Roger Dufort, infanterist in plaats van paratroeper

Eerste Kerstdag 1944 vierde de achttienjarige Roger Dufort in het Verenigd Koninkrijk. Na een overtocht van een week was hij vanuit Canada met de boot in Engeland aangekomen, waar hij met een grote groep mede-militairen werd ontscheept.

Dufort was een roomskatholieke jongen uit een gezin van zes. Zijn vader was in 1939 overleden. Zijn vader was twee keer getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk had hij drie kinderen, van wie Jeanne de oudste was. Toen Roger in 1944 in dienst ging, was Jeanne al lang het huis uit, net als Laure en George, de andere halfzus en halfbroer van Roger.

Zijn zus Rita en broer Jean woonden net als Roger nog met hun moeder thuis aan de Shearer Lane in Montreal (Quebec, Canada).

Parachutistenopleiding in kamp Shilo. Foto Library and Archives, Canada

Roger tekende voor het leger in mei 1944. Hij had korte tijd (een half jaar) gewerkt voor Webster & Son. Nadat hij had getekend voor het leger, ging hij eerst naar het trainingskamp Petawawa (Ontario) , en na twee maanden (op 2 augustus) werd hij overgebracht naar Camp Shilo (Manitoba) om de parachutistenopleiding te doen. Twaalf dagen later werd hij van de parachutistenopleiding afgeschreven en bij de infanteristen ingeschreven in in hetzelfde kamp. In Camp Shilo verloor hij een deel van spullen, wat hem op een reprimande en een inhouding op zijn soldij kwam te staan.

In december kreeg hij bericht dat hij zou worden verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij dus op Eerste Kerstdag aankwam. Amper een maand later werd overgebracht naar Noordwest-Europa om de daar gelegerde troepen te versterken. Op Valentijnsdag, 14 februari 1945, kreeg hij te horen dat hij was ingedeeld bij het Regiment de Maisonneuve.

Met het Regiment de Maisonneuve maakte hij de opmars door Oost-Nederland mee. Begin april 1945 stak hij bij Almen het Twentekanaal over. Zijn regiment kreeg de taak het bruggenhoofd over het kanaal in noordoostelijke richting te vergroten. Het Regiment de Maisonneuve kreeg het zwaar te verduren. De tegenstand bij het dorp Laren (Gld) was zwaarder dan verwacht. Voor Roger Dufort was de strijd fataal, hij werd dodelijk getroffen. Hij had zijn negentiende verjaardag nog niet gevierd.

Een dag later werd zijn stoffelijk overschot ter aarde besteld op een tijdelijke begraafplaats langs de Scheggertdijk ten noorden van het Twentekanaal bij Almen, samen met een aantal van zijn gesneuvelde kameraden: Fernard BarilEdgar RossWellie BertrandAmede Letourneau, Armand Gionet en Gerard Pilon. Later werd hij herbegraven op de Canadese militaire begraafplaats in Holten in plot II, rij E, graf 14.

© 2019 Jan Braakman

Armand Gionet kon zijn ambitie niet waarmaken

Koeslag0002
De verwoeste boerderij Klein Veldkamp in Laren, waar het stoffelijk overschot van Armand Gionet werd gevonden. Foto uit: Gebeurtenissen uit Laren tijdens den oorlog; door Joh. E. Koeslag.

Armand Gionet wilde graag boer worden, als hij het leger uitging. De private bij het Canadese Regiment de Maisoneuve kwam uit een eenvoudig katholiek gezin uit Middle Caraquet in de Canadese kustprovincie New Brunswick. Zijn vader was visser en boer.

Toen Armand op 25 maart 1944 de formulieren invulde waarmee hij zich aanmeldde voor het leger, schreef hij dat hij na de oorlog als boer wilde werken. Hij was geboren op een boerderij, had vier jaar werkervaring op een boerderij – het gemengde bedrijf van zijn vader.

Het was geen vetpot in het gezin van de Gionets. Vader Lazare en moeder Laura Gionet hadden acht kinderen, drie jongens en vijf meisjes. Een negende dochter was in 1932 op tweejarige leeftijd overleden.

Armand hielp mee op de boerderij. Hij werkte echter ook bij tijd en wijle in de haven van Halifax als vrachtafhandelaar. Het was geen vast werk. Hij zat in een Reserve Labor Pool.  Als er werknemers nodig waren in de haven, was hij oproepbaar.

Hij kreeg zijn legeropleiding in het trainingscentrum Utopia, een groot militair opleidingscentrum in New Brunswick dat in juli 1942 was opgezet om grondtroepen klaar te stomen voor de invasie in Italië en Noordwest-Europa. In het kamp konden verschillende gevechtstechnieken worden geoefend. Er was een heel dorp nagebouwd om te oefenen op straatgevechten. Toen het kamp in 1946 werd opgedoekt, hadden meer dan 12000 rekruten hun opleiding daar gehad.

Schermafbeelding 2016-09-04 om 12.19.17
Oefeningen in Camp Utopia, New Brunswick, Canada. Foto: militarybruce.com

Armand Gionet volgde zijn opleiding in Utopia van 2 september 1944 tot half december 1944. Op 18 december ging hij per schip naar Engeland, waar hij op Eerste Kerstdag aankwam, om zich de volgende dag present te melden.

In februari 1945 werd hij per vliegtuig naar het Europese vasteland gebracht, waar hij werd ingedeeld bij het Franstalige Regiment de Maisonneuve.

Begin april 1945 maakte het Regiment de Maisonneuve een opmars door Oost-Nederland. Via Terborg, Silvolde en Doetinchem. Armand Gionet en zijn maten stuitten niet op veel weerstand. Duitse troepen hadden zich vaak al teruggetrokken. Alleen sluipschutters maakten het werk soms erg lastig. Op 2 april maakten ze vijftien krijgsgevangenen bij Doetinchem.

Op 4 april kregen ze de opdracht het Twentekanaal bij Almen over te steken om vanuit het bruggenhoofd dat daar al was gevestigd aan te vallen in de richting van het dorp Laren. Rond acht uur ’s avonds begonnen de beschietingen en gevechten, die de hele nacht duurden.

In het oorlogsdagboek van het regiment werd op 5 april vermeld: “During the attack last night, we had 23 casualties and we captured forty prisoners. Lieut P.Y. Boudreau was wounded but not seriously. Lieut C. Racicot is missing; Major Robert, his coy commander is pretty sure he is prisoner of war.”

Onder de 23 casualties was Armand Gionet. Hij kwam tijdens de gevechten terecht bij een groep boerderijen langs de Zutphenseweg net buiten het dorp Laren. Daar hielden veel burgers zich schuil voor het krijgsgeweld. Toen Gionet en zijn maten zich lieten zien, waren de bewoners ervan overtuigd dat ze bevrijd waren. In euforische stemming kwamen ze uit hun schuilplekken.

