Een kwast witkalk om verder onheil te voorkomen

 

Canadees krantenbericht over de dood van Doyle. Bron: Veterans.gc.ca

Een ambtenaar van gemeentewerken liep met een kwast en een pot witkalk langs de Hengeloschestraat in Enschede ter hoogte van textielfabriek Schuttersveld. De ambtenaar opende de pot met verf en doopte de kwast erin. Vervolgens zette hij de kwast tegen een boom die stond op de scheiding van het fietspad en de hoofdweg, waar het autoverkeer reed. Nadat hij de boom van een of meer witte stroken rondom had voorzien, hing hij een lamp op – een rode lamp om de boom in het donker te markeren.

Het was zaterdag 26 mei 1945. De Twentse textielstad was aan het bijkomen van vijf jaar bezetting. Enschede had veel geleden onder tientallen bombardementen van zowel de Duitsers als de geallieerden. Britse en Amerikaanse vliegers zagen de Twentse stad soms aan voor een Duitse plaats en vonden het goed kun bommen daar te laten vallen. De nabijheid van het vliegveld Twente maakte de stad ook tot een doelwit van de geallieerden. Toen na de oorlog de trieste balans werd opgemaakt, bleek dat er meer dan 350 mensen in Enschede om het leven kwamen en tenminste zoveel mensen gewond raakten. Honderden woningen raakten beschadigd, in sommige gevallen onbewoonbaar en onherstelbaar.

Nu was de oorlog voorbij. In de stad was het druk met Canadese soldaten, die af en toe vertier zochten. De avond voordat de gemeenteambtenaar met de witkwast aan het werk was, hielden Canadese officieren een dancing in het pand waar het 4 Coy Corps Military Police was gevestigd (nu Hengelosestraat 76-78).

Trouw, 28 mei 1945. Bron: Delpher.nl

Of het toeval was of een vooropgezet idee dat Warrant Officer Class 2 Walter Doyle en Sgt E.H Manion van het First Canadian Army Troops Workshop Royal Canadian Electrical and Mechanical Engineers op de dancing terecht kwamen wordt uit de bewaard gebleven stukken niet duidelijk. Zeker is dat Doyle en Manion op 25 mei 1945 om negen uur ’s avonds vanuit Hengelo naar Enschede reden. Doyle had, zo zei hij, een afspraak met een collega bij de ADOS Dump (Assistant Director of Ordnances Services), over een reparatie aan een drietonner (Dodge). Eerder die dag hadden Doyle en Manion een gerepareerde Jeep terug gebracht naar de ADOS Dump. Ze hadden gezegd later nog terug te komen.

Toen Doyle en Manion in Enschede aankwamen bleek dat er geen licht meer brandde bij de ADOS Dump. Op weg terug zagen ze dat een dancing gaande was bij het Corps Military Police. Manion herinnerde zich dat ze gestopt waren, hun Austin Utility – kortweg vaak een Tilly genoemd – hadden geparkeerd en met zijn tweeën naar de dancing waren gegaan. De twee vermaakten zich goed, ze haalden drankjes van de bar en bleven tot middernacht. Toen het was afgelopen. Doyle ging naar buiten naar hun voertuig, Manion was zijn baret kwijtgeraakt en zocht nog een half uur, zonder zijn hoofddeksel te vinden. “Ik had bijna de gehele avond gedanst, dus ik was behoorlijk moe”, zei hij. Toen Doyle de auto had gestart, was hij bijna meteen in slaap gevallen. “Het eerste wat ik daarna weet is dat ik in de gewondenopvang lag, de volgende ochtend om ongeveer 11 uur.”

Manion wist niet meer wat er in de tussentijd was gebeurd.

Dat wist soldaat H.B. Madge wel. Hij had het zien gebeuren. Madge liep die nacht langs de Hengelosestraat vanuit de richting Hengelo naar de stad. Hij zag een militair voertuig hem tegemoetkomen. Beide koplampen brandden en de auto reed naar schatting 50 tot 55 kilometer per uur, dacht Madge.

Madge zag de twee bomen en een stalen paal aan links van de straat, tussen het deel waar de auto’s reden en het deel voor de fietsers. De vrachtwagen reed recht op de boom af, zonder snelheid te minderen of te remmen. Met een forse knal kwam het voertuig tot stilstand. Het verwrongen staal van de auto kreunde nog even na. De motor stokte, de boom kraakte. Madge haastte zich naar de plek waar metaal en hout in elkaar vervlochten waren geraakt.

Hij zag twee mannen in de Tilly. De bestuurder leek op slag dood te zijn. Hij lag onderuit op de bestuurdersstoel met zijn hoofd achterover gebogen. Hij staarde naar boven. De bijrijder – ernstig gewond – leefde nog.

G. Heutink, die aan de Hengeloschestraat woonde, was wakker geschrokken van de klap. Vanuit het bovenraam riep hij naar Madge of hij hulp nodig had. “Ik vroeg hem een lantaarn te brengen. Uiteindelijk begreep hij me en kwam hij met een lamp”, zei Madge.

