Twee broers Forbes

Fred Forbes. Source: Larry Forbes

Emily Taylor was niet voor het geluk geboren. Ze was moeder van vijf kinderen, misschien wel zes – daarover zijn de archieven niet helemaal duidelijk. Na de Tweede Wereldoorlog was haar gezin gedecimeerd. Haar man was weggelopen,  twee zoons waren gesneuveld in het leger, een zoon en en dochter leefden nog en van twee andere kinderen is het lot tot op heden onzeker.

Emily Taylor trouwde in september 1910 op 21-jarige leeftijd met de drie jaar oudere William Gray Forbes. William en Emily kregen vijf kinderen, misschien wel zes.

Er zijn aanwijzingen dat Emily al een dochtertje van een paar maanden had, voordat ze met William in het huwelijk trad.  Na hun huwelijk kregen ze zeker nog drie zoons (Arthur, William en Fred) en een dochter (Dorothy) – volgens één bron was er nog een vierde zoontje (James), dat op jonge leeftijd in 1916 overleed.

Het huwelijk van Emily met William hield twintig jaar stand. Maar in 1930 verliet William haar en zij bleef achter met de toen 19-jarige Arthur, zijn twee jaar jongere broer Fred, de 14-jarige William en de 11-jarige dochter Dorothy.

Arthur ging meer en meer de rol van zijn vader vervullen in het gezin. Zijn moeder was weliswaar geen weduwe, schreef Arthur, maar was wel financieel afhankelijk van hem – ook toen Arthur het leger in ging.

Arthur  George Forbes was in maart 1941 in dienst gekomen bij het Canadese leger. Hij had daarvoor in de kolenmijnen in Alberta gewerkt, net als zijn broer Fred. In oktober 1941 werd hij al overgeplaatst naar het Verenigd Koninkrijk waar hij was ingedeeld bij de Canadese aan- en afvoertroepen (Royal Canadian Ordnance Corps).

Bron: Margaret Rose Gaunt
Bron: Margaret Rose Gaunt

Op 13 augustus 1943 – of het zo moest zijn:  vrijdag de dertiende – hielp Arthur bij het laden van tanks op treinwagons op het rangeerterrein bij het station Brandon.  Op een rustig moment zocht hij samen met zijn maat V. Zaborowski een plek om te plassen. Ze gingen tussen twee vrachtwagons staan die ongeveer twee meter uit elkaar stonden. Opeens ging een van de wagons rijden.  Zaborowski kon zich in veiligheid brengen. Arthur Forbes was minder fortuinlijk. Hij raakte bekneld tussen de buffers van twee wagons.

Hij was nog bij kennis toen hij  naar het ziekenhuis werd gebracht, maar de dokters zagen al snel dat hij er zeer ernstig aan toe was. Hij had gebroken ribben, zijn long was doorboord, hij had interne bloedingen. Binnen vijf uur was Arthur overleden. “Deceased. Accidentally injured while on duty”, werd in zijn dossier genoteerd.

De dood van Arthur werd grondig onderzocht. Uiteindelijk kwamen de legerautoriteiten tot de slotsom dat het een ongeluk betrof en dat niemand echt iets te verwijten viel.

Emily Forbes kreeg als enige erfgenaam een uitkering van ongeveer 490 dollar.

Of de dood van zijn broer een rol speelde bij de beslissing van Fred Forbes om het leger in te gaan vertellen de archieven niet. Wel gaf Fred aan dat hij dezelfde weg op wilde als zijn overleden broer.

Fred Forbes, geboren op 27 juli 1913, was al meer dan zeven jaar getrouwd met Rita Corbitt toen hij in maart 1944 tekende voor het leger. Rita en Fred hadden drie kinderen, drie jongens. Kenneth was de oudste – geboren in 1937, de tweeling Larry en Barry vier jaar jonger.

Hoewel Fred zijn eigen gezin moest onderhouden, droeg hij net als zijn broer ook financieel bij aan het huishouden van zijn moeder met een maandelijkse bijdrage. Fred werd al snel naar Engeland verscheept en in september ging hij als gewoon soldaat bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada naar het front in West-Europa.

Hij moest hard vechten toen zijn regiment samen met het Regiment de Maisonneuve en de Calgary Highlanders via de Sloedam een doorbraak naar Walcheren probeerde te forceren. Het was een zware strijd ten koste van veel gewonden en doden. Alleen bij de Black Watch werden aan het eind van de dag 85 gewonden en doden geteld. Fred had verwondingen aan zijn voet opgelopen. In legertermen was hij licht gewond.

Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Na een maand kon hij terugkeren bij zijn regiment. In april 1945 raakte hij opnieuw betrokken bij zware gevechten, nu bij Laren (Gld). Opnieuw moesten de Black Watch en de Maisonneuves het zwaar ontgelden. Fred werd geraakt, dodelijk getroffen. Killed in action, vermeldt zijn dossier. Zijn drie kinderen zouden hem nooit meer zien. Zijn moeder moest een tweede volwassen zoon missen.

Misschien kwam het nog goed tussen moeder Emily en vader William. Zij liggen zij aan zij op de begraafplaats op Drumheller Cemetery in Alberta. William overleed in 1963, Emily  in 1973.

Fred’s vrouw Rita vond jaren later een tweede liefde, waar ze nog lang het leven mee deelde. In 2007 overleed zij.

Fred werd de dag nadat hij gesneuveld was tijdelijk begraven in Laren (Gld). Later werd hij herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot I, rij E, grafnummer 13.

Fred Forbes’ onderscheidingen. Bron: Larry Forbes

Zijn broer Arthur is begraven in Engeland, op de Canadese afdeling van de militaire begraafplaats in Brookwood. Hij ligt in plot 45, rij E, grafnummer 4.

Omroep Gelderland heeft in 2020 een compilatie gemaakt op basis van bovenstaand verhaal:

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

De vrouw in de boot – wie is zij?

Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947
Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Gordon Hume Hand had nog geen jaar gediend in het Canadese leger toen hij op 5 april 1945 in het Gelderse Laren aan zijn verwondingen bezweek. Hand had de overtocht vanuit Canada naar Engeland gemaakt in november 1944 en in februari werd hij verscheept naar het Europese vasteland om deel te nemen aan de strijd tegen Nazi-Duitsland. Hij was ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Toen hij was gesneuveld werden zijn spulletjes bij elkaar gezocht om op te sturen naar zijn nabestaanden. Hand liet een gouden ring na, een leren portemonnee, een sleutel, wat munten, een krantenknipsel, een dasspeld, een paar brieven, twee ingelijste foto’s en nog een paar losse kiekjes van een jonge vrouw.

De foto’s van de vrouw zitten nu, na zoveel jaren, nog steeds in zijn dossier. Waarschijnlijk gaat het om een vrouw van wie zijn familie ook niet wist wie het was.

Toen Gordon Hand het leger inging maakte hij niet de indruk een rokkenjager te zijn. Op luitenant Gaston Fateux maakte Gorden een wat verwijfde indruk. “Hand is een slimme jongeman, van gemiddelde lengte”, schreef Fateux na de eerste kennismaking. “Zijn manieren zijn een beetje verwijfd. Hij is beleefd en bereidwillig, hij is vrijgezel en de vijfde in een gezin met zes kinderen Hij heeft geen klachten.”

Of Gordon de vijfde of de vierde was in het gezin, was een beetje moeilijk te bepalen. Hij was een van een tweeling.  Hij werd in het Sherbrooke Ziekenhuis geboren, samen met zijn broer John Windsor.

Toen hij in mei 1944 het leger inging had hij een groep vrienden, maar hij ging met niemand intiem om, vertelde hij. Verkering had hij niet, en ook niet gehad. Hij hield niet van sport, niet om het te doen en ook niet om te kijken. Al zou hij nooit nee zeggen, als hem gevraagd werd mee te doen. Maar liever ging hij dansen of luisteren naar populaire muziek, of lezen.

Toen Gordon overleed had hij een paar kiekjes bij zich van een jonge vrouw. Ze had donker golvend haar en zag er volwassen uit. Een van de snapshots van haar toont de vrouw zittend in een bootje op een meer of een brede rivier – waarschijnlijk in Canada. Het is nog fris, de bomen zijn niet in het blad en de vrouw draagt een nette overjas over haar lichte jurk met een kanten kraag.

Achterop de foto staat een aanwijzing: Photo Club – Magog Que. Zou Hand met deze vrouw een boottochtje hebben gemaakt op Lake Magog, bij de plaats Magog in de Canadese provincie Quebec? Was zij de vrouw aan wie hij zijn hart had verpand? Magog was de plaats waar vader Urban Archibald Hand en moeder Kathleen Mary Josephine Dickson elkaar het jawoord hadden gegeven.

Wie de vrouw is vertelt het dossier niet. Was zij een van de vele ongenoemde ongetrouwde weduwen die hun geliefde niet zagen terugkomen?

Hand was 18 toen hij het leger inging. Hij was nog geen 20 toen hij op 5 april sneuvelde in Laren. Daar kreeg hij een tijdelijk graf. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar een definitieve rustplaats op de Canadese Begraafplaats in Holten: plot I, rij E grafnummer 16.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

Vier casualties op 1 april 1945

Bake

De Britse militairen Ernest Frederick William Bake, William John Harrison en Edward Charles Nicholas  maakten deel uit van het 4th Somerset Light Infantry Regiment dat op 1 april 1945 in alle vroegte in Ruurlo arriveerde bij het kasteel.

Het regiment was in de veronderstelling dat Huize Ruurlo dienst deed als ziekenhuis – vanwege een Rode-Kruisvlag. Maar onverhoeds werd hun voertuig beschoten.  Bake en Nicholas lieten daarbij waarschijnlijk direct het leven. Harrison was zwaar gewond.

De twee gesneuvelde militairen kregen een voorlopige rustplaats in Ruurlo, vlakbij het kasteel.  De later aan zijn verwondingen bezweken Harrison werd begraven bij De Dennemaat in Ruurlo (“corner of field by farmhouse”, vermeldt het graves concentration report form). 

Een dag later,  2 april 1945, kwam ook de Canadese trooper Clarence Lorensen van het South Alberta Regiment om. Ook zijn stoffelijk overschot werd bijgezet op de tijdelijke begraafplaats bij Kasteel Ruurlo.

Vlakbij hen lag de al in 1944 omgekomen Brit John Smith van het Parachute Regiment.  Hij verongelukte op 18 september 1944. De Britten Smith, Bake en Nicholas liggen nu gebroederlijk naast elkaar in dezelfde rij op de Canadese Begraafplaats in Holten. Plot IV, rij B, nummers 3, 4 en 5.

Lance Serjeant Bake was als wees opgegroeid. Zijn vader sneuvelde tijdens de Eerste Wereldoorlog.  Vader Bake ligt begraven in Ieper (zie foto boven).

Lorensen ligt evenals de drie Britten in Holten begraven. Hij ligt in plot 10, rij H, nummer 5.  Harrison is begraven op Jonkerbos War Cemetery in Nijmegen, plot 14, rij E, nummer 1.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

©2016 Jan Braakman

Duitser die tegen de Duitsers vocht

Bron: Ancestry.ca
Bron: Ancestry.ca

Robert Halbgewachs was Duitser van geboorte, maar hij vocht tegen de Duitse overheersing en moest dat met zijn leven bekopen in Nederland.

Robert Halbgewachs Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats, Holten

Halbgewachs ligt begraven op de Canadese begraafplaats in Holten.  Halbgewachs maakte deel uit van het Lincoln and Welland Regiment.  Hij sneuvelde op 3 april 1945 bij Delden (Overijssel). Een dag later zou hij jarig geweest zijn. Hij was geboren op 4 april 1923.

