D-Day overleefd, omgekomen op zoek naar eieren

Alfred Page Darby in november 1944. Bron: Barbara Darby via Ancestry.ca

De oorlog liep praktisch op het einde. Alfred Page Darby had al een tijdje in de luwte van het front gewerkt. Hij had de front-
oorlog in al zijn hevigheid ervaren als tankchauffeur in het 6 Canadian Armoured Regiment (1st Hussars), afgekort tot 6CAR.Op 6 juni 1944 werd hij met zijn troepen afgezet op Juno Beach, het Normandische strand waar de Canadese 3e Infanterie Divisie een doorbraak door de sterk verdedigde Duitse kustlinie forceerde.

Het 6 CAR regiment was succesvol. De tanks ondersteunden de Canadese infanterietroepen (Regina Rifles, Canadian Scottish Regiment en Winnipeg Rifles) landinwaarts en van de geallieerde invasietroepen slaagden zij er als een van de weinigen in de vooraf gestelde doelen te bereiken.

Dat ging niet zonder slag of stoot. Sommige tanks bereikten niet eens het strand en gingen – met bemanning – verloren in de zee. Anderen liepen op een mijn en moesten terzijde geschoven worden. Het Duitse artilleriegeschut was fel en oorverdovend. Darby verkeerde voortdurend in spanning.

De oorlog kroop langzaam onder zijn huid. De geluiden bleven in zijn hoofd echoën. Aanvankelijk merkte niemand iets aan Darby, maar na een week of twee begonnen de zenuwen op te spelen.

Krantenbericht in Canadese krant over het overlijden van Darby. Zijn vrouw hertrouwde later. Bron:Veterans.gc.ca

Hij stond erop in de tank te slapen. Hij at niet of nauwelijks, hij raakte geïrriteerd en wilde alleen zijn. Hij was depressief door alle slachtoffers, die maten die hij verloor in de strijd. Twee keer ging zijn tank verloren – zonder dat hijzelf gewond raakte. Twee keer raakte zijn tank zo beschadigd dat hij niet verder kon.

In juli 1944 raakte hij licht gewond – niet door vijandelijk vuur, maar door een ongelukje. Hij kreeg een spierontsteking en kwam in het ziekenhuis terecht. Daar kon hij de slaap niet vatten. Drie dagen en nachten bleef hij wakker – hij kon pas weer slapen toen hij terug was bij de Canadian Base Reinforcement Group, en later bij het 25th Armoured Delivery Regiment (Elgin Regiment), waar hij werd ingezet om wapens te herstellen. Hij leek op te knappen. Maar terug aan de frontlinie kwamen de klachten terug. Als hij vijandelijk vuur hoorde kreeg hij fysieke verschijnselen: maagkrampen, gebrek aan eetlust en volgens zijn maten zag hij er slecht uit. Hij werd afgevoerd vanwege ‘battle exhaustion’ – oorlogsmoe.

Eenmaal ver achter de linies verdwenen de fysieke verschijnselen; hij at goed en hij kon de slaap goed vatten, maar hij had wel concentratieproblemen en leek de interesse in zijn omgeving te hebben verloren.

Een psychiatrisch onderzoek volgde. De conclusie was dat de beoordeling van de stabiliteit van Darby moest worden bijgesteld (‘downgraded‘) van S1 naar S3. En dat maakte hem ongeschikt voor het werk aan het front.

Daarmee leek de oorlog voor Darby ten einde. Zijn vrouw wachtte op hem in Toronto. Het zou een kwestie van tijd zijn voordat Darby weer thuis zou zijn om zijn baan als glasbewerker weer op te pakken.

Het liep anders.

Een situatieschets van de plaats van het ongeluk tussen Bad Salzuflen en Wüsten. Bron Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25699

Op 26 juni 1945 ging Darby met drie andere soldaten op pad om eieren te kopen in de omgeving van Bad Salzuflen. Drie verwschillende boerderijen werden bezocht – maar er waren geen eieren te koop. Onverrichterzake keerde de soldaten terug. Op de lokale weg van Wüsten naar Bad Salzuflen raakte de auto – een Chevrolet – van de weg en botste tegen een boom. Drie inzittenden raakten gewond. De vierde, Alfred Page Darby, overleed aan zijn verwondingen.

