doen, vond ze. “Ik ben al getrouwd. Mijn man is kapitein en hij is gevangen genomen door de Russen. Ik heb al vier jaar en vier maand niet meer van hem gehoord.”

Op de avond voordat Ludwig dood werd gevonden, had hij een bezoek gebracht aan Helmi Lomp. Hij was rond middernacht naar huis gegaan. Hij gedroeg zich die avond vreemd en sprak over zijn ring, wat zou betekenen dat hij een spion was, vertelde Lomp. “Hij droeg een heel kleine witte ring. Ik weet niet of het een zilveren ring was”, verklaarde Lomp. “Hij liet me de binnenkant van de ring zien, waar ik figuren en cijfers zag staan. Hij zei dat de tekens die daar stonden, erop wezen dat hij een Canadese spion was.”

Lomp geloofde hem niet en dat liet ze hem ook merken. “Ik zei dat hij een grap maakte. Hij antwoordde dat ik het vandaag niet zou geloven, maar dat ik daar later meer over zou horen.”

“Hij vertelde me ook dat de Russen wisten dat hij een spion was en dat die hem zo snel mogelijk wilden doden. En uiteindelijk zei hij dat hij nog beter zichzelf omzet leven kon brengen.” Lomp zei dat hij er beter niet meer over kon praten en raadde hem aan naar de trouwerij van zijn broer te gaan.

Fred Ludwig’s levenloze lichaam lag met de benen op een houten kistje naast het bed. In het kistje werd later een notitie gevonden die leek op een zelfmoordbriefje. Aan de ene kant stond met potlood geschreven:

I would like to stress the point that no one is to blame for this cowardly act of mine but myself.
I am very very tired of life and I am going for a long long rest to God knows where.
You could put it down to aftermath of war nerves.

Regretfully yours

Fred Ludwig.

Op de andere kant van het briefje stond:

P.S. I haven’t got the courage so I had to take some ‘Dutch courage’.

Het briefje was door Ludwig geschreven, stelde onderzoeker Cochrane vast, nadat hij het schrift had vergeleken met andere documenten die Ludwig zelf had geschreven. In de kist waar het zelfmoordbriefje werd gevonden lag ook de schriftelijke toestemming die Ludwig had gekregen om het huwelijk van zijn broer bij te wonen.

De ring waarover Helmi Lomp het had gehad, werd nooit gevonden. De ‘Dutch courage’, waar Ludwig het over had stond aan weerszijden van het eenpersoonsbed. Twee flessen drank; Duitse gin, volgens onderzoeker Cochrane. Beide waren aangebroken, een praktisch leeg, de andere nog half vol.

De kogel die het hoofd van Ludwig had doorboord, werd teruggevonden in een ander kistje dat aan het hoofdeind van het bed stond. De kogel was door het hoofd, door een gevouwen deken onder het hoofd, door een veer in het bed geschoten om uiteindelijk door het deksel van het kistje terecht te komen op twee overhemden.

In de familie Ludwig ging later het verhaal dat de broers Edward en Fred elkaar hadden ontmoet in een gebouw met twee liften. De ene broer nam de lift omhoog, de andere de lift naar beneden – en zo ontmoetten ze elkaar halverwege. Ze aten samen. Bij een van de ontmoetingen zou Fred een ontboezeming hebben gedaan aan zijn broer – dat hij constant last had van herbelevingen van de vreselijke ervaringen die hij had opgedaan, dat hij niet kon slapen. “Toen mijn vader hoorde wat er was gebeurd, was hij niet verrast”, vertelde een nichtje van Fred jaren later. Hoe Fred precies aan zijn einde was gekomen, was in de familie een taboe geweest. Zij wist zich te herinneren dat over haar oom Fred werd verteld dat hij spion was geweest en dat hij martelingen had ondergaan.

Het militair dossier van Fred geeft daarvoor geen enkele aanwijzing. Niet dat hij spion was, en ook niet dat hij in (krijgt-)gevangenschap is geweest, of zelfs maar in een ziekenhuis is opgenomen.

Het spionageverhaal werd bij het onderzoek naar de dood van Fred Ludwig niet verder uitgespit.

Dat Fred Ludwig zei dat hij spion was is opmerkelijk, omdat er in de loop van de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten een Duitse spion is opgepakt, die bijna de zelfde naam had als Fred Ludwig, namelijk Kurt Frederick Ludwig.

Kurt Frederick Ludwig maakte deel uit van een groep Duitse spionnen die vanuit de VS informatie doorspeelden over troepenverplaatsingen of het verschepen van troepen vanuit de havens naar Europa. De naam van Kurt Frederick Ludwig is terug te vinden op de website van de Federal Bureau of Investigation.

De Canadees Fred Ludwig had geen enkele relatie met de Duitse spion in de VS, maar het kan dat hij de verhalen daarover wel kende en dat zijn fantasie daarmee aan de haal is gegaan. Daarbij komt dat zijn broer Bob als inlichtingenofficier werkzaam was in het Canadese leger.

Ludwig had er een lange staat van dienst opzitten. Hij had zich al als achttienjarige in 1931 gemeld bij het leger. Hij was erbij toen Canadese troepen op D-Day (6 juni 1944) op Juno Beach onder zwaar vijandelijk vuur voet aan Franse wal zetten. Hij maakte de opmars door België en Nederland mee, tot in Noord-Duitsland. Zijn broer Edward maakte zich ernstige zorg over de nalatenschap en of zijn moeder wel in aanmerking zou komen voor een uitkering, nu Fred zelfmoord had gepleegd. Die uitkering kreeg ze wel.

Het huwelijk tussen Edward Ludwig en Gerry Aarts hield ruim tien jaar stand. Na hun scheiding hertrouwden beiden met een andere partner.

Fred Ludwig werd nog op de dag van zijn dood (om vier uur ’s middags) begraven op een tijdelijke begraafplaats in Bingum, bij de brug over Eems, vlakbij de havenstad Leer. Hij kreeg zijn definitieve rustplaats op de begraafplaats in Holten Plot XII, rij D, graf 2.

Het graf van Fred Ludwig met een tijdelijk metalen kruis op het ereveld in Holten. Bron” Library and Archives, Canada.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26402

Met medewerking van Ruth Ludwig

©2021 Jan Braakman

Het boek Holtense Canadezen is hier te bestellen

Boeken over Canadese soldaten, het dorp Laren (Gld) en een moedige verzetsstrijder

De online presentatie van het boek Holtense Canadezen (link naar Youtube) was op 24 april 2021 bij de Canadese begraafplaats in Holten.

Je kunt je exemplaar bestellen met het onderstaande formulier.

Inferno van Friesoythe

Een boerenschuur bij Friesoythe met onder de kap de lichamen van Fred Wigle en Cec French. Houtskoolschets van Pte F.T.V Savard. Bron: Robert Fraser – Black Yesterdays; The Argylls’ War.

Door Jan Braakman

Friesoythe lag strategisch op de weg naar de havens in het noorden van Duitsland. De opmars van de 4th Canadian Armoured Division werd bemoeilijkt door de terreinomstandigheden, die de grootschalige inzet van tanks op de slappe bodem niet toestonden. De opmars moest via de hoofdwegen plaatshebben. De Canadezen hadden het Dortmund-Emskanal bij Meppen overgestoken, net ten oosten van Coevorden langs de Nederlandse grens.

Het Küstenkanal, de scheepsverbinding tussen de stad Oldenburg en het Dortmund-Emskanal in Noordoost-Duitsland, vormde een andere belemmering voor de geallieerde troepen in hun opmars naar het noorden. De weg naar een belangrijke brug over het kanaal liep via Friesoythe. Het Lake Superior (Motor) Regiment had al geprobeerd om via de hoofdweg Friesoythe binnen te tikken. Maar de Duitse weerstand was zo groot geweest, dat de Lake Superiors zich hadden terug getrokken. Er moest een nieuw plan worden getrokken.

Major General Chris Vokes liet zich door brigadier Robert Model overtuigen dat de slimste manier om Friesoythe te veroveren niet was via een frontale aanval, maar door een sluipende omsingeling.

Om zes uur in de avond werd het plan voor de verovering van Friesoythe aan de manschappen van de Argyll & Sutherland Highlanders ontvouwd.

Het plan was als volgt: Het Lake Superior (Motor) Regiment moest de aandacht van de Duitse troepen trekken met een schijnaanval via de hoofdweg. Tegelijkertijd maakten de Argyll & Sutherland Highlanders een omtrekkende beweging aan de oostzijde van Friesoythe, om de Duitse verdediging in de flank te treffen. Lieutenant-Colonel Fred Wigle vond het een gewaagd maar kansrijk plan en hij besloot in de dekking van het nachtelijk duister op te trekken door een ruw veenlandschap. Bij het ochtendgloren zouden de Argylls Friesoythe bestormen en innemen.

Verkenners markeerden de te volgen route met witte lintjes. De linten konden de Canadese plannen verraden, mocht een Duitse patrouille ze opmerken. Maar Wigle zat daar niet over in. Hij hechtte meer belang aan een goede radioverbinding. Hij maakte geen gebruik van de normale draagbare draadloze radioinstallaties, maar hij had een radio uit een voertuig laten halen en op een draagbaar gemonteerd. De baar moest door twee man worden gedragen.

Vlak voordat de troepen naar het startpunt ten oosten van Friesoythe werden gebracht, schreef Wigle ook nog snel een briefje aan zijn ouders. “Dit kan mijn laatste brief zijn. Ik hoop van niet, maar ik begin nu aan een risicovolle zaak en de kans bestaat. Hoe het ook zij, u weet dat ik van u houd – heb ik altijd gedaan en blij ik altijd doen. Moge God u zegenen.”

In de vroege ochtend van 14 april vestigde Wigle zijn tactisch hoofdkwartier in een eenvoudig huis aan de rand van Friesoythe. De actie verliep voorspoedig. Om vijf over half zeven waren drie compagnies (B, C en D) tot in het centrum van Friesoythe doorgedrongen. Het tactisch hoofdkwartier bleef aan de rand van de plaats en raakte enigszins geïsoleerd van de rest van de troepen. Lieutenant Alan Earp herinnerde zich later (in 1984) dat het een heel gewoon huis aan de rand van Friesoythe was, waar ze zich hadden gevestigd. Een huis met een kelder, waarin al een aantal Duitse krijgsgevangenen werden vastgehouden.

De geïsoleerde ligging van het hoofdkwartier zou geen probleem geweest zijn als er niet twee pelotons Duitse eenheden over het hoofd waren gezien. In de ochtendmist dacht Wigle in de verte de soldaten van de Lake Superiors te ontwaren. Hij stuurde een verkenner om contact te leggen. De mannen in het hoofdkwartier volgden de verkenners. Private William Patrick van het Signals Platoon was een van de mannen die de verkenners in de gaten hielden: “Ik keek uit het raam in de richting van de weg die ze liepen. Toen opeens zagen we de handen omhoog gaan. Dan wist je wat gaande was. En toen kwamen de Duitsers onze kant op.”

De twee Duitse pelotons waren onopgemerkt gebleven bij de nachtelijke tocht door Friesoythe. Hoe het vuurgevecht begon is niet duidelijk. Patrick William keek er later in een interview op terug: “Als Wigle niet die verkenners op pad had gestuurd, zouden de Duitsers ons gepasseerd hebben. Ze liepen langs ons en we lieten ze gaan. Ze passeerden ons voertuig – niet dichtbij, maar wij konden hen zien en zij sloegen geen acht op wat er voor hen kon uitzien als een uitgebrand voertuig. (…) Iemand in het huis opende het vuur en toen begonnen ze te rennen en beantwoorden ze het vuur.”

De Duitsers waren niet van plan zich zonder slag of stoot over te geven en zetten de aanval in op het hoofdkwartier. Ze gooiden een granaat in de bovenverdieping. De explosie werd de soldaten Cecil French en John Brown van het Pioneer Platoon fataal.

Bronnen:

  • Robert L. Fraser; Black Yesterdays The Argylls’ War (Hamilton, 1996) [hoofdstukken 13 ‘To Victory’ en 16 ‘The Wounded & the Dead’]
  • Mark Zuehlke; On to Victory; (Vancouver, 2010) [Hoofdstuk 20 A Stern Atonement]
  • Vokes, Chris with Maclean, John P; Vokes – My Story (Ottawa, 1985)
  • Interview met Jack French (ICB/RTV Oost, 2019)

© 2021 Jan Braakman

 

Het Apeldoornse alcoholschandaal

Door Jan Braakman

Wat begon als een lucratief handeltje in Apeldoorn eindigde in een drama: binnen één week vielen er drie doden en drie ernstig zieken, van wie één met blijvende gezondheidsschade.

In een ingezonden brief beklaagde een inwoner van Zwolle zich over het gedrag van dronken Canadese militairen in de stad. Zwolse Courant, 25 augustus 1945 via Delpher.nl

We schrijven eind juli 1945. Nederland leeft nog met de naweeën van vijf jaar bezetting. Aan alles is gebrek, en overal in het land verblijven nog geallieerde soldaten. Soldaten hebben geld en sigaretten. Zij kunnen handelen en dat doen ze ook. Sommigen verkopen hun eigen militaire kledij, ze ruilen hun sigaretten voor drank of ze verkopen het geallieerde linnengoed dat niet meer nodig is; anderen gaan met legervoertuigen op plundertocht door het verslagen Duitsland en verkopen de buitgemaakte waar in Nederland.