In Delden werd hij tijdelijk begraven.  Later werd hij herbegraven in Holten.

De ouders van Robert Halbgewachs ouders emigreerden in de jaren ’20 naar Canada, nadat ze eerst in Duitsland waren getrouwd.  Zijn vader Gottlob Halbgewachs arriveerde op 28 maart 1924 in Canada met het passagiersschip Montrose.  Gottlob Halbgewachs was boer geweest in Buoch, een plaatsje in Württemberg.  Gottlob wilde zijn geluk beproeven in Canada. Een vriend van hem was hem voorgegaan: Ferdinand Unger, die in Saskatchewan verbleef. Op zijn ‘Declaration of Passenger to Canada’ (zie foto hierboven) schreef Gottlob dat het zijn bedoeling was om als boer op een boerderij te werken, maar dat hij niet van plan was in Canada te blijven.

Dat liep anders. 

Een jaar later (op 12 april 1925) kwam ook zijn vrouw en zoon Robert naar Canada, met het zelfde schip.  Emma meldde dat zij naar haar man ging, die inmiddels in Kingsville in Ontario woonde. Gottlob werd herenigd met zijn vrouw en zoon Robert.  Het gezin breidde zich uit.  Gottlob en Emma kregen nog zeven kinderen: John, David, Mary, Dorothy, Hanna en Freida. Dochtertje Elsie kwam als baby te overlijden. Vader Gottlob ging zich Carl noemen. Ze bouwden een bestaan op in Cottam, Essex County, Ontario. Gottlob (Carl) werkte als boerenknecht. Robert leek dezelfde weg op te gaan, al had hij ook veel interesse in auto’s. Toen hij het leger in ging zei hij dat het zijn hobby was auto’s te repareren.

In 1937 kreeg Robert een ongeluk met een auto, waarbij hij schedelletsel opliep. Daar had hij geen hinder meer van toen hij zich zes jaar later meldde voor de dienst. 

In 1936 waren vader en moeder Halbgewachs genaturaliseerd. Toch was de Duitse komaf van Robert nog wel een punt van aandacht, toen hij in het leger was.  In 1943 werd Robert beoordeeld op de vraag of zijn gedrag wel goed was.  De beoordelend luitenant  J.H. Erwin meldde dat  “there is no reason to think his attitude is not British.  He likes soldiering, especially Recce Training.” Zijn commandant noemde hem een “well liked and good soldier”.

Robert  werd op 14 oktober 1944 vanuit Canada verscheept naar Groot Brittannië.  Na een korte periode van acclimatiseren en trainingen, mocht hij op 5 januari 1945 werkelijk deelnemen aan de bevrijding van West-Europa. Hij was chauffeur  en monteur bij het Lincoln and Welland regiment. Dat duurde tot 3 april, toen hij sneuvelde bij de oversteek van het Twentekanaal in Delden. Robert Halbgewachs ligt in Holten in plot IX,  rij G nummer 6.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

Harrie Hekelaar kwam een beetje thuis

Harrie Hekelaar. Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats

Harrie Hekelaar was een van de vele boerenjongens die in de Tweede Wereldoorlog als soldaat geld ging verdienen. Het waren zware tijden op het Canadese platteland. Het leger had mensen nodig en betaalde. Harrie besloot op 11 oktober 1941 te tekenen voor het Canadese leger.

Zijn vader was in 1914 vanuit Nederland naar Canada geëmigreerd.  Wim Hekelaar vestigde zich in de Canadese provincie Saskatchewan,  in het plaatsje Meskanaw. Daar trouwde hij in 1916 met Minnie van Dort, ook van Nederlandse komaf.  Minnie en Wim kregen vier kinderen:  John, Harrie, Susanne en Annie.

Harrie, de tweede zoon, werd geboren op 13 februari 1919. Hij diende zich eind 1941 aan bij het leger. Begin maart 1942 werd hij in Engeland gestationeerd, waar hij de parachutistenopleiding kreeg.  Uiteindelijk werd hij ingedeeld bij de paratroepen, het 1e Canadese Para Bataljon.

Harrie ontmoette begin 1943 een aardig meisje, de 22-jarige Frances Tanfield. Na drieënhalve maand vroeg Harrie toestemming te trouwen met Frances, bij de legerleiding.  Die had na enig beraad geen bezwaar en zo werden Frances en Harrie in juli 1943 in de echt verbonden.

Hij zat in het leger, zij woonde bij haar moeder.  Toen in 1944 de geallieerden landden op de kust in Normandië,  hoefde Harrie niet mee.  Hij bleef in het Verenigd Koninkrijk zijn oefeningen doen. Eind maart 1945 werd de finale doorbraak geforceerd met de sprong over de Rijn (operatie Varsity).  Dat was het moment voor Harrie om in actie te komen.  Amper een week was hij op het Europese vasteland toen hij samen met zijn maten werd gedropt boven Duits gebied.  De strijd werd Harrie fataal. Hij sneuvelde op 4 maart 1945.

Zijn stoffelijke resten werden bijgezet op een tijdelijke begraafplaats in Bissendorf (Duitsland), vlakbij de katholieke kerk. 

Toen zijn vrouw bericht kreeg van de dood van haar man, stuurde ze een brief naar de Canadese autoriteiten.  “Ik hoop dat het niet te veel gevraagd is”, schreef ze,  “maar kan mijn man niet in Nederland begraven worden, omdat zijn moeder en zijn vader daar allebei vandaan komen?”

Ondertussen vertrok Frances naar haar schoonfamilie in Saskatchewan.  Ze kreeg nog het welgemeende advies om daarvan af te zien, omdat het dorpje Meskanaw in Saskatchewan nog behoorlijk primitief en zeer afgelegen was.  Frances ging en ze leek het ook goed te hebben. Maar na twee jaar ging ze toch terug naar Engeland, waar ze trouwde met Raymond Colbourne. Ze overleed in 1976 op 56-jarige leeftijd.