Burgers en militairen liepen feestelijk op de weg toen plotseling het vuur weer geopend werd door Duitse militairen. In paniek rende iedereen naar een veilige plek. Armand Gionet wilde stelling innemen in de boerderij Klein Veldkamp, waar ook veel burgers, onder wie de familie Koeslag een veilige plek zochten. Maar na enige tijd bleek het gevaar te groot om er te blijven. De boerderij stond in brand. Iedereen moest naar buiten. Angst regeerde. In totale chaos rende iedereen een kant op. Burgers werden door een gewonde Canadese soldaat teruggestuurd toen ze in de richting van het Duitse vuur liepen.De buurtgenoten vonden een provisorische schuilplek in een koeienstal. Boven de stal, op de hilde, zaten Canadese soldaten.

De lucht klaarde op toen in de loop van de middag Canadese jeeps het erf opreden. Toen was pas zeker: het is veilig. In de verte klonken nog schoten en kanongebulder. Mannen, vrouwen en kinderen konden hun schuilplek verlaten. Het was een moment van vreugde en opluchting, maar ook van onzekerheid. Want niet iedereen was er.

De kinderen van de familie Koeslag misten hun moeder. Zij bleek dodelijk verwond te zijn. Haar verbrande lichaam werd teruggevonden bij de verwoeste boerderij Klein Veldkamp. Daar werd ook het lichaam van Armand Gionet gevonden. Gionet is geïdentificeerd door zijn maten, die samen met hem vochten, toen hij in het vuur omkwam. Armands ambities om na de oorlog boer te worden waren verteerd op een boerderij in een ver land.

Bestand_000
Het graf van Armand Gionet op de Canadese Begraafplaats in Holten. Zijn grafsteen vermeldt 20 jaar als leeftijd; hij was echter nog 19 toen hij sneuvelde. Foto: Jan Braakman

Gionet is tijdelijk begraven aan de Scheggertdijk in Almen. Hij lag tussen zijn maten, allemaal jongens van hetzelfde regiment, allemaal gesneuveld op 5 april 1945 bij Laren: Fernand Baril, Amede Letourneau, Edgar Ross, Wellie Bertrand, Roger Dufort en Gerard Pilon. Ze liggen nu gebroederlijk naast elkaar op de Canadese Begraafplaats in Holten in plot II, rij E. Armand heeft grafnummer 2.

Op Armands grafsteen staat 20 jaar als leeftijd vermeld, maar hij was nog 19 toen hij sneuvelde. Drie weken late, op 25 april 1945, zou hij 20 geworden zijn. Dina Koeslag*) is begraven op de algemene begraafplaats in Laren (Gld).

©2016 Jan Braakman

*) Dina Koeslag was 48 toen ze sneuvelde. Haar man Hendrik Jan Koeslag kwam eind 1944 om in concentratiekamp Neuengamme. Hendrik Jan Koeslag en Dina Koeslag zijn grootouders van auteur Jan Braakman. De gebeurtenissen in het dorp Laren zijn beschreven in diens boek Klein Nederland – De Oorlog in een Gelders dorp.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

 

Geveld door een Duitse sluipschutter

PA-167193
Paul Henri Boutin werd in de buurt van de Schipbeek tussen Laren en Holten onder vuur genomen door een sluipschutter. Hetzelfde overkwam een infanteriesoldaat van the South Saskatchewan Regiment. Hij raakte gewond en wordt op deze foto behandeld. Foto Daniel Guravich/ Library and Archives Canada.

 

Lieutenant Paul Henri Boutin van het Regiment les Fusiliers Mont-Royal heeft waarschijnlijk niet veel gemerkt toen hij sneuvelde. Boutin werd getroffen door de kogel van een Duitse sluipschutter. Hij was dodelijk verwond aan het hoofd. “Deceased, killed in action”, werd op zijn Service and Casualty Form vermeld.

Boutin kwam op 7 april 1945 om bij de oversteek van de Schipbeek op de grens van de toenmalige gemeenten Laren, Gorssel en Holten. Bij die oversteek had het South Saskatchewan Regiment het voortouw. Zij moest zorgen voor het bruggenhoofd op Holtens grondgebied. Een van de geallieerde doelstellingen was om zowel de wegverbinding als de spoorlijnverbinding tussen Deventer en Holten (en verder oostwaarts) onder controle te krijgen.

Boutin was op 27 maart 1945 24 jaar geworden. Dat was ook de dag dat hij werd ingedeeld bij het Regiment les Fusiliers Mont-Royal. De rooms-katholieke student uit Lauzon, in de Canadese provincie Quebec was ruim drie jaar eerder, op 5 maart 1942, in actieve dienst gekomen. Als 17-jarige had hij in 1938 de opleiding aan het College of Montreal afgerond. Hij wilde verder studeren en meldde zich aan bij Laval University. Tegelijkertijd was hij als reservist actief bij het Regiment de Levis, een infanterieregiment van het Canadese leger. Toen hij in 1942 het leger in ging, had hij zijn graad nog niet behaald.

Boutin was een sportieve vent. Hij hield van zwemmen, bergbeklimmen, skien en bridge. Een van de officieren die hem beoordeelde in 1943 beschreef Boutin als vrolijk en energiek met een goede algemene kennis en breed inzetbaar: “This officer has ability and should make a good officer with more training”. In oktober 1944 werd Boutin nog eens beoordeeld. Hij kreeg een positief rapport, al zou zijn zelfvertrouwen wel wat beter kunnen. Hij had de neiging te zoeken naar overeenstemming is conflictsituaties, terwijl een leidinggevende officier in oorlogsomstandigheden juist snel een knoop moet doorhakken. Desalniettemin was hij goed genoeg om in een Frans sprekende eenheid te worden opgenomen.

Op 7 april 1945 werd in het oorlogsdagboek van Les Fusiliers Mont-Royal vermeld dat de eenheid weinig tegenstand kreeg. Er werden veertien Duitsers krijgsgevangen gemaakt, onder wie een officier. Een patrouille die langs de Schipbeek liep, werd door vijandelijk vuur verrast. “Enemy has dug in defenses along the north bank of the canal and intends to hold our track northwards for awhile“, aldus de war-diarist. Hij eindigde zijn bijdrage voor die dag met de mededeling: “Lieut P.H. Boutin was killed by a sniper during the day.

Boutin werd tijdelijk begraven bij een wachtpost/seinhuis (nummer 9) langs de spoorlijn Zutphen-Hengelo ter hoogte van de Rossweg in Laren (Gld). Daarna werd hij herbegraven op de Canadese Militaire Begraafplaats in Groesbeek: Plot 10, rij H, graf 1.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

©2016 Jan Braakman

Een paar klompen voor George (Gyergy) Halasz

Op 7 mei 1924 voer het stoomschip Andania de haven van Halifax (Canada) binnen. Een van de opvarenden was Gyergy Halasz. De 21-jarige Hongaar was in het Franse Cherbourg aan boord gegaan. Halasz wilde als boer gaan werken in Canada. Zijn eerste verblijfadres was dat van Steve Varga, in Cithon, Saskatchewan.