In de weekeinden zoeken de geallieerden vertier, onder andere in Apeldoorn, waar de Canadese rekruten met bussen vanuit hun legerkampen naartoe gaan om uit te gaan. De Canada Club in Apeldoorn was een populaire gelegenheid voor de jonge soldaten, die zich soms stierlijk verveelden in de legerkampen. In de regimentsdagboeken wordt de leegheid van het bestaan soms poëtisch beschreven, zoals in het dagboek van het 4th Medium Regiment in het Overijsselse Markelo: “There is nothing very exciting about life in Markelo: Except for the fluttering of leaves and the singing of lonely birds, everything seems to float in a dead silence. At least, we have a Dental Officer attached to us.”

Als het ritselen van de bladeren en de zang van eenzame vogels tot de hoogtepunten van de dag behoren, gaan de soldaten op zoek naar iets anders. Dat ze in de weekeinden vertier zoeken in grotere plaatsen als Apeldoorn is logisch.

28 juli 1945 was voor de mannen van de Calgary Highlanders een enerverende dag. Om acht uur ’s ochtends vertrokken 44 man van de A- en B-company van hun legerkamp in Vierhouten op de Veluwe voor een trip naar Den Haag. Heel eenvoudig was de reis niet, want ze arriveerden pas vijf uur later in Den Haag. Desalniettemin waardeerden ze de trip en pas laat in de avond kwamen ze weer terug. De mannen waren enthousiast na het bezoek aan ‘this interesting city’. Voor de mannen die niet naar Den Haag gingen was er vervoer geregeld naar Apeldoorn voor een recreatieve dag.

Private William Dale Bates. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25399

Voor twee mannen van het regiment werd het een dodelijke dag. Voor een aantal anderen een dag met een bittere nasmaak.

Het begon vrolijk en onschuldig. Aan het begin van de middag, rond twee uur, arriveerden de soldaten in Apeldoorn. Soldaat V.J. Cape verklaarde later dat hij samen met zijn vriend, soldaat A.E. Kerstein, een biertje wilde drinken. Vlakbij het Apeldoorns station streken ze neer in een café, die ze de Corner Stone noemden. De twee vonden dat het te lang duurde voordat ze bediend werden en ze vertrokken weer, op zoek naar drank. In de Stationsstraat kwamen ze een burger tegen die – toevallig – een fles cognac had. Ze kochten de fles.

Met de fles cognac gewapend gingen Kerstein en Cape op zoek naar ander vertier. Soldaat Bates voegde zich bij het gezelschap, evenals enkele mannen van een ander regiment, het Régiment de Maisonneuve. De mannen belandden in de Canada Club in Apeldoorn waar ze veel plezier hadden. Tegen half elf stond de bus klaar om de mannen terug te brengen naar hun kampement in Vierhouten. Kerstein, Bates en Cape maakten de fles cognac soldaat in de bus.

Kerstein was danig in de olie, en de volgende dag ook behoorlijk ziek. Hij wist zich later niet heel veel te herinneren van het verloop van de dag. Wat hij nog wel kon vertellen was dat soldaat Bates helemaal niet zoveel gedronken had van de cognac.

Kaart uit dossier van Joseph Gaston Comeau met vermelding van zijn doodsoorzaak (alcohol poisoning). Bron Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25622

Bates was de volgende dag echter bijna van de wereld, zo ziek. Hij bleef de hele dag in zijn tent. En toen soldaat McKay poolshoogte nam, schrok hij. “Bates lag in bed. Hij kreunde en had zijn ogen wijd open.” McKay sloeg alarm. Een kwartiertje later kwam de hospik, die soldaat Bates meteen liet afvoeren voor medische behandeling. Het mocht niet baten. Bates overleed korte tijd daarna.

Patholoog major E.C. Fielden onderzocht het lichaam van Bates. Hij constateerde dat de dode een man was, aan wie op het eerste gezicht niets mankeerde. Zijn organen waren ongeschonden, hij was niet gewond. Fielden kwam tot de conclusie dat Bates waarschijnlijk was overleden aan een vergiftiging. De Royal Canadian Mounted Police werd ingeschakeld om laboratoriumonderzoek te doen op bloed- en urinemonsters en op de maaginhoud. Uit dat onderzoek bleek de doodsoorzaak: vergiftiging door methyl-alcohol.

Willem Vloon sr (links), zijn zoon Daan (midden) en zoon Willem (rechts) voor hun café aan de Hoofdstraat in Apeldoorn. Bron: Fotoarchiefapeldoorn.nl

Ondertussen bleek dat niet alleen Bates ziek was geworden van de drank. Ook Soldaat Comeau bleek te zijn overleden, terwijl soldaat Cape, soldaat Kerstein en soldaat M. Beaudoin in het ziekenhuis behandeld moesten worden. Voor Beaudoin betekende de vergiftiging dat hij waarschijnlijk zijn leven lang blind zou blijven, constateerden de dokters.

Het politieonderzoek leidde naar de 22-jarige Apeldoorner Willem Vloon, zoon van de gelijknamige eigenaar van een distilleerderij, gevestigd aan de Brinklaan in Apeldoorn. Op 9 augustus werden vader en zoon Vloon gearresteerd door de Canadese militaire politie, die daarbij de hulp kreeg van de Apeldoornse gemeentepolitie.

Vloon jr vertelde de Canadese politie dat een oom (Mijnhout) met een bekende (Hilhorst) op donderdag 25 juli 1945 aan de zaak van zijn vader was gekomen met een proeffles alcohol. Hilhorst wilde de alcohol zwart verkopen. Vader en zoon Vloon testten de alcohol en constateerden dat het 96% puur alcohol was. Terwijl vader en zoon al begonnen cognac te maken met de alcohol, vertrokken Mijnhout en Hilhorst om een jerrycan met de rest van de alcohol op te halen.

De jonge Vloon verklaarde uitvoering over het verdere verloop van de gebeurtenissen. Oom Mijnhout en Hilhorst kwamen terug met een door de Duitsers achtergelaten brandstofcontainer, die was gevuld met alcohol. De vier mannen proefden ondertussen van de gin en cognac die vader en zoon Vloon hadden gemaakt. Vader Vloon vond het niet lekker. Volgens hem was de alcohol onhelder. Hij merkte een aparte geur op, die door Mijnhout werd verklaard. De geur kwam doordat de alcohol was vervoerd in een oude brandstofcontainer van het Duitse leger.

De container werd geleegd in vijftien literflessen. In totaal ging het om 14,5 liter. Vader en zoon Vloon begonnen meteen met de productie van cognac. Met één liter alcohol konden ze drie liter cognac maken. De alcohol werd aangelengd met water, en op smaak en kleur gebracht met siroop, een kleurstof en een smaakstof. Ze vulden er vier driekwart-liter flessen mee, die ze netjes afsloten – één met een oude dop waarop het merk De Erven Lucas Bols stond. Drie flessen werden voorzien van een blauw cognac-etiket.

Pas laat in de avond werd de transactie bezegeld. Uiteindelijk kocht Vloon 8 liter pure alcohol voor de prijs van f350 per liter. In totaal de lieve som van 2800 gulden – omgerekend in Euro’s van 2018 meer dan € 16.000. Vader Vloon ging er meteen mee aan het werk. Hij produceerde zeven flessen cognac en een fles gin.

Vloon verklaarde later aan de recherche: “Die avond, om 19:00 uur, ontmoette ik twee Canadese soldaten op de Markt in Apeldoorn. Ik vroeg ze of ze sigaretten te koop hadden. Zij antwoordden dat ze alleen wilden ruilen voor cognac. Ik nam ze mee naar huis en liet ze een van de flessen cognac zien. Ik liet ze de cognac proeven en zij zeiden dat de cognac goed was, en dus ruilde ik de cognac tegen 250 gram pijptabak, 60 sigaretten en een kleine zak shag. De soldaten dronken nog een fles bier en vertrokken daarna met de fles cognac.”

Daar bleef het niet bij. De twee Canadezen kwamen terug met een derde soldaat, die ook wel geïnteresseerd was in een fles cognac. Hij kreeg een fles voor drie repen chocola, een war dress overhemd die de soldaat ter plekke uittrok, en f 25.

Later op de avond ruilde hij nog een fles voor 300 sigaretten met een Canadese soldaat. Vloons vader ruilde twee kleinere (bier-)flessen met cognac voor twee vloerkleden en een drie rollen bruine linoleum. De koper was de Apeldoorner Hubert Thomas, die verderop aan de Stationsstraat woonde.

De laatste cognacfles werd geruild voor 200 sigaretten. Een besnorde Canadese soldaat was de koper. Dat gebeurde op zaterdagmiddag 28 juli rond 17:00 uur, aldus de jonge Vloon.

Overlijdensbericht van Hubert Thomas. Bron: De Tijd, 2 augustus 1945 via Delpher.nl

Een Canadese soldaat die had aangekondigd op maandag terug te keren voor nóg een fles, zag Vloon niet weer. En op dinsdag 31 juli hoorde hij dat Hubert Thomas was overleden, waarschijnlijk als gevolg van vergiftigde drank. Toen sloeg de schrik hem om het hart. “Mijn vader en ik begrepen het niet. Maar nadat we het erover hadden gehad, besloot ik de 6,5 liter alcohol die we nog in bezit hadden, weg te gooien in de afvoer achter mijn huis.”

Diezelfde avond werd Vloon junior gearresteerd door de Canadese militaire politie, op verdenking van betrokkenheid bij de dood van twee Canadese soldaten. De militaire politie nam 500 sigaretten in beslag die bij een huiszoeking werden gevonden.

Vader Vloon werd ook gearresteerd. De 64-jarige bier- en wijnverkoper vulde aan dat het eerste contact was gelegd via een bekende van hem, caféhouder Muck Mulder. Die had Hilhorst bij hem geïntroduceerd. Hilhorst kwam uit het Limburgse Lutterade, niet ver van Geleen.

De 59-jarige Nicolaas Hilhorst was het brein achter de handel. Samen mijn zijn schoonzoon Gerard van den Berg (32) had hij alcohol gekocht van een vriend in Lutterade, zei hij tegen de militaire politie. Die vriend was de militair Hans Bergsma, die dienst deed bij de Gezagstroepen van het Nederlandse leger. Bergsma op zijn beurt vertelde hoe hij aan de alcohol was gekomen. Bergsma had in juni samen met twee maten, Flip Hofstede en David Scheuerman, wacht gelopen bij het Stikstofbindingsbedrijf (SBB) in Lutterade, een bedrijf dat hoorde bij de Staatsmijn Maurits. Hofstede en Scheuerman hadden die nacht, zo vertelde Bergsma, 54 liter alcohol gestolen van het SBB. De gestolen waar werd overgegoten in vier ijzeren watervaten van het Amerikaanse leger, waarvan manschappen verbleven bij de Staatsmijn Maurits. Bergsma had samen met een vierde man in het complot, Nicolaas Cramers, de vier watervaten aangereikt. Ze verdeelden de buit met zijn vieren. Bergsma goot de alcohol uit de watercontainer over in een jerrycan van het Duitse leger, die hij in huis had. Die jerrycan droeg hij later over aan Bergsma, voor een bedrag van 1200 tot 1400 gulden. Voor het geld kocht hij twee pistolen, een Browning kaliber 7.25 en een Mauser kaliber 7.25. De rest van het geld besteedde hij aan sigaretten.

Dagblad Trouw maakte op 23 augustus 1945 melding van het alcoholschandaal in Apeldoorn (via Delpher.nl

Geen van de betrokken gaf toe te weten dat de gestolen waar giftige methylalcohol was en dus bij consumptie gevaarlijk was. De Canadese militaire autoriteiten hadden – zeker toen de gevechten nog gaande waren – regelmatig gewaarschuwd voor de consumptie van alcohol uit dubieuze bron. Duitse troepen lieten bij hun aftocht soms opzettelijk flessen alcohol achter, die ze hadden gemengd met de giftige methylalcohol.

Majoor F.H. Clarke, die al sinds de landingen bij Caen (Frankrijk) deel uitmaakte van het regiment Calgary Highlanders, vertelde dat al vanaf het begin het beleid was om soldaten erop te wijzen dat alcohol vergiftigd kon zijn. Al in Caen waren Canadese manschappen omgekomen, door te drinken van vergiftigde spiritualiën. “Toen we in Duitsland waren, is diverse keren gewaarschuwd. Bates maakte in die tijd deel uit van onze troepen”, aldus Clarke.

Commandant Stewart waarschuwt. Bron: Library and Archives Canada, Royal Canadian Infantry Corps – war diaries [textual record] (R112-6740-6-E)

Vlak na het incident in Apeldoorn waarschuwde de commandant D. C. Steward van de Stormont, Dundas and Glengarry Highlanders andermaal, dat soldaten geacht werden geen drank aan te nemen of te kopen van burgers.

Vrije Volk 22 augustus 1945. Bron: Delpher.nl

De soldaten Comeau en Bates werden begraven op de Canadese begraafplaats in Groesbeek. Joseph Gaston Comeau ligt in Plot V, rij C, graf 15. William Dale Bates ligt in plot III, rij E, graf 13.

Gerelateerd:
Zes mannen bleven in de roes van de bevrijding
Jimmy Thomas:  van Monte Cassino naar Holten
Joe Brydon kon niet lang van de bevrijding genieten

Steve Motkaluk raakte de weg kwijt

© 2020 Jan Braakman

War diaries Canadian Regiments

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is Schermafbeelding-2017-04-17-om-11.25.47.png
War Diary RCE 4 Field Company; source: Library and Archives Canada

Het Canadese nationaal archief (Library and Archives Canada) heeft een groot aantal war diary’s van Canadese regimenten online gezet. Onderstaand een overzicht van de beschikbare diary’s (selectie gemaakt op 3 januari 2022).

  • Kijk in onderstaande lijst of de dagboeken van het regiment waarnaar je op zoek bent online staat in het Canadese archief. (Library and Archives of Canada)
  • Heb je het regiment gevonden, klik dan op de link naar de regimentsdagboeken
  • Dan tref je de pdfs’s aan van de dagboeken aan die je kunt downloaden.
  • Houd er rekening mee dat de server van Library and Archives erg traag kan zijn.

Als de onderstaande lijst geen resultaat oplevert, is het raadzaam rechtstreeks naar de website van Library and Archives of Canada te gaan.

  • Typ bij “This exact phrase:” (een deel van) de naam van het gezochte regiment in.
  • Je vindt dan de in het archief aanwezige war diary’s die online staan.

Nog geen resultaat?

  • Klik op het kruisje achter “Available online: Yes”
  • Ga naar “Advanced Search”
  • Typ bij “This exact phrase:” (een deel van) de naam van het gezochte regiment in.
  • Je vindt dan de in het archief aanwezige war diary’s die niet online staan.

Vergeet google niet.

  • Vergeet niet: Zoeken op google.com kan ook succes opleveren.
  • Bij voorbeeld door in het zoekveld de naam van het regiment tussen aanhalingstekens te plaatsen (bij voorbeeld: “west nova scotia regiment”) in combinatie met de woorden “war diary” (ook tussen aanhalingstekens). Variëren met zoekopties levert soms andere resultaten op.

Onderstaande links verwijzen naar de website van Library and Archives of Canada (kan erg traag zijn).

  1. 4th Reconnaissance Regiment (4th Princess Louise Dragoon Guards)
  2. Headquarters, 2nd Canadian Infantry Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  3. 28th Armoured Regiment (British Columbia Regiment)
  4. 5th Armoured Regiment (8th Princess Louise’s New Brunswick Hussars)
  5. 12th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  6. B Company, Canadian Women’s Army Corps.
  7. Headquarters, 10th Canadian Infantry Brigade.
  8. No. 37 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  9. G Company, Canadian Women’s Army Corps.
  10. 22nd Armoured Regiment (Canadian Grenadier Guards)
  11. No. 113 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps (includes No. 13 Composite Stores)
  12. Headquarters, London Area, Canadian Women’s Army Corps.
  13. Headquarters, 8th Canadian Infantry Brigade.
  14. The Canadian Scottish Regiment.
  15. Headquarters, 2nd Armoured Brigade.
  16. The Algonquin Regiment.
  17. No. 7 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.  
  18. 7th Reconnaissance Regiment (17th Duke of York’s Royal Canadian Hussars)
  19. 3rd Canadian Infantry Division – General Staff.
  20. E Company, Canadian Women’s Army Corps.
  21. 3rd Canadian Divisional Bridge Platoon, Corps of Royal Canadian Engineers.
  22. The Royal Canadian Regiment.
  23. Headquarters, 1st Canadian Infantry Brigade.
  24. 2nd Light Anti-Aircraft Regiment, Royal Canadian Artillery.
  25. No. 3 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre.
  26. 5th Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  27. 3rd Battalion, Queen’s Own Rifles of Canada, Canadian Army (Active)
  28. No. 1 Canadian Women’s Army Corps (Advanced) Training Centre (McDonald College)
  29. 2nd Light Anti-Aircraft Regiment, Royal Canadian Artillery.
  30. 3rd Canadian Infantry Division – General Staff.
  31. 1st Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  32. 27th Armoured Regiment (Sherbrooke Fusiliers Regiment)
  33. 6th Field Park Squadron, Corps of Royal Canadian Engineers.
  34. Headquarters, 4th Canadian Infantry Brigade.
  35. 2nd Canadian Infantry Division – General Staff.
  36. No. 3 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  37. 27th Armoured Regiment (Sherbrooke Fusiliers Regiment)
  38. Highland Light Infantry of Canada, Canadian Active Service Force.
  39. No. 35 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  40. 6th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  41. 3rd Battalion, 1st Canadian Infantry Regiment (48th Highlanders of Canada), Canadian Army Pacific Force.
  42. The Carleton and York Regiment.
  43. No. 101 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  44. No. 107 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  45. Headquarters, 6th Canadian Infantry Brigade.
  46. Lincoln and Welland Regiment.
  47. No. 102 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  48. 1st Field Regiment, Royal Canadian Horse Artillery.
  49. No. 48 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  50. 4th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  51. No. 41 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  52. 9th Armoured Regiment (British Columbia Dragoons)
  53. Le Régiment de la Chaudière, Canadian Active Service Force.
  54. No. 28 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  55. Headquarters, 4th Infantry Brigade.
  56. No. 21 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  57. 8th Light Anti-Aircraft Regiment, Royal Canadian Artillery.
  58. 2nd Armoured Regiment (Lord Strathcona’s Horse) (Royal Canadian)
  59. Regina Rifles.
  60. 1st Canadian Army – General Staff.
  61. No. 13 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  62. 3rd Battalion, Stormont, Dundas and Glengarry Highlanders (Canadian Army Occupation Force)
  63. North Shore (New Brunswick) Regiment.
  64. Headquarters, 2nd Armoured Brigade.
  65. Headquarters, 9th Canadian Infantry Brigade.
  66. No. 46 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  67. No. 27 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  68. Assistant Director, Surveys, 1st Canadian Corps (formerly Assistant Director, Surveys, 7th Canadian Corps) 
  69. K Company, Canadian Women’s Army Corps.
  70. Headquarters, 2nd Canadian Infantry Brigade.
  71. No. 15 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps. 
  72. 4th Canadian Field Artillery Battalion (Canadian Army Pacific Force)
  73. No. 102 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps. 
  74. The Canadian Scottish Regiment.
  75. No. 110 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  76. Headquarters, 8th Canadian Infantry Brigade.
  77. 2/13th Field Regiment (Canadian Army Occupation Force)
  78. 1st Canadian Army – General Staff.
  79. N Company, Canadian Women’s Army Corps.
  80. 7th Reconnaissance Regiment (17th Duke of York’s Royal Canadian Hussars)
  81. 1st Canadian Corps – General Staff.
  82. 1st Armoured Car Regiment (Royal Canadian Dragoons)
  83. Headquarters, 8th Canadian Infantry Brigade.
  84. Royal 22e Régiment.
  85. No. 22 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  86. No. 5 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  87. No. 2/18 Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers.
  88. No. 17 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  89. No. 18 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps. 
  90. The Essex Scottish Regiment.
  91. 2nd/1st Armoured Car Regiment (Royal Canadian Dragoons)
  92. 1st Canadian Corps – General Staff.
  93. No. 34 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  94. No. 45 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  95. Headquarters, 5th Armoured Brigade.
  96. 5th Light Anti-Aircraft Regiment, Royal Canadian Artillery.
  97. 10th Armoured Regiment (Fort Garry Horse)
  98. No. 107 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  99. No. 32 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  100. 1st Battalion, Royal Hamilton Light Infantry.
  101. Headquarters, 4th Canadian Infantry Brigade.
  102. Lake Superior Regiment, Canadian Active Service Force.
  103. No. 1 Group Headquarters, Canadian Women’s Army Corps.
  104. The Seaforth Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  105. 3rd Canadian Infantry Division – General Staff.
  106. No. 32 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  107. 2nd Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  108. 22nd Armoured Regiment (Canadian Grenadier Guards)
  109. 1st Canadian Parachute Battalion [textual record, cartographic material].
  110. A3 Royal Canadian Artillery Training Centre, Shilo.
  111. No. 48 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  112. A3 Royal Canadian Artillery Training Centre, Shilo.
  113. The Saskatoon Light Infantry.
  114. Headquarters, 5th Canadian Infantry Brigade.
  115. 8th Reconnaissance Regiment (14th Canadian Hussars)
  116. No. 17 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps
  117. North Shore (New Brunswick) Regiment.
  118. No. 17 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  119. No. 14 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  120. No. 30 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  121. 1st Canadian Army – General Staff.
  122. Headquarters, 4th Armoured Brigade.
  123. A3 Royal Canadian Artillery Training Centre, Shilo.
  124. 27th Armoured Regiment (Sherbrooke Fusiliers Regiment)
  125. No. 30 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  126. 14th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  127. No. 1 Canadian Women’s Army Corps Pipe Band.
  128. 22nd Canadian Tank Battalion (Canadian Grenadier Guards)
  129. No. 52 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  130. Headquarters, 2nd Canadian Infantry Brigade.
  131. Headquarters, 6th Canadian Infantry Brigade.
  132. 2nd Canadian Parachute Battalion (Royal Canadian Air Force) (within 1st Special Service Force)
  133. 12th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  134. Headquarters, 1st Canadian Infantry Brigade.
  135. 1st Canadian Army – General Staff Duties.
  136. No. 31 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  137. 2nd Battalion, The Royal Canadian Regiment.
  138. No. 113 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps (includes No. 13 Composite Stores)
  139. No. 11 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  140. The Royal Canadian Regiment.
  141. No. 3 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre.
  142. 1st Canadian Infantry Division – General Staff.
  143. Headquarters, 2nd/8th Canadian Infantry Brigade.
  144. 8th Reconnaissance Regiment (14th Canadian Hussars)
  145. No. 3 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  146. 2nd Canadian Infantry Division – General Staff.
  147. No. 39 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  148. No. 51 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  149. Headquarters, 3rd Canadian Infantry Brigade.
  150. No. 6 Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers (formerly No. 6 Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers details, Serial # 409)
  151. Honours and Awards – 3rd Canadian Infantry Divisional Signals.
  152. Headquarters, 4th Canadian Infantry Brigade.
  153. No. 23 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  154. 1st Canadian Army – General Staff.
  155. The Algonquin Regiment.
  156. M Company, Canadian Women’s Army Corps.
  157. 2nd Canadian Parachute Battalion (Royal Canadian Air Force) (within 1st Special Service Force)
  158. 10th Armoured Regiment (Fort Garry Horse)
  159. Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun)
  160. No. 105 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  161. No. 105 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  162. No. 1 Canadian Women’s Army Corps (Advanced) Training Centre (McDonald College)
  163. Les Fusiliers Mont-Royal.
  164. 2nd Canadian Corps – General Staff.
  165. No. 104 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  166. No. 9 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  167. The Toronto Scottish Regiment (Machine Gun), Canadian Active Service Force.
  168. 2/4th Light Anti-Aircraft Regiment, Royal Canadian Artillery.
  169. The Calgary Highlanders [Files for 1944/01-1944/06, See Vol. 17,514].
  170. Headquarters, 7th Canadian Infantry Brigade.
  171. No. 16 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  172. 6th Armoured Regiment (1st Hussars)
  173. Letters of Condolence – All Ranks – 3rd Canadian Infantry Divisional Signals.
  174. 5th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  175. No. 1 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps (formerly No. 1 Company, Canadian Women’s Army Corps)
  176. 1st Canadian Army – General Staff.
  177. No. 15 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  178. 1st Armoured Car Regiment (Royal Canadian Dragoons)
  179. Headquarters, 4th Armoured Brigade.
  180. 4th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  181. Headquarters, 1st Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  182. 6th Field Park Squadron, Corps of Royal Canadian Engineers.
  183. The South Saskatchewan Regiment.
  184. Perth Regiment.
  185. No. 42 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  186. The Argyll and Sutherland Highlanders of Canada (Princess Louise’s)
  187. F Company, Canadian Women’s Army Corps.
  188. No. 18 Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers.
  189. 14th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  190. No. 8 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  191. Headquarters, 3rd Canadian Infantry Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  192. Headquarters, 8th Canadian Infantry Brigade.
  193. Headquarters, 7th Canadian Infantry Brigade.
  194. No. 103 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  195. Headquarters, 4th Armoured Brigade.
  196. Lincoln and Welland Regiment.
  197. No. 35 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  198. 5th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  199. 13th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  200. 1st Canadian Army – General Staff.
  201. 4th Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers
  202. No. 49 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  203. No. 14 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  204. No. 3 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre, Kitchener.
  205. Headquarters, 5th Canadian Infantry Brigade.
  206. No. 112 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  207. 23rd Field Regiment (Self-Propelled), Royal Canadian Artillery.
  208. No. 4 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  209. Headquarters, 6th Canadian Infantry Brigade.
  210. 2nd Canadian Corps – General Staff.
  211. 3rd Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  212. Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun)
  213. 5th Armoured Regiment (8th Princess Louise’s New Brunswick Hussars)
  214. Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun)
  215. 1st Canadian Army – General Staff.
  216. No. 10 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  217. No. 3 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps (formerly No. 3 Company, Canadian Women’s Army Corps)
  218. 3rd Canadian Field Artillery Battalion (Canadian Army Pacific Force)
  219. 29th Armoured Reconnaissance Regiment (South Alberta Regiment)
  220. 1st Canadian Corps Defence Company (Lorne Scots)
  221. 1st Battalion, Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada.
  222. No. 106 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  223. 4th Canadian Armoured Division – General Staff.
  224. No. 49 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  225. The Algonquin Regiment.
  226. 1st Canadian Army – General Staff.
  227. No. 11 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  228. No. 18 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  229. No. 1 Canadian Women’s Army Corps Military Band.
  230. No. 41 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  231. S Company, Canadian Women’s Army Corps.
  232. 1st Armoured Car Regiment (Royal Canadian Dragoons)
  233. The Canadian Scottish Regiment.
  234. 3rd Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  235. No. 2 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre, Vermillion.
  236. 1st Canadian Army – General Staff.
  237. 1st Canadian Infantry Division – General Staff.
  238. 15th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  239. Headquarters, 12th Canadian Infantry Brigade.
  240. No. 1 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  241. Queen’s Own Rifles of Canada, Canadian Active Service Force.
  242. No. 39 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  243. No. 34 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  244. 3rd Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  245. 19th Army Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  246. 8th Field Regiment (Self-Propelled), Royal Canadian Artillery.
  247. 1st Canadian Army – General Staff.
  248. Headquarters, 8th Canadian Infantry Brigade.
  249. Headquarters, 4th Canadian Infantry Brigade.
  250. No. 21 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  251. Regina Rifles.
  252. No. 29 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  253. 1st Canadian Divisional Bridge Platoon, Corps of Royal Canadian Engineers (1st Canadian Infantry Division)
  254. 2/12th Field Regiment, Royal Canadian Artillery (Canadian Army Occupation Force)
  255. 2nd Canadian Corps – General Staff.
  256. Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  257. 1st Armoured Car Regiment (Royal Canadian Dragoons)d Canadian Infantry Division Reinforcement Unit.
  258. Irish Regiment of Canada (Machine Gun)
  259. 1st (Lambton) Field Park Company, Corps of Royal Canadian Engineers
  260. Director General, Canadian Women’s Army Corps
  261. 2nd Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  262. 2/3 Field Park Company, Corps of Royal Canadian Engineers.
  263. Director General, Canadian Women’s Army Corps.
  264. No. 40 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  265. 1st Canadian Army – General Staff.
  266. H Company, Canadian Women’s Army Corps.
  267. 2nd Battalion, 2nd Canadian Infantry Regiment, Seaforth Highlanders.
  268. 3rd Battalion, Le Régiment de la Chaudière.
  269. 22nd Armoured Regiment (Canadian Grenadier Guards)
  270. No. 2 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre, Vermilion.
  271. The Westminster Regiment (Motor), Canadian Active Service Force
  272. No. 24 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  273. D Company, Canadian Women’s Army Corps.
  274. No. 104 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  275. No. 3 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre
  276. No. 29 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  277. No. 11 Detachment (Victoria), Canadian Women’s Army Corps.
  278. Directorate, Canadian Women’s Army Corps.
  279. Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun)
  280. No. 1 Canadian Women’s Army Corps (Advanced) Training Centre (McDonald College)
  281. North Nova Scotia Highlanders (Machine Gun)
  282. L Company, Canadian Women’s Army Corps.
  283. 2nd Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  284. No. 1 Canadian Parachute Training Company.
  285. Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  286. The Royal Hamilton Light Infantry, Canadian Active Service Force.
  287. 2/12th Field Regiment (Canadian Army Occupation Force)
  288. I Company, Canadian Women’s Army Corps.
  289. 1st Canadian Parachute Battalion.
  290. 4th Armoured Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  291. Royal Regiment of Canada.
  292. No. 4 Composite Stores (Type A), Canadian Women’s Army Corps: see also War Diary of No. 104 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps, Vol. # 16613, Serial # 2468.
  293. No. 3 Canadian Women’s Army Corps (Basic) Training Centre (renamed No. 1 Canadian Women’s Army Corps Training Centre on May 24, 1945)
  294. 1st Canadian Parachute Battalion (July 1943 missing)
  295. 3rd Battalion, Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun) (Canadian Army Occupation Force)
  296. First Canadian Army Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  297. 17th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  298. No. 10 Composite Stores, Canadian Women’s Army Corps.
  299. No. 110 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  300. Headquarters, 12th Canadian Infantry Brigade.
  301. Princess Patricia’s Canadian Light Infantry.
  302. Highland Light Infantry of Canada, Canadian Active Service Force.
  303. 1st Light Anti-Aircraft Regiment (Lanark and Renfrew Scottish) Royal Canadian Artillery.
  304. 15th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  305. 22nd Armoured Regiment (Canadian Grenadier Guards)
  306. 16th Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers
  307. Loyal Edmonton Regiment, Canadian Active Service Force.
  308. The Calgary Highlanders.
  309. No. 42 Company, Canadian Women’s Army Corps.
  310. 48th Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  311. No. 13 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  312. 2nd Canadian Corps – General Staff
  313. 4th Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  314. 2nd Canadian Corps – General Staff.
  315. 2nd Field Park Company, Corps of Royal Canadian Engineers
  316. The Saskatoon Light Infantry.
  317. No. 103 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  318. Headquarters, 1st Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  319. Royal Regiment of Canada.
  320. 13th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  321. A3 Royal Canadian Artillery Training Centre, Shilo.
  322. 6th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  323. Headquarters, 1st Canadian Infantry Regiment (Canadian Army Pacific Force)
  324. 22nd Armoured Regiment (Canadian Grenadier Guards)
  325. No. 4 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  326. No. 38 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  327. No. 28 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  328. Regina Rifles.
  329. 2nd Platoon, Canadian Women’s Army Corps (C Company)
  330. No. 3 Composite Stores, Canadian Women’s Army Corps.
  331. The Canadian Scottish Regiment.
  332. No. 5 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  333. No. 2 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps (formerly No. 2 Company, Canadian Women’s Army Corps)
  334. No. 2 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  335. No. 33 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  336. No. 12 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  337. No. 18 Field Company, Corps of Royal Canadian Engineers.
  338. No. 6 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  339. The Royal Hamilton Light Infantry, Canadian Active Service Force.
  340. No. 10 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  341. The Stormont, Dundas and Glengarry Highlanders, Canadian Active Service Force.
  342. Headquarters, 11th Canadian Infantry Brigade.
  343. No. 102 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  344. No. 10 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  345. The Seaforth Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  346. No. 12 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  347. 1st Battalion, The Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada.
  348. 1st Battalion, The Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada.
  349. 3rd Field Park Company, Corps of Royal Canadian Engineers
  350. Les Fusiliers Mont-Royal.
  351. 17th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  352. No. 40 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  353. A Company, Canadian Women’s Army Corps.
  354. No. 6 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  355. 5th Anti-Tank Regiment, Royal Canadian Artillery.
  356. A3 Royal Canadian Artillery Training Centre, Shilo.
  357. 12th Field Regiment, Royal Canadian Artillery.
  358. No. 33 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  359. P Company, Canadian Women’s Army Corps.
  360. Cameron Highlanders of Ottawa (Machine Gun)
  361. No. 112 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  362. Headquarters, 3rd Canadian Infantry Divisional Signals, Royal Canadian Corps of Signals.
  363. 1st Field Regiment, Royal Canadian Horse Artillery.
  364. No. 38 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  365. No. 106 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  366. 3rd Battalion, Highland Light Infantry of Canada (Canadian Army Occupation Force)
  367. Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force.
  368. No. 20 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  369. 4th Field Park Squadron, Corps of Royal Canadian Engineers.
  370. No. 16 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  371. No. 11 Canadian Independent Machine Gun Company (Princess Louise Fusiliers)
  372. No. 36 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  373. No. 111 Depot Company, Canadian Women’s Army Corps.
  374. No. 19 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  375. No. 44 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  376. No. 26 Administration Unit, Canadian Women’s Army Corps.
  377. Alice E. Isaacson fonds [textual record, graphic material]