Haar man is, zoals ze graag wilde, herbegraven in Nederland,  toch een heel klein beetje thuis. Hij ligt op de Canadese begraafplaats in Holten, plot 12,  rij H, nummer 4.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

Drie broers Pilon, twee gesneuveld

Bron: Service Files of the Second World War - War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa
Bron: Service Files of the Second World War – War dead, 1939-1947, Library and Archives Canada Ottawa

Armanda Pilon moet veel verdriet gehad hebben. Haar man verloor ze nog voor haar vijftigste, in augustus 1936. En toen het oorlog werd in 1940 gingen haar drie zoons het leger in: Philippe, Jean Paul en Gerard.

Toen de oorlog voorbij was keerde alleen Jean Paul terug. Philippe en Gerard hadden het leven gelaten.

Philippe was gunner bij de Royal Canadian Artillery, 72nd battery. Samen met zijn broer maakte Gerard maakte hij de overtocht van Canada naar Groot-Brittannië in september 1943. Philippe was het leger ingegaan in november 1941. Een jaar later had hij er schoon genoeg van en nam hij de biezen, met medeneming van een deel van zijn uitrusting. Hij stond te boek als deserteur. Na een maand keerde hij op zijn schreden terug en meldde hij zich bij de legerbasis.

Zijn ongeoorloofde afwezigheid bleef niet zonder gevolg. De Court of Inquiry bestrafte hem met 40 dagen ‘zwaar’ en een boete. Net voor kerst 1942 kwam hij vrij uit detentie, hij had toen 30 dagen van zijn straf uitgezeten.

Zijn broer Gerard maakte het niet zo bont, al moest ook hij een keer op de blaren zitten omdat hij een paar dagen was weggebleven zonder toestemming. Gerard en Philippe gingen gelijktijdig naar Frankrijk, beiden op 5 juli 1944. Philippe als gunner, Gerard zat hij de 18th Canadian Field Ambulance. Daar kwamen ze beiden in zware gevechten terecht. Op 8 augustus 1944 kreeg Philippe een hevige aanval van de Duitsers te verduren als gevolg waarvan hij overleed. Het Canadese leger stuurde moeder Armanda een telegram met het trieste nieuws. Philippe werd begraven op de Canadese militaire begraafplaats Bretteville-sur-Laize in Frankrijk, plot X, rij H, graf 12.

Gerard ging op 9 augustus gewond terug naar het Verenigd Koninkrijk waar hij herstelde. Na zijn herstel werd hij ingedeeld bij het Regiment de Hull, om enige tijd later te worden overgeplaatst naar het eveneens Franstalige Regiment de Maisonneuve.

Met de Maisonneuves stak hij begin april bij Almen het Twentekanaal over om te helpen bij de bevrijding van Laren. Gerard overleefde de onverwachts lastige gevechten bij Laren niet. Op 5 april sneuvelde hij. Hij kwam om toen de Duitsers plotseling begonnen te vuren, terwijl hij en zijn maten dachten dat de kust veilig was. Tegelijk met hem sneuvelde  Arman Gionet. Zijn verkoolde lichaam werd aangetroffen bij de afgebrande boerderij Klein Veldkamp in Laren. Een dag later werd hij bijgezet in een tijdelijk graf langs de weg op de hoek van de Scheggertdijk en de Oude Azinkdijk bij Almen. Gerard was de zesde in een rij van zeven graven. Hij lag tussen zijn maten, allemaal jongens van hetzelfde regiment, allemaal gesneuveld op 5 april 1945 bij Laren: Fernand Baril, Amede Letourneau, Edgar Ross, Wellie Bertrand, Roger Dufort  en Armand Gionet. Ze liggen nu gebroederlijk naast elkaar op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot II, rij E. Gerard heeft grafnummer 15.

©2016 Jan Braakman

Spijt. Spijt, dat we zo lang wachtten

Foto: Privé collectie
James George Todd Foto: Privé collectie

In 1994 maakten Riek de Greef-Koeslag en Henk de Greef een ritje vanuit hun woonplaats Ayton in de Canadese provincie Ontario. Hun doel was Paris, zo’n 130 kilometer ten zuiden van hun woonplaats en ongeveer 120 kilometer ten westen van Toronto.  Ze hadden een briefje bij zich met een naam: Todd, James George. Ze waren op zoek naar familie van deze Todd.

In Paris aangekomen stopten ze bij de eerste telefooncel en keken in het lokale telefoonboek. Ze pleegden een paar telefoontjes.  Een van de mensen die ze aan de lijn kregen vertelde dat ze in Brantford moesten zijn: een ritje van 15 kilometer. Daar aangekomen volgden ze dezelfde procedure:  de telefooncel in en het telefoonboek doorpluizen. Ze kregen via via het adres van Bertha Hawkins, een zuster van Todd. Zij woonde in Brantford.

Aanleiding voor de zoektocht was een brief die Riek en Henk hadden gekregen van Rieks broer in Nederland.  Of ze op zoek konden gaan naar familieleden van de jongens die gesneuveld waren bij de bevrijding van hun dorp Laren in Gelderland. Er zat een lijstje met twaalf namen bij, meer niet. Twaalf Canadese jongens waren omgekomen binnen een kilometer vanaf de plek waar Riek destijds woonde. Riek en Henk waren inmiddels naar Canada geëmigreerd. Haar broer en zijn familieleden wilden de gesneuvelde jongens in Nederland herdenken.

Riek en Henk namen contact op met de Commonwealth War Graves Commission. De CWGC kon alleen de woonplaatsen geven van de gesneuvelde jongens en daarmee waren ze op pad gegaan. Paris was het dichtst bij geweest. Al die andere jongens kwamen van plaatsen uit heel Canada, te ver om met een auto af te rijden.