SS Andania Bron:
SS Andania Bron: doukhobor.org

Gyergy zou zijn naam al snel veranderen in het voor de Canadezen gemakkelijker uit te spreken en te onthouden George. Halasz had twee broers, die de oversteek naar Canada niet maakten. Zij bleven in Hongarije.

Hoe Halasz is gevaren nadat hij in Saskatchewan bij de boer aan het werk ging is niet uit de archieven op te maken. Maar heel lang heeft hij het daar niet volgehouden. Zeker is dat hij verliefd raakte op Julia en op 19 augustus 1933 met haar trouwde. In 1941 woonde hij met haar en twee kinderen in Sherridon, Manitoba.

In juni van dat jaar (1941) meldde Halasz zich bij het Canadese leger. Hij vertelde dat hij wel vijf jaar ervaring had opgedaan op een boerderij, maar dat was nog geweest voor zijn oversteek naar Canada. Hij had niet langer de ambitie om een boerderij te runnen. Hij werkte sinds 1930 als mill operator bij het mijnbouwbedrijf Sherritt-Gordon. En daar kon hij terugkeren, als hij weer uit het leger kwam. Nu wilde hij een bijdrage leveren aan de bevrijding van Europa – misschien om zijn moeder en broers te bevrijden van het juk van de Duitsers in Hongarije.

Met zijn technische beroep als mill operator kon hij zich dienstig maken in het leger. Hij werd ingedeeld bij het tankregiment Fort Garry Horse (10th Canadian Armoured Regiment) en al in januari 1942 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk.

Het A Squadron, 2nd TRP van het tankregiment Fort Garry Horse in de herfst van 1944 ergens bij de Nederlands-Belgische grens. Vooraan op de eerste rij liggend Gyorgy Halasz. Hij is de man met een embleem op zijn baret. Op de foto op de derde rij, derde van links Stan Butterworth, die deze foto ter beschikking stelde. Stans broer Fred was bij hetzelfde regiment. Fred kwam om in Groningen en ligt begraven op de Canadese begraafplaats in Holten.

Op D-day (6 juni 1944), bij de landingen in Normandië, was zijn inzet meteen nodig. Zijn regiment vocht in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Extreem zwaar was het in oktober 1944 toen na de bevrijding van Antwerpen ook de toegang via de Schelde moest worden veroverd op de Duitsers. Dat lukte, maar wel ten koste van zware verliezen.

De Fort Garry Horse kreeg daarna drie maanden tijd om in de omgeving van Nijmegen op sterkte te komen.

In januari 1945 kreeg Halasz verlof. Hij ging korte tijd terug naar het Verenigd Koninkrijk. Eind maart werd hij weer ingezet als machinist op een tank. Begin april trok zijn regiment samen met de Black Watch bij het Gelderse Almen het Twentekanaal over. Doel was dat zijn regiment zou helpen het bruggenhoofd ten noorden van het Twentekanaal te vergroten in het noordoosten, richting Laren (Gld).

De opmars was voor het tankregiment Fort Garry Horse redelijk voorspoedig voorlopen, alleen in Doetinchem stuitten de Canadezen op forse weerstand. Vanuit Doetinchem trokken de tanks noordwaarts richting Twentekanaal. Op 2 april werden de 20 kilometer tussen Doetinchem en het Twentekanaal bij Almen overbrugd.

Nadat het regiment het Twentekanaal was overgestoken leverde het A-squadron van het regiment een bijdrage aan de bevrijding van Laren (Gld). Op 5 april werden twee tanks door de Duitsers buiten gevecht gesteld. Majoor Hjalmerson’s tank werd door een granaat doorboord. De tank van Lieutenant Livingston werd getroffen door een Duitse Panzerfaust. Livingston kwam ervan af met lichte verwondingen. Maar zijn tankmachinist George Halasz was ernstig gewond geraakt.

Halasz  werd eerst naar Nijmegen gebracht, en van daar op 11 april naar Engeland gerepatrieerd. Zijn verwondingen waren zo ernstig dat van herstel op korte termijn geen sprake zou kunnen zijn.

Hoe de dokters van het Canadian Neurological Hospital in Hackwood ook hun best deden, ze konden het leven van de tankbestuurder niet redden. Halasz overleed in de nacht van 21 op 22 april 1945, ruim twee weken nadat hij ernstig gewond geraakt was en zes dagen voordat hij zijn veertigste verjaardag zou vieren. Zijn vrouw Julia bleef met twee kinderen achter, de zevenjarige June Irene en de vierjarige George William.

Halasz werd begraven op de Brookwood Military Cemetery in Engeland; plot 50, rij B, graf 1.

Bij de persoonlijke spullen van Halasz die naar zijn weduwe werden verzonden bevonden zich naast de gebruikelijke souvenirs (muntjes, foto’s), de persoonlijke eigendommen (portemonnee, scheergerei, foto’s) ook een bijzonder aandenken uit Nederland:  een paar klompen.

De Ardania, waarmee Halasz ooit zijn toekomstdroom aanving op weg naar Canada, overleefde de Tweede Wereldoorlog ook niet. Het schip werd in juni 1940 zo’n 400 kilometer ten noordwesten van de Faroer Eilanden door de Duitse onderzeeër Cohauß tot zinken gebracht in juni 1940.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2019 Jan Braakman

Michael Peter Brown hield van zingen

14040509_1451139938
Michael Peter Brown. Foto via Wouter van Dijken

Michael Peter Brown zong.  Als hij als houthakker aan het werk was kon Michael ongestoord de liedjes aanheffen die hij als kind had geleerd, of op de radio gehoord.

Toen hij in september 1942 als 28-jarige keuring deed voor het Canadese leger vertelde hij van zijn liefhebberij.  Hij had op de boerderij gewerkt, gevist en in de bossen bomen gehakt. Hij verdiende er 15 dollar per week mee.

Michael kwam uit een gezin met zeven broers en drie zusters. Hij was geboren op 4 januari 1914. Zijn vader was visser in Nova Scotia. Hij was niet heel erg slim, oordeelde Army Examiner captain L.E.A. Fraser. Hij had een beperkt mechanisch inzicht, kon geen auto rijden en zijn opleiding was ook niet je van het.  Hij was op zijn veertiende van school gegaan om te gaan werken.

Hij hield van het legerwerk,  zo bleek na enkele maanden toen hij nog eens werd beoordeeld.  Hij werd naar aanleiding van de tweede beoordeling overgeplaatst van de CFC (Canadian Forestry Corps) naar de RCE (Royal Canadian Engineers).