Heutink alarmeerde de politie. Niet de militaire politie, zoals Madge had gevraagd, maar de Enschedese gemeentepolitie.

Ondertussen hield Madge een Canadees militair voertuig aan, bestuurd door een Lieutenant. Madge vroeg hem een militaire ambulance te regelen. De Lieutenant gaf soldaat de opdracht de Canadese soldaten niet te laten beroeren door de Nederlandse politie.

Bijlage uit het proces-verbaal over het ongeluk met een schets van de situatie op de Hengeloschestraat. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

De Enschedese gemeentepolitie kwam met twee man ter plaatse, de agenten Van der Velde en Groenewoud. Een even later ook een civiele ambulance. Madge weigerde echter de gewonde soldaat met de ziekenwagen te laten vervoeren, in lijn met de opdracht die hij van de Lieutenant had gekregen. De Canadese militaire politie (MP) kwam als laatste bij het ongeluk, maar nam wel meteen de regie over.

Uiteindelijk kwam er ook een ambulance van het 9 Cdn Field Dressing Station. Waarmee Manion eerst naar het Field Dressing Station werd gebracht, om daar te worden doorverwezen naar het Sint Elisabethziekenhuis in Almelo (6 Canadian Casualty Clearing Station). Daar werd Manion de volgende ochtend wakker, zich niet bewust van wat er zich die nacht had afgespeeld. Het stoffelijk overschot van Doyle was later die nacht ook naar Almelo overgebracht, waar werd geconstateerd dat hij een gebroken nek had.

Doyle werd tijdelijk begraven op de algemene begraafplaats in Almelo. Later werd hij herbegraven in Holten: Plot VI, rij A, graf 9.

Fabriekscomplex van Schuttersveld (Van Heek) aan de Hengelosestraat (op de voorgrond van linksonder naar rechts) in Enschede. De Boddenkampstraat ligt buiten het beeld van de foto. Bron: Enschedeinansichten.nl

Voor Heutink was het ongeluk voor zijn huis reden om in actie te komen. Volgens hem was het al de zesde keer in korte tijd dat daar een ongeluk gebeurde. De politie meldde dat er drie eerdere ongelukken waren geweest. Na het vorige ongeluk had hij bij de gemeente geklaagd over de gevaarlijke situatie. Ze hadden hem bij de gemeente beloofd er iets aan te doen. Dat was echter nog niet gebeurd. Tot na dit ongeluk.

Op de ochtend van de zaterdag 26 mei 1945 werd alsnog een witte markering op de boom aangebracht, en een rode lamp.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

©2021 Jan Braakman

Een fatale val bij de Maagdenbrug in Groningen

James Austin (kortweg Jim) Fraser van de Royal Canadian Electrical and Mechanical Engineers had een leuke avond gehad, toen hij in de nacht van zondag 20 op maandag 21 mei 1945 langs de gracht in Groningen wandelde. Het was geen nacht om romantisch door de Groningse straten te slenteren – het was koud, nat en donker.

Jim Fraser in beter tijden. Foto: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

Die nacht kwam er een abrupt eind aan de militaire carrière van Craftsman Jim Fraser die op 21 september 1941 was begonnen.

Fraser was de oudste van twaalf kinderen. Hij had vier zussen en zeven broers. Hij was een bedeesde kantoorbediende, meldt een van de aantekeningen in zijn persoonlijke dossier. Hij had een opleiding gevolgd en daarbij geleerd steno te schrijven en te typen.

HIj volgde zijn militaire opleiding in Canada, werd in 1942 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk en landde in 1943 met Canadese troepen in Italië. Hij zou van november 1943 tot februari 1945 in Italië blijven. Daarna werd hij verscheept naar Frankrijk. Via België kwam hij in Nederland terecht en in mei 1945 verbleef hij in Groningen.

De Duitsers hadden inmiddels gecapituleerd en Canadese troepen sloegen hun kampen op in Nederland. Het leger stond niet meer in de vechtstand en dat betekende dat op heel veel plekken de knop om moest. Soldaten werden bezig gehouden met onderhoudswerkzaamheden. In de weekeinden werden feesten georganiseerd en de soldaten knoopten banden aan met de lokale bevolking.

Fraser had eerder die avond samen met zijn maat J.H. Kennedy en een paar Groningse burgers een bescheiden feestje gevierd.

De avond begon aan de Van Speykstraat in Groningen. Daar troffen beide soldaten het echtpaar Walstra-Sauer en twee vrouwen aan, met wie ze iets later op de avond naar de zus van een van de vrouwen gingen. “We aten wat en dronken twee of drie glazen wijn”, herinnerde Kennedy zich later.