James George Todd was op 8 december 1908 geboren in Paris, Ontario. Hij was bijna 35 jaar toen hij zich op 14 oktober 1943 inschreef bij het Canadese leger.

Tot zijn dertiende ging hij naar school. Daarna mocht hij  aan het werk, geld verdienen. Eerst thuis op de boerderij,  waar hij de oudste was in een gezin van vier jongens en twee meisjes – ze waren allemaal volwassen toen hij voor het leger koos. Zijn moeder was overleden toen hij zeventien was.

James werkte als boerenknecht, deed aan machineonderhoud, werkte bij het aanleggen van wegen en de laatste drie jaar voor hij het leger in ging was hij brandweerman.

Toen hij tekende voor het leger werd hij beschreven als een ‘ongetrouwde man met een gemiddelde bouw’. Hij was niet groot:  1,68 meter en woog 63 kilo.  Zijn intelligentiescore was lager dan gemiddeld, maar in de ogen van zijn beoordeler bevredigend. 

Todd was geen spraakzaam type.  Hij was geen sportman en besteedde veel van zijn tijd in boeken, vooral over bouwkunde.

Tien dagen na D-Day, op 17 juni 1944 werd hij met zijn kameraden verscheept naar Engeland om in Europa mee te vechten. Het werd voor hem serieus toen hij op 24 september  1944 naar Frankrijk werd overgebracht.  Hij maakte deel uit van de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.  Op 31 oktober van dat jaar,  rond drie uur in de middag werd zijn eenheid zwaar beschoten. Een paar meter van hem vandaan  sloeg  een 88-millimetergranaan in. Houtsplinters vlogen in het rond. James viel gewond neer en werd afgevoerd.  In zijn dossier kwam te staan dat hij was omgekomen. Dat werd de zelfde dag nog gecorrigeerd in:  vermist.

Maar hij was niet vermist.  Todd lag in het ziekenhuis. Hij had vleeswonden aan nek, oor, gezicht en zijn rechterhand. Zijn neus lag open, zijn oor was gerafeld, hij had een nekwond,  hij had een verwonding tussen de duim en de wijsvinger aan zijn rechterhand.  De dokter haalde twee behoorlijk grote houtsplinters uit zijn hand. James ging terug naar Engeland, waar hij kon herstellen van zijn verwondingen. Hoe vervelend de verwondingen ook waren, in legertermen was James lichtgewond. Na zijn herstel was hij weer inzetbaar.

En dat gebeurde op 18 maart 1945. James Todd  kwam terug bij de Black Watch en trok op naar het noorden van Nederland.  Begin april was hij betrokken bij de bevrijding van de Achterhoek.  Op 5 april kreeg hij in het Gelderse Laren te maken met zware tegenstand.  Hij werd getroffen – nu zwaarder dan de vorige keer.  Hij was op slag dood.

Op diezelfde dag, bij de bevrijding van Laren, zochten Riek Koeslag, haar broers en zussen en haar moeder samen met de buren een veilige plek in een stenen kelder bij de buren.  Toen de Canadezen kwamen dachten ze dat ze bevrijd waren. Maar toen ze de kelder uitkwamen begon het schieten opnieuw.  Rieks moeder werd daarbij dodelijk getroffen. Todd werd op 6 april 1945 begraven in een tijdelijk graf in een boomgaard in Laren, Rieks moeder werd bijgezet op de algemene begraafplaats in Laren. Op haar steen kwam later de vermelding dat haar man het leven had gelaten in een concentratiekamp in Duitsland – maar dat zou pas een paar maand later blijken.

Todd kreeg zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten:  plot I, rij E, graf 10.

Geëmigreerd naar  Canada, en bijna 50 jaar later ging Riek met haar man op zoek naar de nabestaanden van James Todd. Ze kwam uit bij Marilyn Purvis, een nichtje (oomzegger) van Todd.

Waarom? Waarom al deze moeite?, vroeg Marilyn Purvis.  “We did this because we are forever grateful to all the men and women who came  from overseas and paid the ultimate price to free us from the Nazi oppression so that we could once again live in freedom and peace. Our only regret is that we waited so long to do it.”

©2016 Jan Braakman

Omroep Gelderland maakte in 2020 de volgende compilatie over James George Todd:

Edgar, hij was een geweldige soldaat

Edgar Ross. Bron: Yves Ross

Het was bijna oudjaar en Edgar Ross, een negentienjarige soldaat bij het Royal Canadian Ordnance Corps van Canadese leger, dacht dat hij wel een voorschot kon nemen op de jaarwisseling. Hij had verlof en zat in de trein onderweg van zijn legerplaats Barrieville via Brockville naar zijn ouderlijk huis in Ste Rose du Degale in de Canadese provincie Quebec.

Edgar nam het er goed van. De alcoholica vloeide rijkelijk. Zo rijkelijk dat Edgar zich er niet helemaal bewust van was wat hij deed.

Wat er precies gebeurde op die 29e december 1942 is niet in de annalen vastgelegd, maar het moet een bloederig tafereel geweest zijn. Niemand had gezien hoe Edgar Ross met zijn hand door het raam van de trein was gegaan, en hoe hij precies gewond was geraakt.

Sergeant L.G. Walton maakte rapport op van de gebeurtenis. Hij schreef dat de ‘verwonding klaarblijkelijk was veroorzaakt toen de soldaat met zijn hand door het raam ging, terwijl hij onder de invloed was van alcohol’. Maar, schreef Walton, “ik heb geen getuigen kunnen vinden, die gezien hebben dat hij met zijn hand door het raam ging.”

Ross werd uit de trein gehaald en op het perron opgevangen door een politieman en twee verpleegsters. Die riepen de militaire autoriteiten erbij: J. Porteous van de militaire politie en sergeant Walton.