Hij werd in maart 1943 verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 5 april aankwam. Daar kwam hij de liefde van zijn leven tegen:  de zeven jaar jongere Lilian May Smith uit Grimsby. Lilian en Michael trouwden op 29 juli 1944 in Grimsby, met toestemming.

Op 6 september 1944, vlak voor operatie Market Garden, maakte Michael de overtocht naar Frankrijk. Hij was toen al ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada. In oktober werd hij bevorderd van private tot lance corporal.

Hij overleefde de slag om de Schelde, die de geschiedenis is ingegaan als Black Friday voor de Black Watch.  Op vrijdag de 13e oktober lieten 90 van zijn maten het leven in de omgeving van Hoogerheide. Doel van de strijd om de Schelde was de haven van Antwerpen te kunnen inzetten als aanvoerroute.  De Duitse weermacht zette alle middelen in om dat te voorkomen. Aan het eind van de vijf weken durende strijd was het lot beslecht en gaven de Duitsers zich gewonnen. Maar de tol was hoog. De Canadezen hadden weliswaar meer dan 40.000 Duitsers krijgsgevangen genomen, maar aan geallieerde kant waren de verliezen enorm. Bijna 13.000 soldaten kwamen om, raakten gewond of vermist; ongeveer de helft van hen was Canadees.

42127_83024005507_0454-00248
Het bidprentje van Michael Brown. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

In de eerste week van januari 1945 was het – op wat kleine schermutselingen na – rustig aan het front.  De Canadese inlichtingendiensten zagen terugtrekkende bewegingen van Duitse legeronderdelen in het Land van Altena.  Michael Brown kreeg op vrijdag 5 januari een bidprentje met een beeltenis van Maria met het kindje Jezus en de tekst: “Maria, Koningin van den vrede, bid voor ons.” 

Brown schreef er met potlood bij: “Holland 1945; F32380 cpl Brown MP Junary 5nd 45“.

Dat prentje lag bij zijn spullen toen hij vier maanden later, op donderdag 5 april in het Gelderse Laren dodelijk getroffen werd, bij de actie van de Black Watch om het dorp op de vijand te veroveren.

1010587
Het graf van Michael Peter Brown op de Canadese Begraafplaats in Holten. Foto: Jan Braakman

Brown was een de vele mannen van de Black Watch die op die dag gewond raakten of sneuvelden. Hij werd tijdelijk begraven in een boomgaard langs de Zutphensweg aan de rand van het dorp samen met zijn maten Jean Baptiste Turcotte, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Gerald Paul MacKenzie, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later werd hij herbegraven in Holten:  Plot 1, rij E,  graf 12.

Lillian zou haar man nooit meer horen zingen. Weduwe Lillian May Smith hertrouwde later met Barry Haines. Ze overleed in 1989.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

 

 

 

 

 

Een gebroken spiegel voor moeder Mathilda MacKenzie

Volgens luitenant Maurice Rozand was Gerald Paul MacKenzie plezierig in de omgang, een volwassen vent met wie je een goed gesprek kon voeren. MacKenzie was een belezen man, hij wist wat er in de wereld gaande was, rapporteerde Rozand, de man die MacKenzie beoordeelde bij de keuring voor het Canadese leger.

Name:MacKENZIE, GERALD PAUL Initials: G P Nationality: Canadian Rank: Private Regiment/Service: Black Watch (Royal Highland Regiment) of Canada Age: 28 Date of Death: 05/04/1945 Service No: D/145446 Additional information: Son of Harry P. and Mathilda MacKenzie, of St. Sauveur des Montagnes, Terrebonne Co., Province of Quebec. Casualty Type: Commonwealth War Dead Grave/Memorial Reference: I. E. 11. Cemetery: HOLTEN CANADIAN WAR CEMETERY
Het graf van Gerald Paul MacKenzie op de begraafplaats in Holten. Bron: online-begraafplaatsen.nl

MacKenzie was tweetalig, Frans en Engels. Zijn moeder Mathilda MacKenzie-Langlais was Franstalig, zijn vader Harry P. MackKenzie Engelstalig. Gerald Paul was geboren op 27 januari 1917, als tweede in een gezin met drie kinderen. Hij had tot zijn zestiende op school gezeten. Toen moest hij aan het werk om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Die plicht vervulde hij met genoegen. Hij was een leergierige werknemer die zich opwerkte van hulpje in de bediening tot manager in een wegrestaurant.

Gerald Paul MacKenzie was een prima kok. Hij had vierenhalf jaar ervaring. Eerst werkte hij vier jaar als bediende in een restaurant, daarna vier jaar als bediende en kok en uiteindelijk was hij drie jaar de kok in de vestiging van de restaurantketen Childs’ in Montreal, waar hij mede de leiding had. Tot hij op 31 mei 1944 het leger inging.

Eigenlijk wilde MacKenzie bij de marine. Maar hij was bereid om andere klussen in het leger te doen, zolang er voor hem geen plek bij de marine was. En zo kwam hij bij de infanterie terecht.

De 27-jarige MacKenzie ontwikkelde zich als een snel lerende rekruut die doelmatig werkte en goed zijn best deed. Hij kon alle trainingen goed volgen. Hij liet merken dat hij graag de strijd overzee aan wilde gaan.

Uiteindelijk ging hij op transport in december 1944. Op eerste kerstdag kwam hij in Engeland aan. Het was zijn eerste kerst buiten Canada, en de laatste kerst van zijn leven.

In februari 1945 werd hij naar het Europese vasteland gebracht. Op dat moment wist hij nog steeds niet bij welk regiment zou worden ingedeeld. Dat gebeurde op 4 maart. Hij werd ingedeeld bij de Black Watch, het Royal Highland Regiment of Canada. 

Amper een maand maakte hij deel uit van het regiment. Op 5 april 1945, bij het Gelderse Laren, sneuvelde hij toen zijn regiment bij een aanval op het dorp zwaar onder Duits vuur kwam te liggen.

MacKenzie werd tijdelijk begraven in een boomgaard aan de Zutphenseweg in Laren, samen met negen van zijn maten: Jean Baptiste Turcotte, Michael Peter Brown, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten: plot 1, rij E, graf 11.

Baby_Brownie_(5461271769)
Baby Brownie camera. Bron: wikipedia

Zijn persoonlijke spullen werden aan zijn moeder toegestuurd: een gebroken spiegel, een kruis en andere religieuze aandenkens, postzegels, een aantekeningenboekje, een leren portefeuille, een vulpen, een gouden armband, een aantal foto’s en een camera, de Baby Brownie.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jean Baptiste Turcotte droeg de foto van een onbekende vrouw bij zich

turcotte
De onbekende vrouw van wie de foto in de nalatenschap van Turcotte werd gevonden. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

Jean Baptiste Turcotte had geen vriendin toen hij in maart 1944 het Canadese leger inging. Maar toen hij ruim een jaar later sneuvelde lag er bij zijn persoonlijke bezittingen een fotootje van een jonge vrouw in militaire kleding.