Ticket to Hell: via Dieppe naar Holten

Door Jan Braakman

Paul Dumaine schilderde in gevangenschap een impressie van de slag bij Dieppe. Bron: thememoryproject.com Luister naar het verhaal van Paul Dumaine – overlevende van de Fusiliers Mont Royal.

Dieppe, 19 augustus 1942, 04:50 uur

Bij de dageraad van 19 augustus 1942 ploegden merendeels Canadese jongens door het water van de Noordzee en over het strand voor de Noord-Franse kust bij Dieppe. Zij moesten samen met Britse en Franse commando’s en US Rangers bij verrassing Duitse stellingen onschadelijk maken, de luchthaven bij St Aubin vernietigen, olieopslagplaatsen in vlammen doen opgaan, een radiopeilstation onklaar maken, de haven- en spoor installaties vernietigen, een Duits hoofdkwartier vernietigen, documenten en Duitse schepen buit maken en Duitse militairen krijgsgevangenen nemen. De operatie, die minutieus was voorbereid en bijna tot op de minuut was uitgeschreven, zou hooguit vijftien uur duren. Dat was althans de opzet.

Troepen in Landing Craft Mechanized (LCM) aan het moederschip. Vanaf het moederschip werd de carrier in een landingsvaartuig, LCM,gehesen. Deze LCM’s zetten de voertuigen en tanks af op het landingsstrand. Bron: Canada. Department of National Defence / Library and Archives Canada PA-183767

Het was een groots opgezet plan, waarbij luchtmacht, marine en landmacht samen en gecoördineerd optrokken. Met die drieslag zou de vijand bij verrassing worden overvallen. En voor de Duitsers het goed en wel in de gaten zouden hebben, waren de geallieerde troepen op de terugtocht – voorzien van de buit. Op papier was het een stevig en goed doordacht plan.

De landing bij Dieppe moest deel uit gaan maken van een serie landingen aan de Europese westkust, met het doel Duitse troepen weg te trekken van het Oostfront. De leider van de Sovjet-Unie, Jozef Stalin, had al verschillende keren de nadruk gelegd op het belang van een tweede, westelijk, front. Een succesvolle actie bij Dieppe zou daaraan kunnen bijdragen.

Hoewel de doelen voor de operatie vast stonden, werd de uitwerking ervan overgelaten aan de verschillende legeronderdelen luchtmacht, landmacht en marine. Daardoor werden het feitelijk drie aparte operaties. Het waren drie acteurs in hetzelfde toneelstuk, die geen rekening hielden met wat de ander op het toneel deed. Alleen was dit geen toneelspel. Dit was oorlogvoering.

De luchtmacht concentreerde zich op de confrontatie met de Luftwaffe, de landmacht plande een zorgvuldige aanval op de haven en de marine ondersteunde de aanvalsmacht gedurende de landing en de terugtrekking, maar verleende geen ondersteuning gedurende de operatie aan land. De landingstroepen wilden precies tegelijktijdig op verschillende plekken van boord gaan en de aanval inzetten, de tanks moesten op tijd volgen. Ondertussen moesten twee Duitse kustbatterijen uitgeschakeld worden terwijl toegangswegen vanuit het oosten en westen naar de stad moesten worden zeker gesteld.

Gewonde troepen keren terug in Engeland na de aanval op Dieppe. Bron Library and Archives Canada PA-183773

Het liep anders. Operation Jubilee, zoals de geallieerde slag bij Dieppe heette, werd een groot drama. Er was geen eenhoofdige leiding, de bevelhebbers hadden geen ervaring met het uitvoeren van een amfibische operatie en zij hadden verschillende motieven. De sterkte van de Duitse verdediging werd onderschat. En misschien wel de grootste misser: de locatie Dieppe was niet gelukkig gekozen vanwege de goed verdedigbare en lastig te overwinnen hoge kustwal.

Niet alles liep mis, maar veel wel. Het strakke strijdplan had weinig ruimte voor tegenvallers. En tegenvallers waren er. Commandotroepen stuitten bij toeval op een Duitse patrouille, waardoor de Duitse verdedigingslinies sneller dan verwacht alert werden op vijandelijke activiteiten. Landingstroepen arriveerden te laat, de communicatie verliep problematisch en er was sprake van pijnlijke misverstanden.

Dat neemt niet weg dat de dapperheid en het doorzettingsvermogen van Canadese militairen en de Britse commando’s niet genoeg kan worden benadrukt. De les van Operation Jubilee was dat een toekomstige amfibische operatie in elk geval niet op deze manier moest worden uitgevoerd. Dieppe was een vermijdbare ramp.

De aanvallen op Green Beach en Blue Beach (zie bovenstaande kaart) zouden bij het eerste ochtendgloren plaatshebben, net voor vijf uur. Zij moesten ondersteunend zijn aan de hoofdlanding bij Dieppe zelf, die een half uur later was gepland.

Dieppe, 05:07 uur

De aanval bij Puys werd een compleet fiasco. Het Royal Regiment of Canada arriveerde ruim een kwartier te laat (om 05:07 uur in plaats van 04:50 uur) waardoor ze niet meer onder dekking van het donker konden landen op het strand. De vijand was ondertussen al gealarmeerd. Omdat er geen luchtsteun was bij Puys en evenmin vanaf schepen op de vijandelijke stellingen werd gevuurd, hadden de Duitsers een onbelaagde positie. Niet meer dan 21 leden van het regiment kwamen tegen de wal omhoog. Met hen liep het niet goed af. Ze werden gedood of gevangen genomen. Van het regiment keerden niet meer dan 65 van de 554 soldaten terug naar het Verenigd Koninkrijk; 200 waren gedood, de rest gevangen genomen.