Walton zag dat de rechterhand er niet goed uitzag. En Ross was zo verzwakt dat Walton een taxi bestelde om de soldaat naar het ziekenhuis te vervoeren. Daar werd Ross aan zijn wond behandeld. Er moesten een paar hechtingen worden aangebracht, meldt het medisch dossier van Ross. De volgende dag kon hij zijn reis voortzetten. Ross kon zich niet herinneren wat er was gebeurd en waarom zijn hand helemaal onder het bloed zat, verklaarde hij later.

De familie Ross. Bron: Yves Ross

Thuis was het een drukte van belang. Ross was het tweede kind in een rij van dertien. Hij had een oudere zus, Georgette en en vijf jongere zussen, en vijf jongere broers. Zijn moeder was in verwachting van de dertiende: dat zou een jongen worden.

Het incidentje met de hand was niet de eerste keer dat Edgar in het ziekenhuis belandde. De eerste keer was echter van een geheel andere orde. Hij moest behandeld worden aan een vervelende oogontsteking. De behandeling duurde veertig dagen – in het ziekenhuis.

Bijna drie jaar deed Edgar Ross dienst in zijn eigen land. Maar op 29 april 1944 werd hij toch ‘overseas’ gestuurd. Na een klein half jaar acclimatiseren en trainen in Engeland, werd hij naar Frankrijk gebracht. Hij maakte aanvankelijk deel uit van het Regiment de Hull, maar werd later overgeplaatst naar het Regiment de Maisonneuve.

Begin april stak hij bij het Gelderse Almen het Twentekanaal over om vandaar via Laren noordwaarts te trekken. De tegenstand bij Laren was onverwachts fel. Edgar Ross sneuvelde op 5 april, net als een aantal van zijn maten.

Zijn oom Gérard was erbij toen Edgar neerviel. Gerard was ook ingedeeld in het Régiment de Maisonneuve en hij en zijn neef hadden een bijzondere relatie opgebouwd. Gérard schreef de volgende dag een brief aan zijn broer John – de vader van Edgar. Hij kon nauwelijks woorden vinden voor wat er was gebeurd. Een paar weken later, toen de oorlog officieel ten einde was, stuurde hij opnieuw een brief – met een nog uitgebreider verslag van wat er was gebeurd en hoe zwaar het was.

Mijn lieve broer,

Je luchtpost van de dertiende april is net aangekomen. Dit bericht is vertraagd en ik begrijp de oorzaak niet. Toch kwam de informatie waar je om vroeg niet lang nadat deze brief was verzonden, omdat ik je een lang bericht stuurde op 7 april, twee dagen na de dood van Edgar.

Ik dacht niet dat een bericht van Ottawa zo snel naar je toe zou komen. Daarom schreef ik aan zuster Gérard en de curé de Ste-Anne om je het vreselijke nieuws te vertellen, omdat ik je niet meteen wilde schrijven uit angst om te onhandig te zijn in mijn woorden. Ik was bang om je te veel pijn te doen, mijn lieve John.

Je zult mijn grote gevoeligheid excuseren. Ik ben zo gemaakt, mijn broer, ik geloof dat we allemaal zo zijn. We hebben het zachte en gevoelige hart van onze moeder geërfd. Het is geen fout om zo gemakkelijk toegankelijk te zijn voor pijn. Ik ben misschien mijn boodschap vergeten. Als je meer details wilt, vraag me dan, John, en wees er zeker van dat ik al je vragen zal beantwoorden, al is het maar om je een beetje te troosten en om vrede in je vaderhart kan brengen.

Laat me je dit vertellen, John: wees trots op je vent. Hij was een geweldige soldaat, dapper en dapper. Iedereen die hem uit de strijd heeft gezien houdt hem een ​​grote verering. Vaak praten de jongens van de D-compagnie er met me over. Zijn naam zal worden vereeuwigd in het Régiment. Majoor Robert, zijn compagniescommandant, die mijn verzoek weigerde om Edgar over te plaatsen, was erg bedroefd en hij verontschuldigde zich. Hij heeft me erover verteld; wat kon ik zeggen. Het was te laat. Het kwaad was geschied.

In de avond voor de aanval, had hij een voorgevoel dat hij de strijd niet zou afmaken. Hij heeft me erover verteld. Ik sprak hem moed in, maar toch was ik ongerust. Een paar minuten voordat hij sneuvelde, lagen we onder het vuur van vijandige machinegeweren. Ik was erin geslaagd met majoor Robert een huis binnen te gaan; Edgar was in een greppel langs de weg gebleven met luitenant Racicot. Toen er even rust was, ging ik naar buiten om hem in de sloot te zien; hij was nerveus en een beetje ontmoedigd. Ik smeekte hem de greppel te verlaten om naar het huis terug te keren waar ik was; hij weigerde. Ik zal mijn plicht doen tot het einde, zei hij, en hij zei tegen mij: stel jezelf niet voor niets bloot, Gérard. Nee, verlaat me. Ik moedigde hem aan en hij beloofde voorzichtig te zijn.

Toen liep hij verder aan de linkerkant van de weg en ging hij naar rechts. . . . en hij viel daar. . . . nauwelijks tweehonderd meter. . . . . Hij heeft niet geleden. De dood was onmiddellijk. Toen ik hem aan de kant van de weg vond, met zijn gezicht naar beneden, zag ik hem weer en hield hem vast, zijn schouders op mijn schoot, zijn hoofd op mijn arm, hij was dood. In mijn benauwdheid sprak ik met hem, maar hij gaf geen antwoord.

Ik moest mijn zenuwen in bedwang houden; wat heb ik daar geleden. De kogels, granaten en mortierbommen barstten om ons heen. Ik bleef onverschillig. De pijn had me in de greep. Het was vreselijk, John, verschrikkelijk, en de dood zou op dat moment lief voor me geweest zijn.