Het was een bijzondere foto, niet zozeer vanwege de vrouw die er op stond, maar vanwege het feit dat het plaatje van de vrouw was afgesneden of geknipt van een als ansichtkaart gedrukte foto. De foto was verweerd en beschadigd. De vrouw staat vriendelijk lachend te poseren op de foto, een rond gezicht, golvend donkerblond haar. Zij stond voor een houten gebouw, mogelijk een militaire barak. Waarschijnlijk in Engeland, gezien een deel van een aantekening die nog zichtbaar is op de achterzijde. De persoon naast haar is zorgvuldig van het beeld geknipt of gesneden.

44485_83024005507_0676-00150
Voorzijde foto. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

44485_83024005507_0676-00151
Achterzijde foto. Bron Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

Wie de vrouw op de foto was, is tot op heden een raadsel. En waarom de negentienjarige Jean Turcotte de foto bij zich had toen hij op 5 april 1945 in Laren (Gld) sneuvelde, zal mogelijk altijd een vraag blijven.

Jean Turcotte was op 28 juni 1925 geboren in Regina (Saskatchewan, Canada) als negende kind in een gezin met twaalf kinderen. Hij woonde net als de meeste van zijn broers en zussen in de provincie Quebec, in de omgeving van Montreal. Zijn vader was weliswaar theologisch geschoold, maar werkte tot zijn dood in 1937 vooral als boer en als handelaar. Na het overlijden van zijn echtgenoot (1934) had hij nog weinig omgekeken naar zijn kinderen. Jean kreeg onderdak bij zijn zus.

Twee van Jeans broers waren ook in het leger, van wie één in Europa vocht in het regiment Fusiliers Mont Royal.

Jean werkte als jongen van vijftien al in de mijnen. De stap naar het leger was zijn mogelijkheid aan die zware arbeid te ontkomen.

Bij zijn eerste beoordeling na de aanmelding in het leger, schreef luitenant R. Chalifour dat Jean een energiek gezonde jonge vent was, met goede manieren, joviaal met een open blik en vol zelfvertrouwen. Enige minpuntje, zijn verschijning was niet al te netjes.

Jean werd beschreven als gevoelig, onbezorgd, maar zonder ambitie en met weinig idee over de toekomst. “He is light of character, and never has been interested in learning any trade. He appears nevertheless honest and sober”, oordeelde Chalifour.

In het leger bleek hij een snelle leerling. Hij volgde met succes de chauffeursopleiding. Hij had de kwaliteiten om de leiding te nemen. Toch had hij tegenslag. Hij raakte gewond aan een van zijn benen en moest daarvoor naar het ziekenhuis. Later had hij rugklachten en last van zijn longen. De fysieke ongemakken weerhielden hem en zijn meerderen er echter niet van om Jean geschikt te achten voor de strijd in Europa.

Op 14 oktober werd hij verscheept naar Engeland. Op 2 januari 1945 werd hij naar het strijdtoneel in Noordwest-Europa gebracht, waar hij was ingedeeld bij het regiment van de Black Watch (Royal Highland Regiment of Canada). 

Vanaf begin april maakte Turcotte de opmars mee door Oost-Nederland. Via Terborg, Doetinchem, Hummelo trok zijn regiment op naar het Twentekanaal bij Almen, waar ze op 3 april overstaken. De 4e brigade had daar al een bruggenhoofd gevormd.

De taak van de Black Watch was om samen met het Regiment de Maisonneuve en de Calgary Highlanders het bruggenhoofd uit te breiden in noordoostelijke richting en het dorp Laren (Gld) te veroveren. De oversteek van het kanaal was beangstigend, vanwege onophoudelijk vijandelijk vuur. Maar de Black Watch leden er geen verliezen.

Schermafbeelding 2016-07-28 om 12.32.40
De bevrijding van Laren in kaart. Bron: REPORT NO. 32, HISTORICAL SECTION (G.S.) ARMY HEADQUARTERS, THE CONCLUDING PHASE OF OPERATIONS BY THE FIRST CDN ARMY

Dat was een dag later anders, toen Laren (Gld) moest worden genomen.

Het plan was dat de Black Watch samen met het tankregiment Fort Garry Horse vanuit het westen (vanaf de richting Zutphen) het dorp zouden benaderen. Het Franstalige Regiment de Maisonneuve zou het dorp aan de noordzijde afsnijden, terwijl de Calgary Highlanders aan de zuidkant langs het Twentekanaal dekking zouden geven. Op die manier zou de Black Watch een ferme basis hebben om het dorp aan te vallen.

De Black Watch en de tanks van Fort Gary Horse waren nog maar nauwelijks begonnen met de opmars, of ze kwamen onder zwaar anti-tankgeschut. Het vuur kwam van een plek, die al door het Regiment de Maisonneuve zou zijn ingenomen en vanuit het dorp zelf. De mannen die op en achter de tanks zaten, moesten dekking zoeken in de sloot. De Black Watch leden zware verliezen en een van de tanks werd uitgeschakeld.

Waarschijnlijk heeft Jean Turcotte bij die actie het leven verloren. De weerstand van de Duitse troepen was te sterk. Het oorspronkelijke veroveringsplan werd afgeblazen. Eerst moest de weerstand van de Duitsers worden gebroken, met zware artilleriebeschietingen op het dorp. Die actie was succesvol. Zonder al te veel moeilijkheden konden de Black Watch alsnog het dorp innemen en om vier uur ’s middags had het Canadese leger de controle.

Jean Baptiste Turcotte werd na de strijd tijdelijk begraven in een boomgaard langs de Zutphenseweg in Laren (Gld), samen met zijn maten Michael Peter Brown, Frederick Taylor Forbes, Gordon Hume Hand, Gerald Paul MacKenzie, Howard Hector Muirhead, Chesley Edwin Nightingale, Ralph Piercey, James George Todd en Leslie Williams. Later kreeg hij een definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Holten: plot 1, rij E, graf 15.

De foto van de onbekende vrouw bleef in zijn dossier achter.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het slagveld.

Bron: Library and Archives Canada; Ottawa, Canada; Service Files of the Second World War – War Dead, 1939-1947; Series: RG 24; Volume: 27232

©2016 Jan Braakman

Sniper Dale Sharpe, de man met een stuursnor

George Dale Sharpe (1945). Bron: Ted Sharpe
George Dale Sharpe (1945). Bron: Teddy Sharpe

Op 5 april 1945 zou het dorp Laren (Gld) door Canadezen worden bevrijd. Het was een onverwachts harde strijd, waarbij tientallen Canadese en Duitse soldaten omkwamen. Onder hen was de Canadese sluipschutter Dale Sharpe.