Darby werd tijdelijk begraven in Herford. Later kreeg hij zijn definitieve rustplaats op het ereveld in Holten: Plot IV rij G, graf 4.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25699

©2021 Jan Braakman

Een kwast witkalk om verder onheil te voorkomen

 

Canadees krantenbericht over de dood van Doyle. Bron: Veterans.gc.ca

Een ambtenaar van gemeentewerken liep met een kwast en een pot witkalk langs de Hengeloschestraat in Enschede ter hoogte van textielfabriek Schuttersveld. De ambtenaar opende de pot met verf en doopte de kwast erin. Vervolgens zette hij de kwast tegen een boom die stond op de scheiding van het fietspad en de hoofdweg, waar het autoverkeer reed. Nadat hij de boom van een of meer witte stroken rondom had voorzien, hing hij een lamp op – een rode lamp om de boom in het donker te markeren.

Het was zaterdag 26 mei 1945. De Twentse textielstad was aan het bijkomen van vijf jaar bezetting. Enschede had veel geleden onder tientallen bombardementen van zowel de Duitsers als de geallieerden. Britse en Amerikaanse vliegers zagen de Twentse stad soms aan voor een Duitse plaats en vonden het goed kun bommen daar te laten vallen. De nabijheid van het vliegveld Twente maakte de stad ook tot een doelwit van de geallieerden. Toen na de oorlog de trieste balans werd opgemaakt, bleek dat er meer dan 350 mensen in Enschede om het leven kwamen en tenminste zoveel mensen gewond raakten. Honderden woningen raakten beschadigd, in sommige gevallen onbewoonbaar en onherstelbaar.

Nu was de oorlog voorbij. In de stad was het druk met Canadese soldaten, die af en toe vertier zochten. De avond voordat de gemeenteambtenaar met de witkwast aan het werk was, hielden Canadese officieren een dancing in het pand waar het 4 Coy Corps Military Police was gevestigd (nu Hengelosestraat 76-78).

Trouw, 28 mei 1945. Bron: Delpher.nl

Of het toeval was of een vooropgezet idee dat Warrant Officer Class 2 Walter Doyle en Sgt E.H Manion van het First Canadian Army Troops Workshop Royal Canadian Electrical and Mechanical Engineers op de dancing terecht kwamen wordt uit de bewaard gebleven stukken niet duidelijk. Zeker is dat Doyle en Manion op 25 mei 1945 om negen uur ’s avonds vanuit Hengelo naar Enschede reden. Doyle had, zo zei hij, een afspraak met een collega bij de ADOS Dump (Assistant Director of Ordnances Services), over een reparatie aan een drietonner (Dodge). Eerder die dag hadden Doyle en Manion een gerepareerde Jeep terug gebracht naar de ADOS Dump. Ze hadden gezegd later nog terug te komen.

Toen Doyle en Manion in Enschede aankwamen bleek dat er geen licht meer brandde bij de ADOS Dump. Op weg terug zagen ze dat een dancing gaande was bij het Corps Military Police. Manion herinnerde zich dat ze gestopt waren, hun Austin Utility – kortweg vaak een Tilly genoemd – hadden geparkeerd en met zijn tweeën naar de dancing waren gegaan. De twee vermaakten zich goed, ze haalden drankjes van de bar en bleven tot middernacht. Toen het was afgelopen. Doyle ging naar buiten naar hun voertuig, Manion was zijn baret kwijtgeraakt en zocht nog een half uur, zonder zijn hoofddeksel te vinden. “Ik had bijna de gehele avond gedanst, dus ik was behoorlijk moe”, zei hij. Toen Doyle de auto had gestart, was hij bijna meteen in slaap gevallen. “Het eerste wat ik daarna weet is dat ik in de gewondenopvang lag, de volgende ochtend om ongeveer 11 uur.”