De aanval bij Pourville (Green Beach) liep in eerste instantie beter en de South Saskatchewans wisten op tijd te landen en een bruggenhoofd te slaan. Bij het doorstoten naar hun einddoel liepen zij zich vast echter vast in de zeer geconcentreerde vuur van Duitse machinegeweren, mortieren en artillerie. De Camerons zouden 30 minuten na hen landen om hen te versterken. Zij kwamen echter 30 minuten later en werden verkeerd afgezet aan weerszijden van de rivier Scie. Zij wisten daardoor niet de versterking te leveren die gepland was. Om 09:00 uur werd het bevel gegeven om een anderhalf uur later (10:30 uur) de operatie te staken en zich terug te trekken in de landingsschepen. Dit gebeurde onder hevig vijandelijk vuur en door de dapperheid van de scheepsbemanningen werd uiteindelijk het merendeel van de regimenten teruggetrokken, maar wel met 138 doden, 269 gewonden en achterlating van 256 krijgsgevangenen. 

De hoofdaanval werd uitgevoerd bij Diepe op Red Beach en White Beach.  De Fusiliers Mont-Royal (FMR) waren bedoeld als een reserve-eenheid die achter de hand gehouden zou worden gehouden, als het Essex Scottish Regiment en het Royal Hamilton Light Infantry regiment (vaak kortweg aangeduid als Rileys) ondersteuning nodig hadden. Hun doel was de aanval via de haven van Dieppe uit te voeren. De belangrijkste taak van de Fusiliers Mont Royal zou zijn de terugtocht van de infanteristen en de engineers te dekken.

Twaalf man van de Essex Scots slaagden er – ondanks de zware tegenstand – in door te breken tot in de stad. Zij meldden via de radio dat ze in de huizen waren. General Hamilton Roberts besloot op dat moment de Fusiliers Mont-Royal in te zetten om te helpen door te dringen in de stad. Daarmee veranderde de oorspronkelijke opdracht van de FMR van een landing in de haven naar een landing op het strand achter de ‘Rileys‘. Het regiment kwam terecht in een helse vuurkracht van Duitse kant. De helft van het bataljon werd al op het strand uitgeschakeld. De andere helft voegde zich bij de Essex Scots en de ‘Rileys’.

De landing verliep eigenlijk nog redelijk volgens plan. Infanterietroepen, ondersteund vanuit de lucht en vanaf zee konden het strand met hun landingsvoertuigen bereiken. Daarna moesten de tanks van het 14th Canadian Tank Regiment ondersteuning geven. Door een navigatiefout arriveerden de tanks echter te laat. Terwijl de luchtondersteuning volgens plan was weggevallen evenals het geschut van zee, bleef de tankondersteuning voor de infanteristen uit.

Het 14th Canadian Tank Regiment kwam weliswaar later op het strand bij Dieppe aan dan het draaiboek had aangegeven, maar het lukte 27 van de 30 tanks aan land te komen. In weerwil van de later ontstane mythe dat geen van de tanks van het strand af kwam, slaagden er 15 in de zeewering te bereiken tot op de boulevard. Maar geen van de tanks wist verder in de stad door te dringen – ze stuitten op tankblokkades.

Ondertussen waren de Duitse troepen in hoogste staat van paraatheid. Ze hadden al hun geschut in stelling gebracht. Pogingen van de infanteristen en engineers om de versperringen op het strand te verwijderen en door te breken naar de stad bleven vruchteloos. De vijandelijke verdediging vanuit de bunkers uitte zich in een dodelijke regen van kogels. Zonder de vuurkracht van de tanks waren de Canadese troepen machteloos. De vijand was op alle fronten in het voordeel. Terugtocht was de enige optie – en voor velen was dat zelfs geen mogelijkheid.

Dieppe, 09:30 uur

Om half tien in de ochtend werd duidelijk dat de operatie niet ging slagen. De terugtocht werd geblazen. Dat verliep niet overal even gesmeerd. Veel van de landingsvaartuigen van de Fusiliers Mont Royal waren gezonken. De meesten van de Rileys wisten heelhuids terug te komen tot het strand. Van het 14th Tank Regiment keerde maar één bemanningslid terug. Van de Essex Scots keerden ook maar enkelen terug.

Toen een dag later de balans werd opgemaakt, bleek hoe zwart de dag was geweest. Van de 179 landingsvaartuigen waren er 33 verloren gegaan; een van de acht torpedojagers was tot zinken gebracht; 106 van de 650 ingezette geallieerde vliegtuigen gingen verloren. Van de 4963 landingstroepen die in Engeland waren ingescheept werden 3374 gedood, gewond of gevangen genomen. Van hen werden 1838 geregistreerd als krijgsgevangene.

De hardst getroffen regimenten waren de Royal Hamilton Light Infantry (50% van de troepen verloren), Fusiliers Mont Royal (80%), Essex Scottish Regiment (90%) en de Royal Canadian Engineers (90%). Van het 14th Canadian Tank Regiment kwam bijna niemand terug.

Ronald Bruce was gewond achter gebleven op het slagveld in Dieppe

Private Ronald Bruce (Royal Hamilton Light Infantry) was een van de duizenden jongens die krijgsgevangen was gemaakt. Aanvankelijk werd hij als vermist opgegeven.

Ronald Bruce (geboren op 28 juni 1921) groeide op in Galt (Ontario) in een gezin met negen kinderen. Hij had vier broers en vier zussen. Toen hij zijn 19e verjaardag vierde, tekende hij voor het leger.

Bruce was gewond achter gebleven op het strand of op de boulevard in de Noord-Franse havenstad. Hij werd afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Stalag IX-C in Bad Sulza, tussen Erfurt en Leipzig in Duitsland, ruim 900 kilometer verwijderd van Dieppe. De reis met de gewondentrein van Dieppe naar het krijgsgevangenkamp nam een week in beslag.

Het krijgsgevangenkamp (in het Duits Mannschaftsstammlager für Kriegsgefange, meestal afgekort tot Stalag) in Bad Sulza was op dat moment al overbevolkt en met de komst bijna 2000 krijgsgevangenen uit Dieppe werd dat alleen maar erger. Het kamp omvatte een complex van verschillende Arbeitskommando’s waar gezonde krijgsgevangen werden tewerk gesteld. Dat kon gaan om werk zoals in de land- en tuinbouw of in zout- en kalimijnen.

Eenmaal in Bad Sulza aangekomen begon de schotwond aan Ronald Bruce’ rechterbovenbeen te ontsteken. Op 27 augustus werd hij naar het ziekenhuis (Reserve Lazarett für Kriegsgefangene Obermaßfeld) gebracht, waar hij werd behandeld door een geallieerde arts, major Hadley. Ondanks een operatie door een Britse chirurg op 27 augustus 1942 kwam er geen verbetering in zijn toestand. Hij overleed de volgende dag om 1 uur ’s middags zonder dat hij na de operatie nog bij bewustzijn was geweest.

Hij kreeg een begrafenis met militair eerbetoon (“mit vollen militärischen Ehren“) in Meiningen, met drie saluutschoten van een Duitse erewacht en de Last Post geblazen door een Britse trompettist, zo kreeg de familie via het Zwitserse Rode Kruis te horen.

Later werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar de Britse begraafplaats aan de Heerstrasse in Berlijn. En na de oorlog (op 4 juni 1948) werd hij opnieuw verplaatst – nu naar zijn laatste rustplaats: de Canadese militaire begraafplaats in Holten, plot 4, rij D, graf 1.

Het was de inzet van de Canadese landmacht om de omgekomen soldaten niet op vijandelijk grondgebied te begraven.Daarom werden na de oorlog de stoffelijke resten van Canadese soldaten vanuit verschillende (Britse) militaire begraafplaatsen in Duitsland opgegraven en herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Volgens gegevens van deCommon Wealth Graves Commissionliggen nu nog 4 Canadese landmachtsoldaten begraven in Duitsland.De vier zijn begraven in twee collectieve graven, waarin de stoffelijke overschotten van verschillende militairen gezamenlijk zijn begraven.Drie van hen (Allen G. Hunter, Chester Allen Joyes en James Sinclair) zijn in krijgsgevangenschap omgekomen en waren in Dieppe gevangen genomen. Zij zijn begraven op de Britse militaire begraafplaats in Berlijn (plot 11, rij K, graven 6-8). De vierde (Pte Marcel Gagne) kwam in januari 1945 om bij een patrouille in de buurt van Groesbeek. Hij werd samen met een onbekende soldaat begraven op de Reichtswald Forest British Military Cemetery in Kleef (Duitsland). In Duitsland liggen op verschillende begraafplaatsen 1 Canadese marineman en 3098 leden van de Royal Canadian Airforcebegraven.

Voor Ronalds moeder was het verlies van haar zoon onverteerbaar. Te meer omdat de militaire autoriteiten niet hadden gezien dat Ronald zijn moeder als enig erfgenaam had aangewezen. En ondertussen was zijn nalatenschap verdeeld over zijn ouders en zijn broers en zussen. Moeder Lillian Bruce moest maar zien dat ze haar rechtmatig deel alsnog zou krijgen. Ze was geen geoefend schrijfster, ze schreef niet foutloos, maar ze wist wel duidelijk te maken wat haar dwars zat.

Brief van Lillian Bruce

“It seems to me that there is always something wrong when it concerns my son just the same time they could not find his will they shared his moneyamong his sisters and brothers and what did I get only $13 and a few cents and when they finely fund [sic… finally found] the will they told me to get the money from my family but I never got a copper back and I think that  you men should to straighten things out. I gave my son and what have I got in return?
Nothing. Now I heave [sic… have] to write to you for his medals after he has been dead 6 years and 7 months. Boys that were killed long after my son was they have received their sons’s medals long age. You were not long letting me know that he was killed at Dieppe, something that hurt me more than anything in the world. I lost a wonderful son and a good boy but what do you men care? Nothing after you have all a mother holds dear so please return his medals as that is all I have and a memory of one I loved very much.
His name re Ronald Bruce RHLI Hamilton Ont
John Alfred Carltons linkerbeen moest worden geamputeerd

John Alfred Carlton was ook in Dieppe gewond geraakt. Carlton was op 30 januari 1921 geboren als de derde van vier zoons van Joseph en Sarah Carlton uit Grimsby in Ontario, Canada. Zijn vader had zijn moeder verlaten. Zij woonde nog met haar jongste zoon Norman op de boerderij. Twee andere zoons, James en Joseph, waren ook in het Canadese leger.

Net als Bruce maakte Carlton deel uit van de Royal Hamilton Light Infantry. Hij was in Dieppe getroffen aan zijn linkerbeen. Aanvankelijk werd hij nog als vermist geregistreerd, maar na enige tijd werd duidelijk dat hij krijgsgevangen was gemaakt.

Zijn moeder kreeg nog drie brieven van hem nadat hij in Duits gevangenschap was, waarin hij meldde dat zijn been moest worden geamputeerd. Bovendien werd Carlton nog getroffen door een longontsteking die hem uiteindelijk noodlottig werd. Hij overleed op 23 november 1942, 21 jaar oud.

De Britse medisch officier major G.M. Hadley rapporteerde over Carltons laatste uren en zijn begrafenis op de begraafplaats in Meiningen.

Rapport van major G.M. Hadley

“You will understand, I know, even from this short account that Carltons’s illness was a long and trying one. His family would perhaps be glad to know that throughout it his courage never at any time failed even when he must have realised that his condition was critical. Pain was always controlled and the last hours were peaceful. I feel it would not be out of place to mention the Wardmaster who throughout Carlton’s illness attended to him personally with great skill and untiring devotion. This was Sergt R. Burburough RAMC.
Private Carlton was buried at Meiningen Cemetery, full military honours being accorded by a detachment of German infantry. The gravesite service as conducted by the Rev. D.G. Smith (CF) and wreaths were laid on behalf of the Hospital Staff, the patients and the German Wehrmacht. The coffin was covered with the Union Jack. A guard of honour composed of 6 officers an 21 other ranks was present.”

Carltons stoffelijk overschot werd later overgebracht naar de Britse begraafplaats in Berlijn. In juni 1948 werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten: plot IV, rij D, graf 3.

Carltons broer Joseph sneuvelde op 5 augustus 1944 bij Tilly La Campagne (Frankrijk). Hij werd begraven op de Canadese begraafplaats Bretteville sur la Laize: plot III, rij A, graf 8. Hun moeder overleed een jaar na het einde van de oorlog.

Het Rolex polshorloge van Roy Clausen was verdwenen

Corporal Roy Clausen van de Royal Hamilton Light Infantry was ook een van de gewonde krijgsgevangen genomen Canadese soldaten. Hij was als beroepsmilitair al langer in dienst, sinds 1932. De in 1914 geboren Clausen behoorde tot de veteranen.

Hij viel op vanwege bijzondere spullen die hij altijd bij zich droeg: een Rolex polshorloge, een gouden onyx ring met initialen, een Ronson aansteker en een leren tabakszak + pijp. Toen zijn vrouw Margaret Clausen te horen kreeg dat haar man was overleden in het krijgsgevangenkamp, deed ze navraag naar die spullen. Lt col J.J. Hurley bevestigde dat. Hij zag Clausen zelden zonder deze artikelen. Hij ging ervan uit dat Clausen die spullen bij zich had toen hij Operation Jubilee inging. De spullen stonden echter niet op de inventarislijst van nagelaten eigendommen die de Canadese autoriteiten opmaakten. De inventarislijst bestond waarschijnlijk uit spullen die Clausen had achtergelaten in het Verenigd Koninkrijk.