George Dale Sharpe zag het levenslicht op 22 oktober 1917. Hij was al 25 toen hij in maart 1943 dienst nam in het Canadese leger. Hij was getrouwd met Zelma June. Ze woonden in Belleville, Ontario, Canada. Dale en Zelma hadden twee kinderen, zoon Teddy en dochter Dale. In december 1943 werd Dale verscheept naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij twee dagen voor kerst aankwam. Zijn vrouw was toen vijf maanden zwanger van hun derde kind. Glen werd op 28 maart 1944 geboren. Hij zou zijn vader nooit zien.

Dale Sharpe had verschillende baantjes gehad, voordat hij in 1943 het leger inging:  als knecht op een boerderij, als vrachtwagenchauffeur en zijn laatste baan was winkelbediende bij de Canadese spoorwegen Canadian National Railway. Dale was een sportieve jonge vent, fors gebouwd: met een lengte van 1,78 meter en een gewicht van 93 kilo.

Bij zijn keuring werd over hem opgemerkt dat hij een rustige man was, maar niet erg agressief. Hij kon goed uit zijn woorden komen en gaf blijk van een bovengemiddelde intelligentie. Hij had in zijn werkzame leven nooit leiding gegeven en zich ook niet echt gespecialiseerd. Dale Sharpe kreeg een opleiding als sluipschutter in het scout platoon van de Black Watch.

Hij werkte onder anderen met Russell Sandy Sanderson. De scouts slopen in de Duitse linies om de vijand bij verrassing te treffen en chaos en wanorde te veroorzaken. Sanderson vertelde erover in het boek Canada and The Liberation of The Netherlands: “Onze taak was als sluipschutter de vijand neer te schieten. We deden ook patrouilles. We hadden een geweer met een telescoopvizier – we konden ons doel kiezen op een enorme afstand. Je lag daar, met je scout naast je die de verrekijker had. Het was een vak. Geen verdriet, geen zorgen. Ik geloof dat ik er goed in was. We hielden niet bij hoeveel mensen we doodden. Het was een mooie baan en ik genoot ervan, en ik werkte met fantastische mensen.”

Op 27 december 1944 moest Dale Sharpe een taak uitvoeren met Jim Wilkinson, ook een lid van het scout platoon van de Black Watch. “We dachten dat we slim waren”, vertelde Wilkinson jaren later. “We troffen twee Duitsers en gingen er achteraan. Maar zij waren slimmer dan wij. Zij hadden twee maten, die achter ons lagen. En juist op het moment dat ik een van die Duitsers te pakken wilde nemen, werd ik geraakt. Twee keer, in mijn rechterbeen. En daarna werd ik nog getroffen door een handgranaat, die zijn maat onze richting op gooide. Dale Sharpe, een grote zware man, kon ze van ons afschudden en hij hielp me terug te komen achter onze linies.”

Russell Sandy Sanderson liet zijn leven lang een stuursnor staan, ter ere van Dale Sharpe. Hier tijdens de herdenking in Holten, mei 2015. Bron: Globe and Mail

Sanderson vertelde in 2010 in een interview met de Canadese immigrantenkrant De Nederlandse Courant dat hij aan Sharpe werd gekoppeld. “Een korporaal met een ‘handlebar moustache’, een stuursnor. Mijn sergeant Tommy Garvin zei: ‘Doe alles wat Sharpe je zegt. Hij zal je leren sluipschutter te worden.’ We oefenden wekenlang, gebruikten verrekijkers om de horizon af te zoeken naar doelen. We konden de vijand raken op 1100 meter en ik heb er veel te pakken genomen. Die arme moffen hadden geen idee wat hen trof. Dale Sharpe lette op me, hij hield me in leven.” Sanderson liet uit eerbetoon aan zijn maat na de oorlog zelf een imposante stuursnor staan, die hij tot zijn dood in ere hield.

Sanderson was erbij toen Sharpe dodelijk gewond raakte. De war diary van de Black Watch meldt dat Dale Sharpe zich op het erf bevond waar het tactisch hoofdkwartier van de Black Watch (het Royal Highland Regiment of Canada) was gevestigd. Dat was de boerderij Koeslag ten westen van Laren (Gld) (nu Lindenbergsdijk 1). De boerderij werd getroffen door hevig Duits artillerievuur.

Boerderij Koeslag in april 1945, waar Sharpe werd getroffen door Duits granaatvuur; inzet: de boerderij voor de verwoesting. Bron: Gebeurtenissen uit Laren tijdens den oorlog, Joh. E. Koeslag

Sharpe werd door verschillende granaatscherven geraakt, vertelde Sanderson. Het was op 5 april 1945, rond acht uur ’s morgens. Sanderson was aangedaan. “To me Dale was one step below God.” 

Het ging er op dat moment heftig aan toe. Duitse troepen waren niet van zins om het op het oog onbeduidende dorp zonder slag of stoot over te geven. Met zwaar granaatvuur werden de Canadese troepen bestookt. Sanderson zag dat Sharpe getroffen werd door scherven van een granaat die was afgeschoten met een Moaning Minnie, een Duitse granaatwerper die zijn sporen al had verdiend en die zijn naam dankte aan het huilende geluid van de afgevuurde granaten.

Pte Mike Brunner vertelde in de documentaire Black Watch Snipers: “De deuren sloegen open en daar kwamen een paar jongens met een gewonde binnen, en dat bleek Dale Sharpe te zijn. Een hospik vroeg me iets vast te houden en en zijn ingewanden terug te duwen, die kwamen min of meer uit zijn buik. Ik wist niet of hij het zou overleven.”

Sanderson kon zijn tranen niet verbergen: “Hij was een goede man, een goede man. Veel goede mannen bleven achter, maar Dale was een uitzondering.  Ik schaam me niet voor mijn tranen. Ik heb hem geïdealiseerd.  Daarom draag ik nu deze snor.”

Een andere scout van de Black Watch, Jimmy Bennett raakte in Laren ernstig gewond. Hij kwam een dag samen met zijn maat Mike Brunner in een hinderlaag terecht.  Jim werd in de borst geraakt. Hij viel en werd opnieuw geraakt, nu aan het hoofd.  Wilkinson voelde het bloed door zijn mond en neus lopen. “Ik wist dat ik dood zou gaan.” Mike wilde zijn maat niet zo in het bos laten liggen en hield een passerende jeep aan met twee hospiks. Hij dwong de jongens Wilkinson mee te nemen, ook al meenden zij dat hij overleden was. “Ik hoopte alleen maar dat hij levend bij de medische post zou komen”, aldus Brunner. “Die twee dagen waren de slechtste van mijn leven. Ik heb de hele nacht gehuild.  Het was de eerste keer dat ik ergens om huilde.”