Ik bleef bij hem. Hoe lang? Ik weet het niet. Aan het einde kwam er een vriend. Ik nam mijn dierbare neef in mijn armen en nam hem mee naar een loopgraaf in de buurt daar. Ik wilde niet dat een granaat zijn lichaam zou raken of dat zijn lichaam vermorzeld zou worden door een voertuig of een tank die over hem heen reed. Ik deed zijn stalen helm af, die ik op zijn “stengun” zette, in de grond geplant om de plaats te markeren en ik ging naar de majoor die naar mij vroeg.

Daar moest ik werken; ik moest het doel vaststellen om de moffen te bestoken met mortieren. Ik vocht door tot in de middag toen de Black Watch ons kwamen aflossen en een nieuwe aanval inzetten.

Ik was uitgeput; ik kon mijn zenuwen niet langer in bedwang houden. Dus ik werd geëvacueerd naar achter de frontlinie. Ik kreeg wat te eten en sliep bijna vierentwintig uur. Toen ging ik terug naar mijn peloton.

De volgende dag ging ik naar Padre (de kapelaan) en hij nam me mee naar de tijdelijke begraafplaats waar Edgar rustte. Ik knielde bij zijn graf en bad. Ik denk dat zijn lichaam zal worden herbegraven als de oorlog voorbij is. We zullen een kerkhof maken voor alle gevallen Canadezen in Nederland, zoals de Padre me gisteravond vertelde. We hebben een goede Padre. Hij heeft goed werk geleverd tijdens de vijandelijkheden. Hij werkte zo dat degenen die sterven zo veel mogelijk verzameld worden om ze later beter te kunnen vinden. De andere eenheden begraven hun doden waar ze vallen. Het is nogal verspreid en velen zullen, geloof ik, nooit worden gevonden, terwijl wij, de Maisonneuve, de onze gemakkelijk zullen terugvinden.

Nu is de oorlog voorbij. We komen eruit als winnaars ,. . . maar tegen welke prijs? mijn God, laten we hopen dat er nooit meer oorlog zal zijn. . . . zo onmenselijk en wreed, vooral met moderne wapens tegenwoordig.

Ik zal spoedig naar Canada terugkeren en ik zal je bezoeken; we zullen er nog een keer over praten, mijn lieve John. Het zal een genot zijn om elkaar weer te ontmoeten, maar helaas! Ik zal niet het grote geluk hebben om je zoon terug te brengen, zoals ik altijd had gehoopt. Het zou de beste dag van mijn leven zijn geweest. Ik verdiende het niet om zo’n geluk te kennen.

Wees dapper, mijn lieve broer. Troost jezelf met diegenen die aan jou zijn toevertrouwd. Je hebt anderen om lief te hebben en die je omringen met tederheid. Ze hebben je allemaal nodig. Wees sterk en moedig, zoals je eerder was, voor hen. . . Edgard zal onsterfelijk blijven in onze herinnering. Moge de herinnering aan hem niet bitter maar zoet en teder zijn met de hoop hem op een dag te mogen vergezellen.

Goedenavond, grote broer. Ik wens je het allerbeste. Kom terug om te praten als je me nodig hebt. . . Ik hoop tot snel, in ons eigen land. . .

Je soldatenbroer die van je houdt,

Gérard

Detail militaire stafkaart (Zutphen, Sheet 5, 1:50.000, War Office)

Edgars ouders kregen officieel bericht dat hun zoon met militaire eer was begraven in een tijdelijk graf bij Almen. Er was een kaart bij gedaan om de plek te markeren. Daar lag Edgar: onder de letter J van Scheggertsdiju, zoals de dossiers de naam verbasterden. De tijdelijke begraafplaats lag op de hoek van de Scheggertdijk en de Oude Azinkdijk bij Almen. Daar lagen zeven jongens van Edgars regiment. Edgar was de tweede in de rij. De zeven werden begraven op 6 april 1945. De dag dat Edgar zijn 22e verjaardag had willen vieren.

De ouders van Edgar voerden nog een correspondentie met het leger, omdat Edgar als private werd aangeduid, terwijl hij in januari toch echt was bevorderd tot korporaal. De opmerkingen van John Ross werden opgemerkt en Edgar kreeg op zijn graf de rang die hem toekwam.

Ross is herbegraven op de Canadese begraafplaats in Holten. Hij ligt in plot II, rij E, grafnummer 10.

Met dank aan Yves Ross

©2016 en 2020 Jan Braakman

Vida Nightingale wilde de auto

Foto: findagrave.com
Foto: findagrave.com

Chesley Edwin Nightingale was niet de vlotste. Klein van stuk was Chesley: 1,63 meter en hij woog 60 kilo schoon aan de haak. Hij was voorkomend, schoon, gezond; hij had blauwe ogen en bruin haar – en misschien was dat wel wat hem aantrekkelijk maakte voor Vida, zijn vrouw. Vida en Chesley trouwden op 18 juni 1940.

Chesley was geboren op 28 januari 1915 als jongste in een gezin van vier. Hij had twee oudere broers en een oudere zus. Een van zijn broers, Claude, zat in het leger.

Chesley was niet de slimste. Hij doorliep weliswaar de basisschool, maar bleef een paar keer zitten. Maar in sport kon hij uitblinken. Als ijshockeyer schopte hij het redelijk ver in de jeugdteams. En ‘s zomers speelde hij graag honkbal of voetbal. Toen hij wat ouder werd, en serieuzer, zette hij zich in voor de kerk.

Hij werkte als houtbewerker bij Hill Clark Francis Ltd in New Liskeard, zijn woonplaats, voordat hij zich aanmeldde voor het leger.

Hij werd beoordeeld als enigszins langzaam en terughoudend, maar wel hardwerkend en standvastig. Hij leek geschikt om bij de artillerie te gaan. Zelf wilde hij liever bij de infanterie, maar de vooruitzichten daarvoor leken niet zo goed. Misschien zou hij niet voldoen, meende zijn kapitein R.A. Wendt. Toch kwam hij uiteindelijk wel bij de infanterietroepen terecht. Hij werd ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada.