Aan het eind van de avond ging het gezelschap lopend terug. Onderweg raakte Kennedy zijn maat kwijt, die samen liep met een van de vrouwen. Hij bleef nog een tijdje wachten in het huis aan de Van Speykstraat, maar besloot toen zonder Fraser terug te keren naar de eenheid , waar hij rond middernacht arriveerde.

Op dat moment liep Fraser nog met de 37-jarige Gertrud Walstra-Sauer over de Turfsingel langs de Groningse grachten. De uit Berlijn afkomstige Gertrud was in 1936 getrouwd met de Groninger Cornelis Walstra.

Volgens Gertrud waren zij en Fraser in de gracht gevallen in de buurt van de Maagdenbrug, precies tegenover het woonhuis van de architect Evert van Linge. Gertrud vertelde later dat Fraser nog vijf minuten in het water had gezwommen, voordat hij kopje onder was gegaan. Gertrud riep om hulp.

De hulpkreet uit het water wekte Evert van Linge’s echtgenote. Van Linge rende naar buiten met onder zijn armen een bundel touw dat hij voor noodgevallen altijd bij de hand had. Van Linge zag de vrouw in het water liggen. Hij wierp haar een touw toe met houten drijvers. Maar toen de vrouw het touw greep, schoot het uiteinde uit de handen van Van Linge.

Terwijl Gertrud drijvend op haar rug het hoofd van de bewusteloze Fraser boven water hield, haalde Van Linge een boothaak die hij in de kraag van de man haakte.

Ondertussen waren ook J. Oudman en zijn zus gealarmeerd door het hulpgeroep van de vrouw. Oudman had een ladder bij zich die hij in de gracht tegen de stenen kade plaatste.

Van Linge ging het water in via de ladder en knoopte het touw om de middel van de man. Inmiddels waren nog meer mensen ter plekke gekomen. Met vereende krachten kregen ze de bewusteloze Fraser op het droge.

Meteen kwam de zus van J. Oudman in actie. Zij was als verpleegster werkzaam in het Academisch Ziekenhuis. Zij probeerde met mond-op-mond-beademing en hartmassage de soldaat weer tot leven te wekken. Zij bleef daarmee doorgaan toen Fraser na twintig minuten in de ambulance op weg naar het ziekenhuis was. In het ziekenhuis waren dokters en verplegers nog twee uur met hem bezig, van half twee tot half vier. Fraser had bij aankomst in het ziekenhuis geen hartslag en hij ademde niet. De man kreeg verschillende injecties toegediend – maar tevergeefs. Om kwart over drie ’s nachts werd de man officieel dood verklaard door dokter Wehberg.

De volgende ochtend om een uur of zes meldde Cornelis Walstra zich bij Jim Frasers vriend Kennedy. Walstra – de echtnenoot van de vrouw met wie Fraser in het water was gevallen – vertelde dat Fraser was verdronken. Kennedy verklaarde: “Hij vertelde me dat mijn vriend Jim Fraser in de gracht was gevallen en dat hij naar het ziekenhuis was gegaan om hem te zien. Daar was hem verteld dat de Canadese soldaat dood was. Ik vroeg hem de naam van het ziekenhuis en lichtte de dienstdoende sergeant, Sgt Worrall in.”

Kennedy voegde daar desgevraagd nog aan toe dat Fraser niet dronken was geweest en dat de burgers waarmee ze op pad waren geweest, heel aardig waren. “We kenden ze al een tijdje.”

Kennedy wees er verder op dat Fraser die zondagmiddag nog had verteld dat hij zich niet helemaal lekker voelde en al sinds zijn verblijf in Italië last had van zijn hart.

Bij het onderzoek naar de toedracht van de dood van Fraser viel het oog van de patholoog op een onverklaarbare hoofdwond. De doodsoorzaak was volgens de patholoog een bloeding in de hersenen en een hersenschudding, als gevolg van een klap op het hoofd. Uit de getuigenverhoren werd niet duidelijk hoe de hoofdwond was ontstaan. “Het is mogelijk dat de verwonding is veroorzaakt toen hij in het water viel of toen hij werd gered, maar er is geen bewijs dat die theorie ondersteunt”, concludeerde een onderzoekscommissie

Evert van Linge sprak later nog wel eens over het voorval aan de Turfsingel. Zijn dochter Dodo Duit-Van Linge was zes toen het gebeurde. Dodo weet nog dat er destijds Canadezen ingekwartierd waren in hun huis aan de W.A. Scholtenstraat 1. Ze herinnert zich geen namen, maar weet nog wel dat het een major en een sergeant waren. “Ze zetten de jeep voor het huis en haalden de bougies eruit, zodat niemand ermee kon wegrijden.”

Van de nachtelijke gebeurtenis kreeg zij destijds helemaal niets mee. “Ik kan me herinneren dat mijn vader later zei dat hij de verkeerde had gered. Hij had niet die mof uit het water moeten halen.” ‘Die mof’ was de vrouw van Duitse oorsprong, met wie Fraser in het water was gevallen.

©2021 Jan Braakman