Op dezelfde dag verloren de platoon scouts ook Ed “Blondie” Barker. Hij raakte ernstig gewond door een vlammenwerper van de Canadezen zelf, die hem aanzagen voor een Duitse soldaat.  Barker werd door Brunner over de grond gerold om de vlammen te doven.  Barkers verwondingen herstelden en hij kon later terugkeren in de rangen van de Black Watch.

DaleSharpe
Medische kaart van Dale Sharpe: “Died of wounds 1145 hrs”. Bron Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

De verliezen aan Canadese kant waren fors. Alleen al bij het granaatvuur op de boerderij van Koeslag raakten majoor E. Motzfeldt, luitenant A.G. Guam, luitenant J.G. Roberts en korporaal Sharpe gewond. En daar bleef het niet bij. De troepen die met de tanks van de Fort Garry Horse via de Zutphenseweg oostwaarts richting het dorp Laren trokken, kwamen ook onder zwaar vuur te liggen. Twee Canadese tanks werden buiten gevecht gesteld, tankmachinist George Halasz raakte zwaar gewond.

Sharpe had een ernstige buikwond. Hij kreeg meteen morfine toegediend van de hospik en ging met de legerambulance linea recta naar het Canadese hospitaal (2nd Canadian Casualty Clearing Station) in het Patersklooster in ‘s-Heerenberg. Hij overleed om kwart voor twaalf diezelfde ochtend, ‘Died of wounds, 1145 hrs‘ staat op zijn medische kaart.

DaleSharpe
Het graf van Dale Sharpe in Groesbeek. Bron: findagrave.com

Het bericht over zijn dood  kwam vanzelfsprekend hard aan bij het thuisfront. Dale’s zoon Ted herinnerde zich dat zijn moeder heel verdrietig was en veel huilde. “Ik had een leeg gevoel, nadat ik begreep wat er was gebeurd. Maar mijn vader blijft mijn held. Ik heb altijd geprobeerd het goede te doen, voor hem.”

Dale Sharpe is tijdelijk begraven op een begraafplaats bij Emmerich. Daarna kreeg hij zijn definitieve rustplaats op de Canadese begraafplaats in Groesbeek: plot 17, rij F, grafnummer 5. “Always remembered by wife and three children Dale, Teddy and Glen.”

De vriendschap tussen de scouts van de Black Watch bleef onverbrekelijk. Sandy Sanderson overleed op 9 november 2016 op 90-jarige leeftijd in zijn woonplaats Hamilton (ON, Canada).

Onverbrekelijke vriendschap . . . (Still uit documentaire Black Watch Snipers)

©2016 Jan Braakman

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

Allan Morrison wilde voor de troepen uit

detailMorrison
Registratie en beoordeling van Allan Donald Morrison (detail). Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

In de nacht van 2 op 3 april 1945 waagde de 4th Infantry Brigade van de 2nd Canadian Division de oversteek van het Twentekanaal bij Almen.

De snelheid waarmee de Canadese troepen in de dagen daarvoor waren opgerukt, was voor de Duitse Wehrmacht nauwelijks bij te benen. De Canadese geschiedschrijvers verhalen letterlijk dat Duitse troepen in hun slaap werden verrast toen de mannen van The Royal Hamilton Light Infantry (RHLI, meestal kortweg aangeduid als Rileys) als eerste in hun bootjes de oversteek over het kanaal hadden gemaakt. De eerste Duitse krijgsgevangen waren geen gevechts- maar genietroepen. De Duitse mannen waren bezig verdedigingswerken op te zetten en wachtten op verse aanvoer van manschappen, die de vijand moesten tegenhouden.

Toen de oversteek was gemaakt moest het bruggenhoofd worden vastgehouden en uitgebreid. Verkenningstroepen van het 8th Reconnaissance Regiment (14th Canadian Hussars) behoorden tot de eersten die na de Rileys het kanaal overstaken en aan hun verkenningswerk begonnen.

Allan Donald Morrison was een van de mannen van de Hussars. Toen hij in 1942 voor het leger tekende, gaf hij al aan dat hij graag voor de troepen uitging. Hij had een motorfiets en hij droomde ervan om op zijn motorfiets verkenningswerk te doen. De Hussars die het Twentekanaal overstaken hadden versterkte voertuigen, zogenoemde Humbers.

Morrison was geboren op 31 augustus 1922. Zijn vader, Allan McGillivray, was Schot van geboorte, zijn moeder Violet Grace was Canadese. Zij had uit een eerdere relatie een oudere zoon, Hugh Molyneaux.

Allan Morrison was geboren in Victoria, British Columbia. Maar toen hij het leger in ging woonde hij in noordelijker gelegen kustplaatsje Atlin dat alleen via zee te bereiken was. Atlin had in de eerste helft van de twintigste eeuw grote populariteit onder toeristen.

Atlin was ooit de uitvalsbasis voor gelukzoekers in de mijnbouw. Allan Morrison had enige tijd in de mijnbouw gewerkt, voordat hij het leger inging. Zijn werkgever, Spruce Creek  Mining Company, wilde hem wel weer aannemen als hij terug kwam uit het leger.

Morrison had tot zijn zestiende op school gezeten, maar daar was hij geen uitblinker. Hij vertelde dat hij veel school had gemist, omdat hij vaak ziek was. Toen hij 9 jaar was had hij een tijdje in het ziekenhuis gelegen vanwege een blindedarmontsteking. Daar was hij zonder complicaties uitgekomen. Toen hij vijftien was brak hij zijn linker been. Het been genas zonder dat hij er nog last van had. Hij had een bril gedragen.

Morrison maakte hij geen ongezonde indruk bij de keuring, al blonk hij verder nergens in uit.

In de nacht van 2 op 3 april 1943 behoorde hij tot de groep mannen die als eersten het kanaal overstaken bij Almen. De Duitsers hadden inmiddels door wat er gaande was en zetten zwaar geschut in, om de oversteek te bemoeilijken. Het werk van de Canadese genietroepen om een vaste verbinding over het kanaal te bouwen, werd er zwaar door bemoeilijkt.

44485_83024005507_0618-00407
De kaart waarop de tijdelijke begraafplaats van Morrison staat geregistreerd: Holland Farmyd. Later is hij herbegraven in Holten. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Toch slaagden de Canadese troepen erin een oeververbinding te bouwen en het bruggenhoofd vast te houden.

Maar aan het eind van de avond op 3 april werden zes mannen van het 8 Canadian Reconnaissance Regiment vermist, onder wie Allan Morisson. In de war diary van het regiment werd opgetekend dat ze vier voertuigen verloren en dat om 20 uur nog steeds zes mannen werden vermist.  “Some are believed to be wounded. As contact had been lost this is still unconfirmed.”