Margaret kreeg wel te horen dat haar man op 19 augustus gewond was geraakt tijdens de gevechten bij Dieppe. En de verwondingen waren van dien aard dat hij terecht kwam in het krijgsgevangenen-ziekenhuis in Frankenberg/Eder (Kriegsgefanangen Lazaret Haine, Kreis Frankenberg/Eder). Daar overleed hij op 26 augustus 1942, een week na de mislukte operatie bij Dieppe.

Clausen was zwaar gewond geraakt waardoor hij deels verlamd was geraakt. Zijn situatie was eigenlijk hopeloos, rapporteerde de Britse dokter major D.L. Charters.

Major D.L. Charters

“Received every possible treatment, but was too severely wounded to offer a reasonable prospect of survival. Everything possible was done to minimize suffering.”

Op 27 augustus om 2 uur ’s nachts overleed hij. Op 29 augustus werd hij met militaire eer begraven op de Gemeindefriedhof zu Haina. Vandaar werd hij na de oorlog overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats in Limmer/Hannover. De stoffelijke resten werden in 1948 uit Hannover opgehaald en herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten: plot IV, rij F, graf 4. Zijn vrouw en zijn zoontje Carl Roy Clausen bleven achter.

Desautels was niet het schoolvoorbeeld van een gezagsgetrouwe soldaat

Paul Emile Desautels was een oudere rekruut. Geboren op 29 oktober 1914 in het Franstalige Montreal, besloot hij op 26-jarige leeftijd te tekenen voor het leger. Hij werd ingedeeld bij de Fusiliers Mont Royal.

In juni 1940 vertrok Desautels vanuit Halifax naar Europa. Het troepenschip zette hem af in Reykjavik (IJsland). IJsland was onder Brits beheer sinds de Britten het op 10 mei 1940 hadden bezet. De Canadezen vormden een tijdelijke bezettingsmacht namens de Britten tot de Canadese troepen nodig waren om Groot-Brittannië te verdedigen. In oktober werd Desautels ingescheept naar Engeland.

Desautels was niet het schoolvoorbeeld van een gezagsgetrouwe soldaat. Hij trok de bevelen van zijn meerderen verscheidene keren in twijfel, wat hem steevast op een straf kwam te staan. Soms weigerde hij gewoon de orders op te volgen. Ondermijning van het gezag, afwezig zonder verlof, ongeschoren op de parade verschijnen, schelden tegen zijn meerderen – het waren vergrijpen die Desautels elke keer weer op een straf kwamen te staan.

Ondertussen trainde hij om ingezet te worden voor de eerste serieuze poging een landing vanuit zee uit te voeren vanaf Britse grond naar het Europese vasteland. Vol goede moed vertrok hij met zijn maten in de nacht van 17 op 18 augustus richting Frankrijk.

Desautels eenheid, de Fusiliers Mont-Royal, was bedoeld als een eenheid die achter de hand gehouden werd. General Hamilton Roberts besloot de eenheid in te zetten om de Essex Scots te ondersteunen en door te dringen in de stad. Het regiment kwam terecht in een helse vuurkracht van Duitse kant.

Aanvankelijk werd Paul Desautels als vermist opgegeven, maar in november 1942 werd duidelijk dat hij krijgsgevangen was gemaakt. Desautels behoorde tot de grote groep van krijgsgevangenen die nog wel in staat was op eigen benen te staan. Hij werd door de Duitsers afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp.

De krijgsgevangen werden afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Stalag IX-C. In het kamp zaten ook al krijgsgevangen die in Duinkerken waren achter gebleven en mannen die in Griekenland of Kreta gevangen waren genomen. Het kamp had diverse Arbeitskommando’s, subkampen waar krijgsgevangen te werk werden gesteld.

Bij het kamp was een als ziekenhuis ingericht voormalig jeugdherberg. De medische staf bestond uit geallieerde dokters die ook in krijgsgevangenschap waren beland.

Paul Desautels werd door de Duitsers aan het werk gezet bij een kalkoven in een werkkamp bij Bad Bibra. Dat hij ongeschonden uit de strijd bij Dieppe was gekomen, was geen garantie voor een fleurige toekomst. Het werk als krijgsgevangene was niet zonder gevaar, zo bleek.

Het was Desautels’ taak om kalksteen in een oven te storten vanuit de kiepwagen. Hij stond daar alleen. Op 31 mei 1943 merkte een Duitse arbeider dat Desautels niet meer aan het werk was. Hij trof de Canadees bewusteloos aan bij de kiepwagen. Een dokter probeerde hem met kamfer-injecties tot leven te brengen, maar die poging was zonder succes. Paul Desautels overleed ’s avonds om half tien.

De veronderstelling was dat de soldaat de kalkoven had geopend en door koolmonoxidevergiftiging buiten bewustzijn was geraakt. De Duitse autoriteiten maakten een overlijdensverklaring op van het ongeluk en gaven dat door aan het Zwitserse Rode Kruis. Desautels moeder en zijn tien broers en zussen kregen een maand later, op 25 juni 1943 bericht van de ongelukkige dood van Paul Emile Desautels. Ze kregen ook de foto’s die gemaakt waren van de begrafenis. De begrafenis had op 4 juni “auf dem Friedhof in Bad Bibra (Kreis Eckartsberga) mit militärishen Ehren stattgefunden. Die Grabstätte liegt in der fünften Reihe der Parzelle & des Friedhofs und trägt die Nummer 1.”

Later werd Desautels herbegraven op de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Pas na de oorlog kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaatsen Holten: plot 4, rij D, graf 2.

Dwight Welch was een kantoortype, niet gemaakt voor de tank

In een van de tanks van het 14th Canadian Tank Regiment zat Dwight Welch. De 23-jarige kantoorbediende, die vaardig was met de typemachine, die stenografie kende en mogelijk hoopte op een journalistieke carrière, was helemaal niet het type om in een tank te zitten. Bij zijn regiment had hij dan ook een administratieve functie op het bataljonskantoor, zo weet zijn familie.

Welch had twee broers en een nog levende zus. Twee ouder zussen waren overleden. Hij had vaste verkering met verpleegster Dorothy, die hij ook opnam in zijn testament. Zij zou alle brieven krijgen die hij in bezit had.

Toen de voorbereidingen voor de aanval op Dieppe begonnen stond Welch erop dat hij met zijn maten mee zou gaan. Zo niet, dan zou hij overplaatsing aanvragen naar een ander regiment, meldt zijn neef Doug Welch, die dat verhaal uit de familieoverlevering heeft opgetekend.

Eenmaal geland op het strand bij Dieppe fungeerde Welch als runner, een koerier, die rennend berichten overbracht van een naar de commandant van zijn bataljon. Bij de gevechten raakte hij gewond aan zijn linkerdij en zijn linkerknie. Hij bleef in Dieppe achter, net als praktisch zijn gehele regiment. Hij stond te boek als vermist.

Net als veel van zijn gewonde kameraden kwam hij uiteindelijk in de ziekenboeg terecht in het Reserve Lazarett für Kriegsgefangene Obermaßfeld in Thüringen. Daar bezweek hij uiteindelijk aan bloedvergiftiging als gevolg van de verwondingen. Hij overleed op 31 augustus. Zijn stoffelijk overschot werd eerst in Meiningen begraven, later herbegraven in Berlijn. Uiteindelijk kreeg hij zijn laatste rustplaats op het ereveld in Holten. Plot IV, rij D, graf 10.

Als het ongeluk van Charles Thomas Elliot slechter was afgelopen, was hij niet geschikt geweest voor Operation Jubilee

Captain Charles Thomas Elliot van het Essex Scottish Regiment had op 19 juli 1942 geluk dat de aanrijding tussen de truck waarin hij zat en de Churchill tank niet slechter afliep. Hij had een gekneusde rib en een stijve schouder. Maar volgens de dochter zou hij daarvan geen blijvende hinder ondervinden.

Was het ongeluk maar slechter afgelopen. Als hij een arm of een rib had gebroken, was hij ongetwijfeld niet geschikt bevonden om een maand later met het Essex Scottish Regiment ingezet te worden in Operation Jubilee.

Elliot was musicus van beroep. Hij was getrouwd met Kathleen Magladery Elliot en woonden in de plaats waar hij op 13 april 1913 was geboren: Parkhill, Ontario, Canada.

Eind 1940 voer hij uit vanuit Halifax naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 25 december van dat jaar aankwam. Hij had voor 1935 al in het leger gediend en als lieutenant had hij de dienst verlaten. Hij kreeg dezelfde rang, toen hij in 1940 weer terug kwam en in maart 1942 werd hij bevorderd tot acting captain.

Op 18 augustus 1942 voer hij met zijn troepen richting Dieppe. In vier regels in zijn dossier staat beschreven wat er met hem gebeurde: “Embarked in UK for France” staat er bij 18 augustus. Hij keerde niet terug. “Failed to return from France”, vermeldt zijn dossier. Een regel lager staat “missing” met daarachter de datum van 20 augustus 1942 en weer een regel lager is het lot bezegeld: “died of wounds”. De datum van zijn dood werd aanvankelijk op 28 augustus gezet, maar dat werd doorgehaald en gecorrigeerd in 2 september 1942.

Hij overleed in krijgsgevangenschap aan buikvliesontsteking als gevolg van een schotwond. Hij werd tijdelijk begraven in het Duitse Dieburg, waar na de oorlog vooral Sovjet-Russische krijgsgevangenen lagen. Volgens gegevens van de begraafplaats in het Duitse Dieburg was Elliot overleden in het Res. Lazarett Abteilung A Convikt Bbg en was hij gevangen in Stalag IXB. Elliot werd in 1947 overgebracht naar de militaire begraafplaats in Dürnbach en vandaar werd hij in 1948 overgebracht naar de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in Plot IV, rij D, graf 14.

Youell werd met twee gewonde knieën krijgsgevangen gemaakt

Stephen James Youell uit Humber Bay, (Ontario, Canada) was schoenmaker van beroep. Hij had in de jaren dertig al vijfenhalf jaar dienst gedaan bij de Royal Regiment of Canada, toen hij zich op 11 september 1939 opnieuw meldde voor de dienst. Hij was toen getrouwd met Georgie May Youell-Brown

Youell werd opnieuw ingedeeld bij het Royal Regiment of Canada. De taak van zijn regiment was om een flankaanval aan de oostkant van de stad uit te voeren bij Puys, met de codenaam Blue Beach. Aan de westkant van de stad hadden het South Saskatchewan Regiment en de Queen’s Own Cameron Highlanders een soortgelijke taak bij Pourville (Green Beach).

De actie van het Royal Regiment werd een mislukking, ook omdat ze te laat arriveerden waardoor ze niet meer onder dekking van de duisternis de Duitsers konden verrassen.

Youell raakte gewond aan beide knieën. Hij ging met de gewondentrein richting Duitsland. Hij kwam terecht in het ziekenhuis voor krijgsgevangenen in Obermaßfeld Grimmenthal. Het ziekenhuis was een voormalige landbouwschool in het dorp Obermaßfeld/Grimmenthal.

Ondertussen kreeg zijn vrouw Georgie May bericht van de vermissing van haar man. Op 20 september kreeg ze een telegram met het droeve bericht dat haar mans was overleden als gevolg van de verwondingen die hij in Dieppe had opgelopen. Sterfdatum: 5 september 1942. Groot was dan ook de verbazing dat Georgie Youell op 20 oktober 1942 post kreeg van haar man uit het krijgsgevangenkamp Stalag IX C, Arbeits Commando 1249. De kaart was gedateerd 3 september – het poststempel van 5 september, de dag waarop haar man was overleden. Het Canadese Rode Kruis ging nog op onderzoek uit, maar het droeve nieuws werd er niet anders van. James Youell was overleden.

Hij werd tijdelijk begraven in Meiningen vanwaar hij na de oorlog werd overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats Berlijn. In 1948 werd zijn stoffelijk overschot herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten: Plot IV, rij D, graf 11.

Francis Gatacre kreeg zijn zoontje nooit meer te zien

De 30-jarige Francis Constant Gatacre was in een ander ziekenhuis opgenomen: het Reserve Lazaret van het krijgsgevangenenkamp Stadtroda. Hij had een buikwond die hem uiteindelijk noodlottig werd. Hij overleed aan buikvliesontsteking op 17 september 1942. Hij werd met militaire eer begraven. Foto’s van de plechtigheid werden aan zijn vrouw gestuurd.

Gatacre was in januari 1941 getrouwd met Dorothy Jennie, vlak voordat hij met zijn eenheid (Essex Scottish Regiment) richting Europa vertrok. Zijn zoon James Francis werd op 25 oktober 1941 geboren.

Medegevangene Major Leslie Wallace Lauste schreef een brief aan Dorothy, waarin hij vertelde onder welke omstandigheden haar man was overleden. De brief werd onderschept door de Canadese censuur die er een verslag van maakte voor het dossier. Leslie meldde dat Gatacre aan zijn dij gewond was geraakt in Dieppe. Gatacre was met een gewondentrein naar het krijgsgevangenziekenhuis gebracht. Een lange reis die meer dan een week duurde. In het ziekenhuis werd hij door Britse dokters behandeld, maar zij konden Gatacre niet redden. Als gevolg van bloedvergiftiging overleed Gatacre, aldus Lauste. De lezing van Lauste week af van de officiële Duitse melding over de dood van Gatacre.