Toen hij op 13 oktober 1943 tekende voor het leger bleven zijn zoontje (twee jaar) en zijn dochtertje (twee maanden) achter bij hun moeder Vida Nightingale. In de zomer van 1944 kreeg Chesley bericht dat hij zou worden verscheept naar Europa. Hij kreeg voor zijn vertrek nog verlof om van zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zus en zijn ouders afscheid te nemen. Toen zij hem in augustus 1944 uitzwaaiden, realiseerden ze zich dat het een definitief afscheid zou kunnen zijn, al hoopten ze dat natuurlijk niet.

Veel tijd om in Europa te wennen kreeg hij niet, want al binnen een maand nadat hij in Engeland was aangekomen, werd hij verplaatst naar het strijdtoneel in Frankrijk. In april 1945 stak hij met zijn regiment het Twentekanaal over en trok in noordelijke richting naar het dorpje Laren. De zware tegenstand werd hem fataal. Nightingale werd dodelijk getroffen. Hij sneuvelde op 5 april 1945.

Hij werd tijdelijk begraven in een boomgaard aan de Zutphenseweg, net buiten het dorp. Zij vrouw kreeg bericht van zijn dood. In een envelop ontving ze zijn schamele bezittingen: een klokje, een Waterman vulpen, een zegelring, een zilveren polsketting, een zwarte portefeuille, 17 souvenir-munten, 2 Engelse munten, een foto, een rijbewijs en een auto-vergunning.

Dat laatste, die autovergunning, was nog wel van belang voor zijn echtgenote, blijkens een brief die zij amper drie weken na zijn dood schreef aan de militaire autoriteiten. Vida had er wel vertrouwen in dat de levensverzekering goed zou worden afgehandeld. Maar hoe moest dat met de Plymouth Sedan uit 1937, die Chesley in 1937 nieuw had gekocht en waarvan zijn vader een derde had betaald?

Chesley had het onderhoud van de auto steeds betaald en hij had er een radio ingebouwd, schreef Vida. Maar zijn vader en haar man deelden de auto. Toen haar man het leger in ging nam zijn vader bezit van de Plymouth Sedan. Vida zou nu graag de eigenaar worden van de auto. Ze wilde haar schoonvader daarvoor wel betalen. Maar wisten de militaire autoriteiten hou dat moest worden aangepakt?

De brief van Vida aan het Canadese ministerie van defensie is bewaard gebleven. Of het ministerie ook een advies gegeven heeft, vermeldt het dossier niet.

Hoe dan ook, Chesley werd ondertussen van zijn tijdelijke graf verplaatst naar een definitief graf op de Canadese begraafplaats in Holten: plot II, rij E, grafnummer 2.

Omroep Gelderland maakte in april 2020 een compilatie van het leven van Chesley Edwin Nightingale.

©2016 Jan Braakman

Een pientere man, die moeite had met lezen

Leslie Williams in 1945, ergens in Nederland bij kinderen van een bevrijde familie. Bron: Informatiecentrum Canadese Begraafplaats, Holten

Leslie Williams (geboren 21 september 1911 in Londen) was eigenlijk geen Brit meer toen hij in maart 1944 het Canadese leger inging. Hij was als dertienjarige in 1925 naar Canada geëmigreerd en had sindsdien een carrière als boerenknecht opgebouwd.

De lagere school had hij niet afgemaakt; wegens ziekte, zei hij toen hij in dienst ging. Als twaalfjarige had hij acute reuma gehad. Op de intelligentietests scoorde hij laag, maar dat had minder te maken met zijn intelligentie, dan met zijn moeite met lezen.

Omdat hij zo weinig op school had gezeten had hij zowel moeite met schrijven als met lezen. Schriftelijke tests deed hij maar matig, maar als hem mondeling vragen gesteld werden of hem dingen werden uitgelegd, bleek hij een stuk slimmer. Hij deed flink zijn best zijn tekortkomingen te compenseren, zo bleek later ook tijdens de oefeningen waar hij aan deelnam.

Luitenant R.E. Story beoordeelde Williams als een nette, vriendelijke volwassen rekruut met een gespierde bouw, en een gemiddeld gewicht (68 kilo) en lengte (1,76 meter). Hij had blauwe ogen, en bruin haar. Op beide armen had hij twee tatoeages. Williams was gewend om buiten te werken en hij zag er gezond uit. Hij wilde graag dienen in het leger, deed goed zijn best en paste zich goed aan, schreef legerinspecteur Howard Small toen Williams al een tijdje in het leger zat.

Leslie was getrouwd met Alice Maude Williams. Ze hadden een zoontje: James Leslie. Zijn familie in Canada was verder nog een tante, Clara Williams, die net als hij in Blackwater, provincie Ontario woonde.

Leslie ging in oktober 1944, zeven maanden nadat hij het leger in gegaan was, naar Europa. Hij bleef een maand in Engeland, voordat hij op 18 november 1944 naar het Europese strijdtoneel werd overgeplaatst. Hij werd ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada. Een maand daarvoor had het regiment zware verliezen geleden bij de slag om de Sloedam, bedoeld om Walcheren te bevrijden. Canadese troepen slaagden er niet in via de Sloedam het eiland op te komen. Uiteindelijk werd het eiland vanaf zee door Britse commandotroepen bevrijd.

Begin april trok Williams met zijn maten noordwaarts in Oost-Nederland. Begin april trokken ze over het Twentekanaal bij het Gelderse Almen (tussen Zutphen en Lochem). In de dagen daarna ontstond een hard gevecht rond het dorp Laren. Daar liet Williams het leven. Hij had 378 dagen gediend, waarvan 173 in Europa. Hij vond een tijdelijke begraafplaats in Laren, aan de Zutphensweg. Later werd hij herbegraven op de Canadese Begraafplaats in Holten: plot I, rij E, grafnummer 14.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24

©2016 Jan Braakman