Inferno van Friesoythe

Een boerenschuur bij Friesoythe met onder de kap de lichamen van Fred Wigle en Cec French. Houtskoolschets van Pte F.T.V Savard. Bron: Robert Fraser – Black Yesterdays; The Argylls’ War.

Door Jan Braakman

Friesoythe lag strategisch op de weg naar de havens in het noorden van Duitsland. De opmars van de 4th Canadian Armoured Division werd bemoeilijkt door de terreinomstandigheden, die de grootschalige inzet van tanks op de slappe bodem niet toestonden. De opmars moest via de hoofdwegen plaatshebben. De Canadezen hadden het Dortmund-Emskanal bij Meppen overgestoken, net ten oosten van Coevorden langs de Nederlandse grens.

Het Küstenkanal, de scheepsverbinding tussen de stad Oldenburg en het Dortmund-Emskanal in Noordoost-Duitsland, vormde een andere belemmering voor de geallieerde troepen in hun opmars naar het noorden. De weg naar een belangrijke brug over het kanaal liep via Friesoythe. Het Lake Superior (Motor) Regiment had al geprobeerd om via de hoofdweg Friesoythe binnen te tikken. Maar de Duitse weerstand was zo groot geweest, dat de Lake Superiors zich hadden terug getrokken. Er moest een nieuw plan worden getrokken.

Major General Chris Vokes liet zich door brigadier Robert Model overtuigen dat de slimste manier om Friesoythe te veroveren niet was via een frontale aanval, maar door een sluipende omsingeling.

Om zes uur in de avond werd het plan voor de verovering van Friesoythe aan de manschappen van de Argyll & Sutherland Highlanders ontvouwd.

Het plan was als volgt: Het Lake Superior (Motor) Regiment moest de aandacht van de Duitse troepen trekken met een schijnaanval via de hoofdweg. Tegelijkertijd maakten de Argyll & Sutherland Highlanders een omtrekkende beweging aan de oostzijde van Friesoythe, om de Duitse verdediging in de flank te treffen. Lieutenant-Colonel Fred Wigle vond het een gewaagd maar kansrijk plan en hij besloot in de dekking van het nachtelijk duister op te trekken door een ruw veenlandschap. Bij het ochtendgloren zouden de Argylls Friesoythe bestormen en innemen.

Verkenners markeerden de te volgen route met witte lintjes. De linten konden de Canadese plannen verraden, mocht een Duitse patrouille ze opmerken. Maar Wigle zat daar niet over in. Hij hechtte meer belang aan een goede radioverbinding. Hij maakte geen gebruik van de normale draagbare draadloze radioinstallaties, maar hij had een radio uit een voertuig laten halen en op een draagbaar gemonteerd. De baar moest door twee man worden gedragen.

Vlak voordat de troepen naar het startpunt ten oosten van Friesoythe werden gebracht, schreef Wigle ook nog snel een briefje aan zijn ouders. “Dit kan mijn laatste brief zijn. Ik hoop van niet, maar ik begin nu aan een risicovolle zaak en de kans bestaat. Hoe het ook zij, u weet dat ik van u houd – heb ik altijd gedaan en blij ik altijd doen. Moge God u zegenen.”

In de vroege ochtend van 14 april vestigde Wigle zijn tactisch hoofdkwartier in een eenvoudig huis aan de rand van Friesoythe. De actie verliep voorspoedig. Om vijf over half zeven waren drie compagnies (B, C en D) tot in het centrum van Friesoythe doorgedrongen. Het tactisch hoofdkwartier bleef aan de rand van de plaats en raakte enigszins geïsoleerd van de rest van de troepen. Lieutenant Alan Earp herinnerde zich later (in 1984) dat het een heel gewoon huis aan de rand van Friesoythe was, waar ze zich hadden gevestigd. Een huis met een kelder, waarin al een aantal Duitse krijgsgevangenen werden vastgehouden.

De geïsoleerde ligging van het hoofdkwartier zou geen probleem geweest zijn als er niet twee pelotons Duitse eenheden over het hoofd waren gezien. In de ochtendmist dacht Wigle in de verte de soldaten van de Lake Superiors te ontwaren. Hij stuurde een verkenner om contact te leggen. De mannen in het hoofdkwartier volgden de verkenners. Private William Patrick van het Signals Platoon was een van de mannen die de verkenners in de gaten hielden: “Ik keek uit het raam in de richting van de weg die ze liepen. Toen opeens zagen we de handen omhoog gaan. Dan wist je wat gaande was. En toen kwamen de Duitsers onze kant op.”

De twee Duitse pelotons waren onopgemerkt gebleven bij de nachtelijke tocht door Friesoythe. Hoe het vuurgevecht begon is niet duidelijk. Patrick William keek er later in een interview op terug: “Als Wigle niet die verkenners op pad had gestuurd, zouden de Duitsers ons gepasseerd hebben. Ze liepen langs ons en we lieten ze gaan. Ze passeerden ons voertuig – niet dichtbij, maar wij konden hen zien en zij sloegen geen acht op wat er voor hen kon uitzien als een uitgebrand voertuig. (…) Iemand in het huis opende het vuur en toen begonnen ze te rennen en beantwoorden ze het vuur.”

De Duitsers waren niet van plan zich zonder slag of stoot over te geven en zetten de aanval in op het hoofdkwartier. Ze gooiden een granaat in de bovenverdieping. De explosie werd de soldaten Cecil French en John Brown van het Pioneer Platoon fataal.

Bronnen:

  • Robert L. Fraser; Black Yesterdays The Argylls’ War (Hamilton, 1996) [hoofdstukken 13 ‘To Victory’ en 16 ‘The Wounded & the Dead’]
  • Mark Zuehlke; On to Victory; (Vancouver, 2010) [Hoofdstuk 20 A Stern Atonement]
  • Vokes, Chris with Maclean, John P; Vokes – My Story (Ottawa, 1985)
  • Interview met Jack French (ICB/RTV Oost, 2019)

© 2021 Jan Braakman