De teraardebestelling van Francis Gatacre op 17 september 1942. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volumes: 25936

Gatacre werd door chaplain D.G Smith begraven in St. Jacobsfriedhof in Stadtroda volgens de rites van de Church of England in het bijzijn van Britse en Canadese officieren en soldaten. Een Duits vuurpeloton loste een eresaluut met drie salvo’s. Hij werd later herbegraven op de Britse begraafplaats in Berlijn voordat hij zijn laatste en definitieve rustplaats keer op het Canadese ereveld in Holten: plot IV, rij D, graf 5.

Ronald Haines trouwde in Engeland met Beatrice

Ronald Thomas Haines raakte aan zijn hoofd gewond toen hij met zijn regiment, Essex Scottish Regiment, oprukte vanuit de landingsvoertuigen over het strand voor de haven van Dieppe. Ronald was op oudjaarsdag 1919 geboren. Zijn moeder was een paar jaar na zijn geboorte overleden en hij woonde samen met zijn broer en zijn zus bij zijn vader in Windsor (Ontario, Canada).

Toen hij Canada verliet maakte hij een testament op waarin hij zijn vader en een vriendin, (Miss Julienn Gravel) aanwees als erfgenamen. Nadat hij eenmaal de oversteek naar Engeland had gemaakt, kreeg hij kennis aan een vrouw, die in de legerplaats Aldershot woonde: Beatrice Minnie Pither. Hij trouwde met haar op 17 december 1941.

Wat er precies met hem in Dieppe gebeurde is lastig te reconstrueren aan de hand van zijn persoonlijke dossier. Net als dat van andere in Dieppe gewond geraakte krijgsgevangenen vermeldt de service file niet veel meer dan: aan boord gegaan voor vertrek naar Frankrijk, als vermist gerapporteerd, krijgsgevangen gemaakt (met nummer 42948), overleden aan wonden gedurende krijgsgevangenschap.

Net als veel andere gewonde krijgsgevangenen kwam hij op 27 augustus aan in het ziekenhuis van het krijgsgevangenenkamp. Na zijn dood is een rapport opgemaakt waaruit blijkt dat hij nog een operatie heeft ondergaan. Aanvankelijk leek het beter te gaan, maar er ontstond een abces aan de hersenen in combinatie met hersenvliesontsteking. Op 19 september 1942 overleed Ronald Haines, om tien over half vier in de middag.

Rapport over de dood van Haines

“Er litt an einer Gewehrschussverletzung des Kopfes. Eine Operation wurde ausgeführt und einige Metallstücken wurden aus dem Gehirn entfernt. Zuerst war gute Besserung festzustellen, aber dann entwickelte sich ein Gehirnabszeß mit Meningitis; Pat. war einige Tage vor seinem Tode bewusstlos. Das Begräbnis fand mit allen militärischen Ehren auf dem Friedhof in Meiningen statt. Ein deutsches Ehrengeleit wurde gestellt, ein Kranz der deutschen Wehrmacht wurde niedergelegt.”

Net als andere krijgsgevangen werd Haines vanuit Meiningen overgebracht naar de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Daarna werd hij andermaal overgeplaatst, nu naar het ereveld in Holten. Plot IV, rij D, graf 4.

Weduwe Beatrice kreeg de gehele nalatenschap van $529,02; het laatste soldij over de maand september 1942 ($266) kwam haar ook toe en ook een maandelijks weduwenpensioen van $35,00. Vriendin Julienn en Haines’ vader deelden niet mee. De treurende weduwe vond later een andere liefde, met wie ze nog tijdens de oorlog trouwde. Ze ging verder door het leven als mevrouw Cuddington.

William Neelands’ vrouw las in de krant dat haar man was ‘weggevaagd’
William Neelands

Net als Stepen James Youell maakte Lance-Sergeant William Neelands deel uit van het Royal Regiment of Canada dat een flankaanval ten oosten van Dieppe op Puys moest uitvoeren. Neelands was monteur en chauffeur voordat hij zich op 19 september 1939 meldde voor de actieve dienst. Toen was hij nog vrijgezel, maar korte tijd later zou hij in het huwelijk treden met Marjorie.

Neelands was op 11 mei 1908 in Vancouver (BC, Canada) geboren, maar hij woonde inmiddels net als zijn vader in Toronto (Ontario, Canada). Neelands was enig kind. Zijn moeder was al overleden, toen hij in dienst ging.

Hij werd al snel naar Reykjavik (IJsland) verscheept, waar de geallieerden een eigen trainingsfaciliteit hadden. Hij bleef tot half oktober 1940 op IJsland, waarna hij en zijn collega’s werden overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk.

Hij was er slecht aan toe na de aanval op Dieppe. Hij ging met de trein op transport naar het krijgsgevangenkamp.

Hoe dapper Neelands had gevochten tekende de in Londen gestationeerde verslaggever W.T. Cranfield voor de Toronto Telegram op.

W.T. Cranfield in de Toronto Telegram

Sgt W.F. Neelands is reported to have shown gallantry in getting his mortar set up in the face of withering fire. He had got off three or four bombs only when he and his crew were wiped out.

Marjory Neelands was onaangenaam verrast toen ze over haar man in de krant las. De krant schreef dat Neelands zich naar verluidt dapper had getoond toen hij zijn mortiergeschut opzette in een vernietigend vijandelijk vuur. Hij had drie of vier mortieren afgevuurd toen hij en zijn manschappen werden weggevaagd.

Zij verwees naar het stukje in de krant in een brief aan parlementslid P. B. Hanson van het House of Commons in Ottawa. Ze begon met een bedankje voor het medeleven dat ze had ontvangen bij het verlies van haar man. “Ik ben het natuurlijk met u eens dat woorden nu te kort schieten, en dat komt des te meer tot uiting nu de verschillende schilderingen van moed en dapperheid bij het treffen [in Dieppe] publiek gemaakt worden. De reden dat ik u nu om een gunst vraag komt voort uit een krantenartikel dat ik heb bijgevoegd, gedateerd op 3 september in Londen door verslaggever W.T. Cranfield. Het zou betreurenswaardig zijn als de actie van mijn man en zijn manschappen, plus het feit dat ze hun leven gaven, onopgemerkt zou moeten blijven.”

Maar dat hoefde van Marjory niet meteen in de krant, en zeker niet als de familie nog geen kennis had van de omstandigheden waaronder hun geliefde kennelijk getroffen was. “Toen dit stuk in de krant verscheen, en dat was het meest ontstellende en alarmerende, dat de enige informatie die ik had was dat mijn man vermist werd. Natuurlijk kan men hieruit opmaken dat mijn man was gesneuveld, terwijl ons was verzekerd dat niets in de pers zou verschijnen voordat de familie was geïnformeerd.”

Neelands was gewond afgevoerd en in de gevangentrein overleden. Volgens de Duitse kampleiding om precies te zijn “am 26 August um 17 uhr 30 Minuten im Lazarettzug nach Gemünden“.

Dokter D.L. Charters, die ook Pte Clausen had behandeld, kreeg ook Sgt Neelands te zien. Maar Neelands was al overleden voordat hij in het ziekenhuis werd gebracht.

Major D.L. Charters:

“Very severe wound of the left groin, with fractured femur. Extensive woud in Epigastric region. No other details available. Died 26th Aug. at about 1800hrs in a German Ambulance train, about one hour before his body was brought here. Buried 29th Aug. with British Military Honours.”

Neelands werd ter aarde besteld op de begraafplaats Waldfriedhof Haina/Kloster, net als zijn maat Clausen, die in het krijgsgevangenziekenhuis was overleden. Neelands werd later vanuit Haina overgebracht naar de Britse begraafplaats in Hannover (Dimmer).

In maart 1948 kreeg Marjory bericht dat het stoffelijk overschot van haar man was verplaatst naar Holten, waar hij rust in plot IV, rij F, graf 11.

Gerald Garth Sauve kneep er met enige regelmaat tussenuit

Toen de lokale krant melding maakte van de vermissing van Gerald Garth Sauve na de aanval op Dieppe werd zijn achternaam gespeld als Sovie. De 34-jarige echtgenoot van Ona Nevedna Sauve liet zijn achternaam anders schrijven dan zijn ouders. Die stonden te boek als Sovie.

De soldaat uit Leamington (Ontario, Canada) was geboren op 20 juni 1907 en meldde zich bij het leger op 12 september 1939. Dat was vlak nadat de Britten de oorlog hadden verklaard met Duitsland, na de inval in Polen. Voor Gerald en veel andere soldaten was dat het moment zich te melden voor het leger. Gerald Garth werd ingedeeld bij het Essex Scottish Regiment.

Sauve was toen al vader van een zesjarige zoon, James Garfield Sauve. Mevrouw C.A. Ryall had zich over hem ontfermd, zo valt op te maken uit de persoonlijke gegevens uit het dienstdossier van Gerald Garth.

Twee van Geralds vijf broers waren ook in het leger. Everette diende bij het Elgin Regiment en Clarence bij het 5th Field Engineers Rgt. Hij had drie zussen, van wie er een was overleden.

Sauve had er geen moeite mee om af en toe zijn militaire plicht te verzaken. Hij wilde er nog wel eens een paar dagen tussenuit knijpen. Hij ging er ook wel eens met een militair voertuig vandoor, zonder toestemming. De ongeoorloofde afwezigheid leverde hem een lange lijst met straffen op, varierend van verplicht binnen blijven tot enkele dagen achter de tralies. Dat laatste overkwam hem toen hij tijdens een periode waarin hij verplicht op de kazerne moest blijven hem toch weer enkele dagen smeerde.

Sauve was vrachtwagenchauffeur van beroep. Zijn vrouw Ona Nevedna Manery, met wie hij op 8 januari 1940 in het huwelijk trad, was taxichauffeur. Ze kwam er nog mee in de krant, omdat een vrouwelijke taxichauffeur als een bijzonderheid werd beschouwd.

Het Essex Scottish Regiment had ondanks grote verliezen de stad Dieppe bereikt. Of Gerald Sauve tot de kleine groep hoorde die zo ver wist door te dringen, zal nooit aan de vergetelheid ontrukt worden. Hij werd in elk geval getroffen en daarna krijgsgevangen gemaakt. Zijn regiment noteerde hem als vermist, later als krijgsgevangene en vervolgens als overleden in krijgsgevangenschap. Hij overleed in de ziekenboeg op 2 oktober 1942, als gevolg van zijn verwondingen opgelopen in Dieppe. Waarschijnlijk werd ook hij eerst in Meiningen begraven om later via Berlijn te worden overgebracht naar Holten. Toen een metalen kruis op zijn graf werd geplaatst ontving Ona Sauve daarvan een foto. Zij merkte op dat de verkeerde initialen op het kruis stonden. Haar mans voorletters waren niet G.A., maar G.G. De correctie werd aangepast toen Gerald zijn definitieve grafsteen kreeg.

Hij ligt in Holten in plot IV, rij D, graf 4.

Thomas Gage was een goede soldaat, ondanks een paar vlekjes op zijn blazoen

Een erg goede soldaat, ondanks een paar vlekjes op zijn strafblad. Zo beoordeelde Lt K.D Paris de soldaat Thomas Gage op 16 juli 1942. Een maand later zou Gage op de boot gaan voor een ongewis avontuur.

Thomas Gage

Thomas was drukker geweest bij Atlas Press in Toronto waar hij $38,80 per week verdiende. Hij was vader van drie kinderen. En hij was al 37 toen hij het leger inging. Hij behoorde qua leeftijd tot de veteranen. Twee van zijn drie zoons, gingen ook het leger in: de in 1923 geboren William en de in 1925 geboren Albert. De laatste zou later in de oorlog zijn vader volgen en ook het strijdtoneel in Europa opzoeken.

Omdat hij als smid was opgeleid en ook gewerkt had als smid kwam Thomas terecht bij de 2nd Canadian Field Company van de Royal Canadian Engineers.

Hij was een van de ongeveer honderd leden van zijn eenheid die waren verkozen om op het strand de versperringen en blokkades weg te nemen. De engineers moesten daarna ook vijandelijke installaties en materieel onklaar maken. Veel van die doelen bleken onhaalbaar. Van de ongeveer 350 Royal Canadian Engineers (RCE) kwam uiteindelijk maar 10% weer terug.

Een bewaard gebleven kaart die is gebruikt in Dieppe is gepubliceerd in het boek Atlas of World War II. De kaart laat de landingsplaats van de RCE zien, de plek waar ze zich zouden verzamelen (tobacco company) en dat de gasfabriek het doel was.

Thomas Gage werd krijgsgevangen gemaakt zonder dat hij ernstig gewond was geraakt. Hij werd als vermist geregistreerd. Later bleek hij krijgsgevangen te zijn gemaakt. Hij verbleef lange tijd in het kamp Stalag IC\C.

Vanaf halverwege 1944 kwamen steeds vaker geallieerde bommenwerpers overvliegen, ook boven krijgsgevangenenkampen in Zuid-Duitsland. En niet zelden vielen bommen op de kampen. Dat de bommenwerpers verschenen was een voorbode van de onvermijdelijke bevrijding voor de krijgsgevangenen, maar tegelijkertijd was het ook een extra gevaar. De Nieuw-Zeelander Wynne Mason heeft becijferd dat zeker duizend krijgsgevangenen door ‘friendly fire’ op die manier om het leven kwamen.

De Canadese corporal Robert Prouse die in Dieppe gevangen was genomen schreef in 1982 in zijn boek Ticket to Hell Via Dieppe dat vanaf november 1944 er zelden een moment was dat de geallieerde zware bommenwerpers niet werden gezien boven het krijgsgevangenenkamp. Hij telde alleen in december 1944 al 115 luchtalarmen in het Stalag IX\C. De Duitse kampleiding verplichtte gevangenen bij een luchtaanval dekking te zoeken in de van vlooien vergeven kelders. Ze vreesden dat krijgsgevangenen een luchtaanval zouden aanwenden om een uitbraak uit het kamp te organiseren. Corporal Robert Prous probeerde aan de verplichting te ontsnappen door zich ergens boven de grond te verschuilen. Hij vreesde de vlooien. Tegelijkertijd waren de luchtaanvallen soms aangename pauzes tijdens het harde kampleven, omdat het werk werd stilgelegd, soms enkele uren achtereen.

Lange tijd kwam kreeg Thomas’ vrouw geen bericht over het wel en wee van haar man. Tot in april 1945 toen zij een telegram kreeg. Thomas Gage was – vlak voor het eind van de oorlog – alsnog omgekomen. Hij was gesneuveld bij een geallieerd bombardement.

Gage werd tijdelijk begraven op de Britse militaire begraafplaats in Berlijn. Van daar werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot IV, rij D, graf 6.

Op 1 September 1944 arriveerden het Essex Scottish Regiment samen met de Royal Hamilton Light Infantry en het Royal Regiment of Canada als eersten in Dieppe om de havenstad te bevrijden. Achter hen volgden de Canadese regimenten van de Camerons of Winnipeg, de South Saskatchewan Light Infantry, de Fusiliers Mont Royal, de Toronto Scottish en de Black Watch. Regimenten die betrokken waren bij de mislukte aanval op Dieppe in 1942 waren in 1944 de glorieuze overwinnaars.

Er liggen op andere begraafplaatsen in Nederland meer Canadese militairen die omkwamen bij Dieppe, of later aan hun verwondingen overleden. De meesten van hen spoelden aan op het strand aan de Noordzeekust.

Frederick Arthur Petherbridge († 19 augustus 1942, Royal Regiment of Canada) is begraven op de Noordelijke Begraafplaats in Vlissingen.

Richard Carswell († 19 augustus 1942, Queens Own Cameron Highlanders of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats op Ameland.

Rene Tetrault († 19 augustus 1942, Royal Regiment of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats op Terschelling.

George A. Scaife († 19 augustus 1942, Cameron Higlanders of Canada) is begraven op de Algemene Begraafplaats in Bergen (N.H.).

Vendel Riedl († 19 augustus 1942, Essex Scottish Regiment) is begraven op de Canadese Begraafplaats in Bergen op Zoom.

William De Long Duckworth († 14 november 1942, Essex Scottish Regiment) is begraven op de Canadese begraafplaats in Groesbeek.

Bronnen:

Archieven

Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volumes: 25266 (Ronald Bruce), 25540 (John Alfred Carlton), 25598 (Roy Clausen), 26358 (Paul Emil Desautels), 30528 (Charles Thomas Elliot), 25919 (Thomas Richard Gage), 25936 (Francis Constant Gatacre), 26033 (Ronald Haines), 26987 (Gerald Garth Sauve), 27307 (Dwight Earl Welch) en 27392 (Stephen James Youell).

Arolsen Archives (Stadtarchiv Dieburg über Kreisarchiv des Landrats Darmstadt-Dieburg, Dieburg)

Boeken

Stacey, C.P., Official History of the Canadian Army in the Second World War, Vol I Six Years of War, Ottawa, 1955

Claudia Baldoli, Andrew Knapp en Richard Overy; Bombing, States and Peoples in Western Europe 1940-1945; Norfolk; 2011; ISBN 978144119254-7

Neil Kagan, Stephen G. Hyslop; Atlas of World War II; 2018; Washington US, ISBN9781426219719

Mark Zuehlke; Tragedy at Dieppe; 2012; Madeira Park, BC, Canada; ISBN9781771620161

Lieutenant-Colonel James Goodman; Canadian Military Engineers; Operation JUBILEE: The Allied Raid on Dieppe (1942): A Historical Analysis of a Planning Failure; 2008

Robert A. Prouse; Ticket to Hell Via Dieppe: From a Prisoner’s Wartime Log, 1942-1945; Exeter; 1982; ISBN 13 9780906671627

Websites

Canadian Military Headquarters (CMHQ) reports 1940 to 1948

Commonwealth Graves Commission: Casualties of the Dieppe raid; 11 facts about the Dieppe raid; Canadian Encyclopedia

©2020 Jan Braakman, met medewerking van Hans Heyda (Informatiecentrum Canadese Begraafplaats)

Albert Bouma kreeg een Friese naam, maar had Duitse wortels

Door Jan Braakman

Albert Bouma sneuvelde als Canadees soldaat op 23 april 1945 bij Wagenborgen in Groningen. Afgaande op de naam, gaat het om een Canadese jongen met Friese wortels. Maar niets is minder waar – zo blijkt.

Krantenbericht over Albert Bouma

Albert George Bouma heeft een gecompliceerde familiegeschiedenis. Hij werd in De Bilt (provincie Utrecht) geboren als zoon van Rosa Raab en Albert George Wittelsbach. Beide ouders waren van Duitse komaf. Zijn moeder was in Rosenbach (Beieren) geboren, en zijn vader kwam ook uit die regio. Hoewel zijn beide ouders Duits waren, kreeg Albert de Nederlandse nationaliteit.

Alberts biologische vader (Wittelsbach) overleed rond het geboortejaar van Albert (1923). De jonge weduwe Raab trad enkele jaren later in het huwelijk met de in het Friese Woudsend geboren Auke (August Johannes) Bouma. Hij gaf zijn achternaam aan zijn stiefzoon. Hoe Alberts moeder en stiefvader elkaar leerden kennen is een raadsel. De uit Friesland afkomstige Auke was al in 1921 naar Canada geëmigreerd. Zijn eerste contact in Canada was de familie Stavast in White Beach (Saskatchewan).

In 1926 was hij kennelijk naar de Verenigde Staten geweest en keerde hij terug in Vancouver (BC, Canada), waar hij opgaf dat zijn vrouw R. Bouma was. In 1929 keerde hij korte terug naar Nederland. In de korte tijdspanne dat Auke in Nederland was, trouwde hij met Rosa Raab. Zonder haar keerde hij terug in Canada. Toen hij voor de tweede keer in Canada arriveerde meldde hij dat hij van 1921 tot 1929 als boerenknecht aan het werk was geweest in Saskatchewan.

In januari 1930 vertrok Rosa met haar zesjarige zoontje Albert via Liverpool naar St John in New Brunswick. Zij monsterde aan op het schip de Minnedosa onder de naam Rosa Bouma en ze meldde bij aankomst aan de immigratiedienst dat ze op weg was naar haar man Auke Bouma, die in Columbia Gardens (British Columbia) woonde.

Nadat zijn moeder hertrouwd was met Auke Bouma kreeg Albert er drie halfzusjes bij: Augustina Rosa (1931), Mary Patricia (1935) en Gladyearle (1939).

Voor Albert was de lange zeereis op jonge leeftijd allerminst een traumatische ervaring geweest. Toen hij zelf begin jaren veertig als achttienjarige aan het werk ging kwam hij als ‘porter‘ (kruier) terecht op schepen die voeren tussen Victoria (British Columbia, Canada) en Seattle (Washington State, VS). Hij voer in augustus en september 1941 op de SS Princess Kathleen en de SS Princess Alice.

Het was dan ook niet onlogisch dat Albert zich in november 1941 aanmeldde om bij de marine te dienen, als lid van de Royal Canadian Naval Volunteer Reserve. De dienstdoende recruiting officer deed navraag bij de inlichtingendienst van de Royal Canadian Mounted Police over de betrouwbaarheid van Albert. Zijn vader en moeder waren immers van Duitse afkomst en er konden twijfels zijn over de betrouwbaarheid van Albert. De Division E van de RCMP in Vancouver schreef op basis van ingewonnen informatie dat Albert “is considered to be a reliable, loyal citizen with no record of subversive or radical tendencies“.

In 1942 maakte Albert zijn testament op, waarin hij zijn moeder als enige erfgename aanwees. Opmerkelijk op dat document is dat hij de naam van zijn moeder noteerde als Rosa von Lima Bouma. Haar beroep: ‘weduwe’. Zij was toen gescheiden van haar man Auke Bouma en inderdaad weduwe van haar eerste echtgenoot Albert George Wittelbach.

Albert meende dat hij recht had op een hoger soldij, omdat haar moeder en zijn drie stiefzussen van hem afhankelijk waren. Maar na enig onderzoek werd dat verzoek afgewezen. Zijn moeder was immers gescheiden. Er was dus nog een vader van de drie kinderen van zijn moeder.

Het marineleven ging niet over rozen. Twee keer werd Albert betrapt op diefstal. De eerste keer op 26 februari 1942 toen hij op het schip Naden werd betrapt op het stelen van 6 ozs (ongeveer 0,2 liter) gin. De straf was niet mild: 60 dagen detentie. Nog geen half jaar later werd hij weer betrapt, opnieuw op diefstal van sterke drank. Deze keer kreeg hij 30 dagen detentie en ontslag van ‘His Majesty’s Service‘.

In mei 1943 werd hij overgeplaatst naar de infanterietroepen. En toen hij op 23 mei 1943 na een bootreis van tien dagen in het Verenigd Koninkrijk aankwam, werd hij ingedeeld bij het Canadian Scottish Regiment.

Albert George Bouma sneuvelde in het land waar hij was geboren, in de strijd tegen het land waar zijn ouders waren geboren en opgegroeid en in dienst van het land waar hij het merendeel van zijn leven woonde.

Na zijn training in het Verenigd Koninkrijk moest hij op 3 juni 1944 inschepen om op 6 juni 1944 met het Canadian Scottish Regiment te worden ingezet op D-Day. Zijn persoonlijk dossier vermeldt weing wetenswaardigheden, behalve dan dat hij op 1 september 1944 vermist was. Die notitie werd twee dagen doorgehaald en vervangen door de vermelding dat hij afwezig was zonder verlof.

Met het Canadian Scottish Regiment vocht hij mee aan de bevrijding van delen van Frankrijk, België en Nederland. Op maandag 23 april 1945 streed Albert met de ‘A’ Company in Wagenborgen, waar hij door vijandelijk vuur sneuvelde. Albert George Bouma sneuvelde in het land waar hij was geboren, in de strijd tegen het land waar zijn ouders waren geboren en opgegroeid en in dienst van het land waar hij het merendeel van zijn leven woonde.

Alberts moeder, inmiddels verloofd met de vijftien jaar jongere Rudolph Dancsok, meldde aan de lokale krant dat haar zoon was omgekomen, een maand voor zijn 21e verjaardag aldus de krant. Maar dat was een vergissing. Het was een maand voor de 22e verjaardag van Albert. In zijn laatste brief aan zijn moeder schreef Albert Bouma: “Well, mom, I’ve come along so far without a scratch; maybe my luck will continue till it’s over.”

Rosa von Lima Bouma kwam nog wel met een verrassing. Uit de brieven van Albert had zij opgemaakt dat hij met een zekere Rita Griffith had willen trouwen in Engeland, toen Rita in verwachting raakte. Maar zij weigerde met hem in het huwelijk te treden, meldde Alberts moeder. “Ze gaf de baby aan vreemden, die het adopteerden.”

Het graf van Bouma in Holten

Albert zou maandelijks $25 opzij zetten voor de moeder van zijn kind, nog steeds volgens Alberts moeder. En toen zij weigerde met hem te trouwen, had hij besloten dat geld te laten overmaken aan zijn eigen moeder. Maar, zo meldde Alberts moeder, zij had dat geld nooit gehad.

Rudolph Dancsok en Rosa von Lima Bouma trouwden in juli 1945. Alberts stiefvader bleef gefrustreerd achter. Hij bleef als boer werkzaam in British Columbia, waar hij in 1979 overleed.

Alberts moeder Rosa overleed in 1975.

Albert werd direct nadat hij was gesneuveld tijdelijk begraven bij Siddeburen, met meer dan 20 gevallen kameraden. Later, op 15 februari 1946, kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese militaire begraafplaats in Holten. Plot III, rij G, graf 9.

©2020 Jan Braakman

Bronnen

  • Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 29025
  • The National Archives at Washington, D.C.; Washington, D.C.; Manifests of Alien and Selected U.S. Citizen Arrivals at Anacortes, Danville, Ferry, Laurier, Lynden, Marcus, Metaline Falls, Northport, Oroville, Port Angeles, and Sumas, Washington, May 1917-Novembe; Record Group Title: Records of the Immigration and Naturalization Service, 1787 – 2004; Record Group Number: 85; Series Number: A3403; Roll Number: 007
  • Passenger Lists, 1865–1935. Microfilm Publications T-479 to T-520, T-4689 to T-4874, T-14700 to T-14938, C-4511 to C-4542. Library and Archives Canada, n.d. RG 76-C. Department of Employment and Immigration fonds. Library and Archives Canada Ottawa, Ontario, Canada. Series: RG 76-C; Roll: T-14855
  • Library and Archives Canada; 1908-1935 Border Entries; Roll: T-15350
  • Website Canadian Scottish Regiment