Twee dagen later, in de ochtend van 5 april stond vast dat Tpr Morrison van het B Squadron was omgekomen.  “He was one of the six that were trapped and pinned down by enemy machine gun fire. The other five are still missing”,  aldus de war diary. Morrisons eenheid was  klemgezet door vijandelijk vuur – hij was daarbij omgekomen.

Terugkijkend werd vastgesteld dat dat met relatief weinig verliezen de oversteek over het Twentekanaal was gemaakt. Maar ondertussen had Allan Morrison wel zijn leven verloren. Waar hij precies aan zijn eind kwam is onduidelijk, maar waarschijnlijk werd hij dodelijk getroffen in de strijd die gevoerd werd in het gebied waar de spoorlijn Zutphen-Hengelo en de weg van Zutphen naar Laren elkaar kruisen. Daar boden de Duitsers zware tegenstand.

Allan Donald Morrison is op het Canadese ereveld in Holten begraven in plot 2,  rij E,  graf 4.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman

Arthur was gesneuveld, maar zijn moeder geloofde het niet

44485_83024005550_0233-00136
“We weten dat hij niet dood is”, schreef Gisèle Jean. Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

Negen jaar nadat Arthur Lessard was gesneuveld, twijfelde zijn familie nog aan zijn dood.

Joseph Arthur Marcel Lessard was geboren op 27 oktober 1922 in het Canadese Montreal als jongste in een gezin van vier. Toen hij eind 1942 zijn keuring deed voor het leger, werd hij beoordeeld als een slimme jongeman in goede gezondheid met de juiste militaire houding. Hij was, zo beoordeelde de dienstdoende sergeant, meer dan gemiddeld intelligent. Hij hield van ijshockey en honkbal.

Arthur Lessard was op zijn zestiende van school gegaan. Toen hij zeventien was kreeg hij zijn eerste baantje bij een textielfabriek, waar hij twee jaar werkte. Daarna werkte hij een jaar bij de Canadese spoorwegen (Canadian Pacific Railway).

Lessard was een goed soldaat, al had hij een paar kleine akkefietjes. Hij werd een keer bestraft omdat hij een order niet had opgevolgd en hij was eens afwezig zonder verlof. Desalniettemin werd hij geschikt bevonden om als infanterist te worden ingezet bij de strijd tegen de Nazi’s.

Op 27 mei 1944 werd hij verscheept naar Engeland. Twee maanden later, ingedeeld bij het Franstalige  Fusiliers de Mont-Royal, kwam hij in Frankrijk terecht. In augustus 1944 raakte hij vermist tijdens gevechten. Drie dagen na de vermissing dook hij ongedeerd weer op bij zijn regiment. Zijn moeder kreeg een telegram dat hij vermist was. Maar ze kreeg nooit bericht dat hij weer terecht was.

Tot in april 1945. Toen kwam er bericht van het sneuvelen van Arthur Lessard. Lessard was met vier van zijn maten van dezelfde eenheid omgekomen in gevechten met de Duitsers. Hij sneuvelde op de Beuseberg bij Holten en werd begraven in een tijdelijk graf (ter hoogte van wachtpost 9 langs de spoorlijn Zutphen-Hengelo) aan de Rossweg in Laren (Gld).

In het officiële legerbericht aan Lessards moeder stond dat hij was omgekomen op 7 april, ongeveer 8 mijl ten oosten van Zutphen in Nederland. Die datum was voor het gezin Lessard al zwaar beladen. Op 7 april 1936 was vader Lessard op 49-jarige leeftijd overleden. En nu, negen jaar later, was er bericht van het overlijden van de jongste telg van het gezin, nota bene op dezelfde datum.

Het bericht over de dood van Arthur liet het gezin in verwarring achter. Arthurs moeder kon of wilde het niet geloven. Ook al werden de persoonlijke spullen opgestuurd, ook al kwamen er berichten over de plek waar de jongeman tijdelijk was begraven, en ook al ontving ze een foto van het definitieve graf van Arthur op de Canadese begraafplaats in Holten.

Eind 1946 stuurde zij een brief aan het ministerie voor veteranenzaken: of ze geen opheldering kon krijgen over de dood van haar zoon. Het ministeriële antwoord – een maand later – was zakelijk en kort: Nee, helaas, er waren geen details over de omstandigheden van de dood van Arthur, anders dan dat hij door de vijand was gedood ongeveer 8 mijl ten oosten van Zutphen.

44485_83024005550_0233-00128
“Helaas, hebben we geen details over de omstandigheden van zijn dood.” Bron: Canada, WWII Service Files of War Dead, 1939-1947

In april 1951 meldde Gisèle Jean zich bij het minister. Zij was de verloofde van Arthur, schreef ze. Ook zij wilde meer informatie, ook omdat Arthurs moeder ziek was. Ze wist dat Arthur vermist was en dat hij daarna bij haar weten nooit meer was terug gemeld. “We weten dat hij niet dood is. Wilt u ons alstublieft laten weten waar hij in het ziekenhuis ligt, zodat we hem kunnen troosten en bemoedigen.”

Ambtenaar H.M. Jackson van het ministerie van veteranenzaken gaf haar in een brief uitsluitsel. Hij meldde dat Arthur op 25 augustus vermist was gemeld, maar dat hij drie dagen later ongedeerd terug was gekomen bij zijn eenheid. Jackson schreef verder dat Arthur echt gesneuveld was en dat zijn lichaam tijdelijk begraven was in de omgeving van de plek waar hij was omgekomen.

Op 18 januari 1954 klom Arthurs broer Aimé in de pen. Moeder was inmiddels overleden. Hij wilde toch graag weten hoe het zat met zijn broer. Hij had nooit geloofd dat zijn broer was gesneuveld. “Ik heb liever dat hij vast zit in de Kingston gevangenis, dan te weten dat hij dood is, dan had ik tenminste nog geringe hoop dat ik hem weer kon zien”, schreef Aimé. Hij had van een vriend, een luitenant in het leger, gehoord dat Arthur niet dood was. Hoe het precies zat, had de luitenant ook niet kunnen zeggen, omdat het een militair geheim zou zijn.

Ambtenaar Jackson schreef een uitvoerige brief aan Aimé Lessard, waarin hij voor een deel herhaalde wat hij ook al had geschreven aan Aimé’s moeder en aan Gisèle Jean.

Hij voegde daar aan toe dat er geen enkele twijfel was over het overlijden van Arthur. Verhalen dat hij nog in leven zou zijn, kwamen van horen zeggen en gingen niet vergezeld van enig bewijs. Daar kwam nog bij dat alle formaliteiten rond het overlijden van Arthur netjes met zijn moeder waren afgewikkeld.

De waarheid was hard. Misschien wel te hard om te aanvaarden.

Bestel hier uw exemplaar van Verhalen van het Slagveld.

© 2016 Jan Braakman