Manion wist niet meer wat er in de tussentijd was gebeurd.

Dat wist soldaat H.B. Madge wel. Hij had het zien gebeuren. Madge liep die nacht langs de Hengelosestraat vanuit de richting Hengelo naar de stad. Hij zag een militair voertuig hem tegemoetkomen. Beide koplampen brandden en de auto reed naar schatting 50 tot 55 kilometer per uur, dacht Madge.

Madge zag de twee bomen en een stalen paal aan links van de straat, tussen het deel waar de auto’s reden en het deel voor de fietsers. De vrachtwagen reed recht op de boom af, zonder snelheid te minderen of te remmen. Met een forse knal kwam het voertuig tot stilstand. Het verwrongen staal van de auto kreunde nog even na. De motor stokte, de boom kraakte. Madge haastte zich naar de plek waar metaal en hout in elkaar vervlochten waren geraakt.

Hij zag twee mannen in de Tilly. De bestuurder leek op slag dood te zijn. Hij lag onderuit op de bestuurdersstoel met zijn hoofd achterover gebogen. Hij staarde naar boven. De bijrijder – ernstig gewond – leefde nog.

G. Heutink, die aan de Hengeloschestraat woonde, was wakker geschrokken van de klap. Vanuit het bovenraam riep hij naar Madge of hij hulp nodig had. “Ik vroeg hem een lantaarn te brengen. Uiteindelijk begreep hij me en kwam hij met een lamp”, zei Madge.

Heutink alarmeerde de politie. Niet de militaire politie, zoals Madge had gevraagd, maar de Enschedese gemeentepolitie.

Ondertussen hield Madge een Canadees militair voertuig aan, bestuurd door een Lieutenant. Madge vroeg hem een militaire ambulance te regelen. De Lieutenant gaf soldaat de opdracht de Canadese soldaten niet te laten beroeren door de Nederlandse politie.

Bijlage uit het proces-verbaal over het ongeluk met een schets van de situatie op de Hengeloschestraat. Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

De Enschedese gemeentepolitie kwam met twee man ter plaatse, de agenten Van der Velde en Groenewoud. Een even later ook een civiele ambulance. Madge weigerde echter de gewonde soldaat met de ziekenwagen te laten vervoeren, in lijn met de opdracht die hij van de Lieutenant had gekregen. De Canadese militaire politie (MP) kwam als laatste bij het ongeluk, maar nam wel meteen de regie over.

Uiteindelijk kwam er ook een ambulance van het 9 Cdn Field Dressing Station. Waarmee Manion eerst naar het Field Dressing Station werd gebracht, om daar te worden doorverwezen naar het Sint Elisabethziekenhuis in Almelo (6 Canadian Casualty Clearing Station). Daar werd Manion de volgende ochtend wakker, zich niet bewust van wat er zich die nacht had afgespeeld. Het stoffelijk overschot van Doyle was later die nacht ook naar Almelo overgebracht, waar werd geconstateerd dat hij een gebroken nek had.

Doyle werd tijdelijk begraven op de algemene begraafplaats in Almelo. Later werd hij herbegraven in Holten: Plot VI, rij A, graf 9.

Fabriekscomplex van Schuttersveld (Van Heek) aan de Hengelosestraat (op de voorgrond van linksonder naar rechts) in Enschede. De Boddenkampstraat ligt buiten het beeld van de foto. Bron: Enschedeinansichten.nl

Voor Heutink was het ongeluk voor zijn huis reden om in actie te komen. Volgens hem was het al de zesde keer in korte tijd dat daar een ongeluk gebeurde. De politie meldde dat er drie eerdere ongelukken waren geweest. Na het vorige ongeluk had hij bij de gemeente geklaagd over de gevaarlijke situatie. Ze hadden hem bij de gemeente beloofd er iets aan te doen. Dat was echter nog niet gebeurd. Tot na dit ongeluk.

Op de ochtend van de zaterdag 26 mei 1945 werd alsnog een witte markering op de boom aangebracht, en een rode lamp.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 25772

©2021 Jan Braakman