Winterse patrouille werd John Kendzierski fataal

Door Jan Braakman

John Kendzierski was een gezonde jongen uit Rorketon, een plaatsje in de prairies van de Canadese provincie Manitoba. Zijn ouders waren Oekraïens van geboorte. Ze hadden hun bestaan opgebouwd in Rorketon. Het was een drukke huishouding. Kendzierski had zes broers en twee zussen. De twee oudste zussen waren getrouwd en inmiddels het huis uit; twee van zijn broers hadden ook dienst genomen in het leger.

John Kendzierski, geboren op 26 oktober 1924, was nog 19 toen hij de handtekening zette onder het aanmeldingsformulier voor het Canadese leger. Vlak voor zijn twintigste verjaardag, in september 1944, werd hij vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het front gebracht in Nederland. Hij was toen net een maand in Engeland geweest. Hij werd ingedeeld bij de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada.

Het was koud in de tweede week van januari 1945. Soldaten van de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada hulden zich in witte camouflagekleding als ze op patrouille gingen. Het regiment lag in de omgeving van Mook, ten zuiden van Nijmegen. Niet ver weg lag de Duitse vijand, die zich had ingegraven. Het Canadese regiment voerde regelmatig verkenningspatrouilles uit om te zien welke posities de Duitsers hadden ingenomen en wat de sterkte van de troepen was.

John Kendzierski. Bron Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

De nachtelijke verkenningen hadden ook tot doel Duitsers krijgsgevangen te maken, zodat via hen informatie kon worden ingewonnen. Bijna elke nacht waren er verkenningen, onder andere in de richting van de Noord-Brabantse buurtschap Middelaar vlakbij de plek waar de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg elkaar in een drieprovincies-punt raken.

Daar, in Middelaar, werd rond een groepje huizen steeds Duitse activiteit werd waargenomen.

In de nacht van 12 op 13 januari werd een patrouille van de Camerons op pad gestuurd met de opdracht een huis in te nemen of te vernietigen aan wat nu de Elzenstraat in Middelaar is. De patrouille keerde terug zonder die opdracht te hebben uitgevoerd, al was het wel tot een vuurgevecht gekomen. De Camerons werden beschoten met een Schmeisser, aldus een patrouille-rapport dat werd opgemaakt. Een van de Camerons raakte gewond aan de schouder. Later wierpen de Duitsers granaten om de Canadese troepen te verjagen.

De volgende nacht, van 13 op 14 januari, ging een patrouille naar wat op de Canadese stafkaarten werd aangeduid als Middelaarhuis. De patrouille bleef op ruime afstand, omdat rond de gebouwen mijnen lagen. In november 1944 waren daar drie mannen ernstig gewond geraakt, toen ze op een mijn liepen. Een andere patrouille ging opnieuw naar het groepje huizen rond wat nu de Elzenstraat is. Opnieuw kwam het tot schermutselingen bij het groepje huizen. De patrouilleleider Lt R.C. Ross maakte een Duitser krijgsgevangen op de Witteweg, die nu de Mookerplas in tweeën snijdt. Toen was de Mookerplas er nog niet, althans niet in de huidige omvang. Ross gooide een handgranaat in de loopgraaf waar vermoedelijk nog twee of drie Duitse soldaten zaten.

De Duitsers vuurden in de richting van de Canadese patrouille waarna een hevig vuurgevecht losbarstte. Lt Ross en zijn gevangene raakten in het tumult uit het oog en toen de rust was weergekeerd, bleek Ross onvindbaar. Er werd aangenomen dat hij door de vijand gevangen was genomen.

Kaart van de omgeving Middelaar, gemaakt door Sergeant Lessard van de Black Watch. Bron: Library and Archives of Canada; War Diaries – Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada, Canadian Active Service Force

Een van de Canadese mannen, die Duits kon verstaan, hoorde de vijand roepen: “We hebben er hier een te pakken.” De vijand had zich goed gepositioneerd rond de dijkweg, waardoor er voor de Camerons geen doorkomen aan was. Ze konden hun patrouilleleider niet bereiken en trokken zijn achter hun eigen linies terug, met een gewonde.

De volgende nacht – van 14 op 15 januari – trok opnieuw een patrouille naar het groepje huizen rond de Elzenstraat. Nu was het de bedoeling om te zien met hoeveel de Duitsers dar zaten en welke posities ze innamen. De patrouille observeerde vooral. Ze zagen bij een van de huizen drie of vier Duitse soldaten gekleed in wette camouflagepakken. Ze hoorden dat er planken of ander zwaar materiaal van een huis naar een ander werd gesleept door twee of drie mannen. Voor een van de huizen stond een soldaat stampvoetend op wacht. Bij een ander huis werden meerdere stemmen gehoord en verderop hoorden ze een paard en wagen.

Toen een van de Canadezen een hoest niet meer kon onderdrukken, opende de vijand meteen het vuur. Maar de patrouille keerde ongehavend terug, waarna alsnog de posities van de vijand onder vuur werden genomen.

Op dinsdagavond 15 januari werd opnieuw besloten een observatie uit te voeren. De patrouille kwam terug en bevestigde wat de vorige dag was vastgesteld.

In de nacht van woensdag 17 op donderdag 18 januari was het opnieuw onaangenaam koud. De temperatuur lag rond het vriespunt, en de wind maakte het guur. De gevoelstemperatuur lag een paar graden lager.

Opnieuw ging een patrouille van de Camerons naar het groepje huizen rond de Elzenstraat. Opnieuw was het doel om de posities en de sterkte van de vijand vast te stellen en krijgsgevangenen te maken. John Kendzierski was een van de mannen die mee op patrouille ging. Nu probeerden ze de huizen vanuit het noorden te benaderen. Eerst observeerden ze vier huizen. Bij twee huizen werd geen activiteit waargenomen, een derde huis bleek leeg en bij het vierde huis hoorden ze stemmen van Duitsers.

Toen openden de Duitsers opeens het vuur. De patrouille werd hard getroffen. De patrouilleleider en twee anderen werden geraakt. Een van hen was dood: John Kendzierski. Hij bleef liggen op de plaats waar hij was getroffen.

De twee gewonde mannen kropen terug naar de rest van de eenheid. Ondertussen werden de vijandelijke posities met mortiervuur bestookt.

Een groot aantal huizen langs de Elzenstraat en de Eindweg was na de oorlog zodanig gehavend, dat ze moesten worden herbouwd.

Kendzierski werd vermist verklaard. Op 13 februari 1945 werd zijn stoffelijk overschot alsnog begraven. Padre Captain Tom Davies van de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada leidde de ceremonie. Zijn tijdelijke graf was gelegen ten noordwesten van Milsbeek langs wat nu de Rijksweg N271 is.

Na de bevrijding werd hij herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten: plot IV, rij H, graf 16. Waarom hij niet in Groesbeek is begraven, zoals de meeste van zijn maten die in de omgeving van Groesbeek omkwamen in de winter van 1944/1945, is niet bekend.

Bronnen:
* Library and Archives of Canada, War Diaries, Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada; RG24-C-3, Volume number: 15163, File number: 193
* Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 26243
* Informatiecentrum Canadese Begraafplaats Holten

© 2022 Jan Braakman

Auteur: Jan Braakman

Jan Braakman is journalist en schrijver. Hij publiceert regelmatig korte biografische schetsen van geallieerde soldaten die in Nederland gesneuveld of begraven zijn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: